Zomer 1814: het Weens Congres begint, tsaar Alexander en (koning) Willem I laten zich toejuichen. De krant van toen. Vijftiende deel

Zomer 1814 werd op de strategische tekentafels van het voorlopige Weens Congres, waar op dat moment de voornaamste Europese landen het voor het zeggen hadden, het negentiende eeuwse Nederland in de steigers gezet. We mochten vervolgens in de kleine salons weliswaar onze wensen kenbaar maken, maar hadden daarover niet het laatste woord.

Een paginagrote afkondiging in de Arnhemsche Courant (9 juni 1814) gaf duidelijk aan dat in het na-Napoleontische tijdperk het geloof in een Almachtig God  de leidraad zou gaan vormen in alles wat er vanaf dat moment besloten zou worden over de kleine en grote Europese mogendheden. Ons land was nog in oprichting, maar de afkondiging ‘in naam der Allerheiligste en ondeelbare Drie-eenheid’ zei alvast het volgende over Nederland en België onder punt vijf en zes van het voorlopige Vredes-traktaat:

5. ,,De vaart op den Rijn, zal van het punt af, alwaar de zelve bevaarbaar wordt, tot aan de zee en terug, vrij zijn, met dien verstande, dat dezelve aan niemand zal mogen worden belet; zullende men zich, bij het aanstaande congres, met de grondbeginselen bezig houden, volgens welke men de regten, door de aan de oevers gelegen staten te heffen, op de gelijke magtigste en voor den Koophandel van alle natiën gunstige wijze zal bepalen.” Met andere woorden: hier werd de basis gelegd voor het gegeven dat Nederland als doorvoerland niet in zijn eentje kon bepalen wie er over haar wateren mocht varen en wie niet; dit in het kader van de negentiende eeuwse opkomst van de Duitstalige landen.

27. Fontainebleau 20 april 1814

6. ,,Holland, onder de Souvereiniteit aan het Huis van Oranje geplaatst, zal eene vergrooting van grondgebied bekomen. De titel en uitoefening der Souvereiniteit zullen er, in geen geval, aan eenig Vorst behooren, die eene vreemde kroon draagt, of bestemd is om die te dragen;… .” En zo nog 31 andere artikelen. Het hele pakket was mede ondertekend  door de Oostenrijkse prins Von Metternich, die de komende decennia een persoonlijke stempel zou weten te drukken op de grote lijnen in de Europese politiek en het ernstig naleven van hetgeen in Wenen werd besloten. Hoe het ook zij, Willem I en zijn oudste zoon konden beginnen met hun charmeoffensief om het volk over te halen zich neer te leggen bij de situatie en/of vol enthousiasme hun zijde te kiezen; kroonprins Willem wist velen in de Belgische gewesten voor een groot Nederland te interesseren en verwierf er door zijn beminnelijk optreden instemming met de zaak die hij voorstond.

Donderdag 30 juni 1814 meldde de courant dat Willem I de tsaar van Rusland na diens vertrek uit Frankrijk in Rotterdam zou ontvangen. Hij, die al sinds 1807 (Tilsit) Napoleons belangrijkste opponent bleek en met zijn Russische troepenmacht sinds voorjaar 1814 in Parijs mede de lakens uitdeelde werd voor velen het nieuwe idool dat bewierookt werd. Het bezoek werd echter op het allerlaatste moment afgelast wist kroonprins Willem, die in cognito in Arnhem verbleef aan ingewijden te vertellen. De reis van de tsaar en zijn familie werd met eenzelfde opwinding beleefd als indertijd het bezoek van Napoleon aan de Nederlandse gewesten. Het gonsde van de geruchten over waar en wanneer hij ergens zou arriveren.

Intussen probeerde Willem van Oranje-Nassau via de couranten zijn (lezende) onderdanen over te halen zich om zijn troon te scharen (zaterdag 2 juli 1814). De aankondiging van de (her)invoering van een algemene dankdag werd door hem aangegrepen om voor wat Gelderland betreft via de Gelderse gouverneur en de Arnhemsche Courant een historische opsomming te geven van de Oranjes, Nederland en de Almachtige door de eeuwen heen. ,,Het is waar, ook onze Vaderen zagen meermaals, dan wanneer alle menschelijke hulp ijdel was, den Almachtigen arm des Heeren heil beschikken. …; … Na zoo veel lijden moest ons nog de zwaarste aller rampen treffen; ons volksbestaan werd vernietigd; wij hielden op Nederlanders te zijn. …; … Ons nieuw Staatsgebouw, onder het gedruisch der wapenen ontworpen en voltrokken, heeft reeds al die vastheid verkregen, welke anders alleen lang gevestigde Staten kenmerkt. Heilloze partijschappen hebben doel en kracht verloren; de zoo gewenschte eendragt heeft alle beminnaars des Vaderlands wederom door die nauwe banden vereenigd, welke verbreking als een der hoofdoorzaken van ons verderf kan worden aangemerkt.” Aldus de propagandistische taal van de overwinnaar(s) van het moment.

Maar dan is het op 6 juli 1814 zover. Een dag later (7 juli 1814) doet de A.C. verslag van tsaar Alexanders bezoek aan Gelderland. ‘Den gezegenden‘ wordt hij genoemd. Allerwegen schijnt er sprake te zijn van hartelijke begroetingen, erebogen, toejuichingen en nieuwsgierige mensen die  ‘de redder van Europa‘ [waar hebben we dat eerder gehoord en gelezen?] graag in levende lijve wilden zien (o.a. in Amerongen en Nijmegen). Restanten van wat eens Napoleons Garde d’Honneur vormde wilden hem bij zijn doorreis escorteren, maar dit werd vanwege de ‘pijnlijke herinneringen aan die garde‘ door de tsaar vooraf van de hand gewezen. Een ‘spontaan gemaakt’ gedicht gaf uitdrukking aan de beschreven gevoelens:

,,Alter Alexander, vicendo subjicit orbem; Alter vicendo libera regna creat: Gentibus a domitis si Magnus dicitur alter; Pacatis merito Maximus alter erit.” Als volgt vertaald: ,,Een Alexander deed door ’t staal het Aardrijk buigen. Een Alexander maakt door ’t staal de Volken vrij! Is gene Groot, om dat Hij Volken kan bedwingen, Deez’die hen Vrede schenkt, is Grooter nog dan Hij.” Vervolgens haastte hij zich richting het Weens Congres waar men al zonder hem was beginnen te vergaderen.

Zaterdag 6 augustus 1814 berichtte de A.C. over het bezoek dat Willem I en zijn zoon aan Brussel brachten. Souverein vorst Willem arriveerde samen met de erfprins en een kleine hofhouding te Brussel waar het voormalige Hôtel de Prefecture in Laken-Brussel voor hen in allerhaast in gereedheid was gebracht. Diezelfde avond bezocht het gezelschap een (protestantse?) eredienst waarin de Franse predikant Charlier voorging. De volgende dag al kwamen diverse vertegenwoordigers van het (Brussels) bestuur hun opwachting maken, ,,stralende in alle de, bij die gelegenheid gedane aanspraken de beste gezindheid door en een onbeperkt vertrouwen op den Souverein, onder wiens leiding het lot dezer Gewesten zich eerlang zal ontwikkelen.”

cropped-33-nederland-wordt-een-koninkrijk-koning-willem-i-1814-1840.jpg

Enkele weken later (bericht in de A.C. van 27 augustus) logeerde Willem op Het Loo dat zijn zomerpaleis zou gaan worden. Hij vierde (de vijfentwintigste) voor het eerst in het ‘nieuwe Nederland’ zijn verjaardag te midden van de Apeldoorners, ,,na eene reeks van zoo vele rampvolle jaren” als hun ‘Heer en Vorst’, aldus het artikel. De plaatselijke predikant ds. Hesselink hield zijn gehoor in een preek uit Ezra 6:10 voor, dat de wederopbouw van het land vele jaren zou vergen, maar het beste kon geschieden onder leiding van een bekwaam te achten persoon. De op het landgoed Welgelegen woonachtige oud-zeeoverste admiraal J.H. van Kinsbergen (ex-senateur van het Franse keizerrijk!) had in allerijl uit de verschillende landstormen (voormalige schutterij) van Het Loo, Beekbergen, Vaassen en Kootwijk een defilé ter ere van de vorst in elkaar getimmerd. ,,De vreugde, het genoegen was op het gelaat van eenieder zichtbaar; den dag liep met gepaste vrolijkheid in landelijke danzen en vermakelijkheden ten einde, des avonds wierd algemeen, schoon daartoe niet aangespoord, geheel vrijwillig, geïllumineerd, …; … En de Ingezetenen van Apeldoorn, bewezen met sprekende daden, dat zijlieden, gelijk altoos vrienden van goede orde geweest zijnde, het zelve blijven willen.” 

Het moge allemaal waar zijn, maar velen hadden er in die tijd goed aan gedaan zichzelf in de spiegel te bekijken. Overigens is het hierboven beschreven gedrag wel iets van alle tijden. Hoe zeggen ze het ook al weer: de koning is dood, leve de koning. Echter, het napoleontisch systeem, maar ook de Bataafse jaren hieraan voorafgaand, hadden iets in de samenleving achtergelaten, dat met dit feestgedruis niet een twee drie verdwijnen zou. Integendeel.

dr. Elze Luikens (copyright!) email: napoleon-info@hotmail.nl

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

Advertenties

Plannen en statistieken

Beste blogabonnees, bezoekers en (frequente) passanten,

allereerst voor ieder van u een gezond, zinvol en wijs 2018!

Hoe staat het met het aantal bezoekers/bezoeken het voorbije jaar 2017:

We bereikten het afgelopen jaar, op 6 bezoekers na, de 12.000, oftewel het mooie aantal van 11.994, en dat houdt in dat er een gemiddelde van 33 per dag is behaald. De drukst bezochte maand was februari (1396) met zo’n 50 bezoeken/bezoekers per dag; de minst drukke maand op deze blog was de zomermaand augustus met 562, omgerekend zo’n 18 bezoekers/bezoeken per dag.

EPSON scanner image

EPSON scanner image

Wat kunt u het komend jaar verwachten?

  1. De blogserie met door mij geselecteerde en van commentaar voorziene verhalen en verslagen uit de Krant van toen wordt als eerste project voortgezet, zij het met grote stappen door de tijd (de jaren 1815-1821), tot en met het overlijden van Napoleon (1821); vervolgens worden nog enkele herdenkingsmomenten besproken, eveneens uit de dagbladen gedistilleerd, waaruit kan worden opgemaakt dat de gedachten en meningen over de Franse generaal/consul/keizer met het verlopen van de jaren zich nogal begonnen te wijzigen. Meer begrip, minder weerzin.
  2. In de jaren 2004-2012 heb ik onder andere in het Gelders archief te Arnhem hopelijk zorgvuldig genoeg onderzoek verricht in het aldaar aanwezige Bataafs-Frans archief. De in de inventarissen gehanteerde indeling/rubrieken, zoals landbouw, onderwijs, militaire zaken, bruggen en wegen, godsdienst etc., etc. zullen in de blogs worden gehandhaafd en zullen belangstellenden, hetzij studenten en/of hobby-historici, of ook historische verenigingen verder gaan helpen, omdat steeds wordt verwezen naar de inventaris die is gebruikt. Ik heb tijdens dit onderzoek keuzes moeten maken, maar daarbij de volgende regel gehanteerd: wat hebben de mensen van toen in de napoleontische jaren ondergaan, beleefd, aan weerzin ontwikkeld of van harte toegejuicht.

Als dit project af is, zitten we denk ik in het jaar 2021.

Ik ga er maar van uit dat al de volgers van mijn online privatissimum, (anonieme) abonnees, tijdelijke of langduriger bezoekers veel wetenswaardigs te lezen zullen krijgen. Mijn organische geschiedschrijving (het aantal gegevens, materiaal, feiten en verhalen groeit en groeit en groeit) zal dan op enig moment haar voltooiïng naderen.

Tot slot: ook de inmiddels talrijke volgers/followers uit België en de Verenigde Staten en enkele andere landen … u allen heet ik ook het komend jaar wederom hartelijk welkom.

De eerstvolgende blog verschijnt in de week van 15-21 januari 2018.

dr. Elze Luikens

De laatste Fransen verlaten Nederland. De krant van toen. Veertiende deel

Begin december 1813 werd het Dagblad van het Departement van den Boven-IJssel, nadat Pruisische troepen Arnhem met veel moeite hadden ingenomen, voortgezet als de Arnhemsche Courant. De berichtgeving, vanaf begin 1814, begon aanvankelijk behoorlijk oranje te kleuren. Toch waren nog niet alle Franse legereenheden uit Nederland verdwenen. Onder andere Deventer werd geplaagd door een Franse bezettingsmacht onder leiding van generaal Shiner. (lees ook: Deventer bezet: februari 1814   )

In tussentijd schaarden zich verscheidenen uit het patriciaat, maar vooral toch ook uit de door de Fransen uitgeschakelde landadel rondom de erfprins Willem (VI) van Oranje. Maar de strijd om de hoogste positie in het land, de troon, was in januari 1814 nog niet helemaal beslist in het voordeel van Willem, want Lodewijk Napoleon (inderdaad de broer van …) meende als Nederlands eerste koning van 1806-1810 evenzeer rechten te kunnen doen gelden. Hij rekende zich rijk door ervan uit te gaan dat zijn koningschap toch bepaald succesvol was geweest. Regelmatig verschenen die eerste weken van 1814 opvallend positieve berichten over hem in met name de Arnhemsche Courant.  Zo was er op 18 januari 1814 een aansprekend bericht, opgepikt uit Frankrijk, dat Lodewijk Napoleon een manifest had ondertekend waarin hij de Nederlandse overheden en bevolking opriep om zich aan zijn zijde te scharen. Hij beloofde daarbij alle ambtenaren te zullen handhaven indien ze zich ordentelijk bleven gedragen. De oproep zal best wel de harten van enkele pro-Franse lieden sneller hebben doen kloppen, ook al omdat keizer Napoleon in Frankrijk voor elke meter Franse grond bleef strijden, maar het ebde weg en er werd na februari dat jaar nauwelijks nog iets van deze broer van Napoleon vernomen.

23.ets Lodewijk Napoleon

In het bevrijde land waren nog lang niet alle kaarten geschud. Bovendien begon de dagelijkse realiteit het nieuws weer te bepalen. Zoals blijkt uit in de A.C. geplaatste noodkreten van 25 februari 1814 afkomstig uit de omgeving van Elburg. Vanwege hoge waterstanden van de IJssel was de doormars van geallieerde troepen – wellicht richting Deventer – opgehouden. Dit had tot gevolg dat daardoor noodzakelijk geworden inkwartieringen van soldatenvolk in de omgeving van Elburg zwaar drukten op de lokale (boeren)bevolking, die al eens het een en ander hadden moeten afstaan. Een deel van de soldaten werd om de nood niet al te hoog te doen stijgen daarom richting Kampen gedirigeerd.

Op 24 maart 1814 werd vanuit het hoofdkwartier van veldmaarschalk prins Von Schwarzenberg tot de nog in Nederland opererende Franse troepen een proclamatie afgekondigd om de vijandelijkheden, al of niet uit naam van de (vermeende) Franse regering te staken. ,,De mogendheden bedoelen geenszins de verovering van Frankrijk; doch zij zullen geene vrede maken, dan op voorwaarden, welke aan hunne volkeren en aan Frankrijk zelf eenen stand van duurzame rust verzekerd.”

De mensen rondom erfprins Willem zaten intussen niet stil. Om te voorkomen dat de geallieerden (Russen, Pruisen, Oostenrijk, Zweden en Engeland) zelf maar bepaalden wie er leiding aan de Nederlanden (Nederland en België?) zou gaan geven, gingen ze in allerhaast te werk om de erfprins van Oranje in het zadel te hijsen. Hoe en met welke titulatuur dat was nu even niet het belangrijkste. De A.C. plaatste hierover drie dagen later (1 april 1814) nadat een en ander zich al in de  Nieuwe Kerk te Amsterdam had afgespeeld een uitvoerig verslag. Het bleek dat uit het gehele rijksgebied 600 aanzienlijken waren opgeroepen om op 29 maart ‘s-morgensvroeg plaats te nemen in genoemde kerk; dit onder klokgelui, veel vlagvertoon en saluutschoten afgevuurd vanaf schepen. De uitverkorenen hielpen mee om de inhuldiging van Willem, als souverein vorst, door hun aanwezigheid een officieel cachet te geven.

Tijdens de plechtigheid sprak Willem de volgende woorden: ,,Ik zwere dat ik eerst en bovenal de Grondwet van de Vereenigde Nederlanden zal onderhouden en handhaven, en dat ik wijders de onafhankelijkheid van den Staat, de vrijheid en de welvaart van deszelfs ingezetenen, met alle mijne krachten bevorderen zal.” Hierop volgden pauken- en tromgeroffel, waarna een stilte intrad en daarna de president van de vergadering de volgende plechtige woorden uitsprak: ,,Wij zweren dat wij, als representerende de Vereenigde Nederlanden, en in dezen naam, U, krachtens de Grondwet van dezen Staat, hulden en ontvangen als onze Souverein Vorst; dat wij uwe Hooge en Soevereine Regten zullen bewaren en onderhouden en U, getrouw en gedienstig zullen zijn in de bescherming van uwen persoon en staat.”  Waarop een korte pauze volgde. Vervolgens klonk het: ,,Zo waarlijk helpe ons God almachtig.” Tijdens de laatste zin stak de president de ‘twee voorste vingers van zijn rechterhand’ op, vervolgens hieven de aanwezigen hun rechterhand op; het hoofd van de nieuwe souvereine vorst was tijdens de plechtigheid onbedekt. Hierna riep de wapenheraut driemaal met luide stem: ,,Leve Willem Frederik, Souvereine Vorst der Vereenigde Nederlanden.” , en speelde vervolgens een kapel een muziekstuk en werd er aansluitend een godsdienstoefening (eredienst) gehouden.

De onderhandelingen met de leidinggevenden van het Frans bezettingsleger te Deventer gingen onverminderd door, maar vlotten niet echt, omdat de Fransen steeds weer als voorwaarde stelden met opgeheven hoofd de IJsselstad te willen verlaten. Op 23 april 1814 plaatste de A.C. het voorbarig gebleken bericht dat de bezettende macht Deventer die dag zou opgeven en richting Frankrijk zou afmarcheren. Ook wist het bericht te vertellen dat de Deventer burgerij geen enkel gebrek aan levensmiddelen kende en de bezetting het met gemak nog wel enkele maanden had kunnen volhouden.

Maar 25 april was er nog niets wezenlijks gebeurd, al was er wel sprake van een soort van wapenstilstand. De dagen die daardoor zonder enige beweging en duidelijkheid voor wie dan ook waren verlopen, werden door de Franse generaal Shiner aangegrepen, om de Deventer bevolking duidelijk te maken dat ze het hadden getroffen met de Franse bezettingsmacht. Hij hield hen voor dat de inwoners van de steden Zutphen, Zwolle en Kampen het vanwege langdurige geallieerde inkwartieringen zwaar te verduren hadden gehad, al die maanden, en zij, de Fransen zich in alles toch zeer correct hadden gedragen. Weliswaar moesten de welgestelden van de stad ‘de penningen’ leveren om de verdedigingswerken te kunnen inrichten, maar de ‘arbeidsman’ kon hierdoor worden ontzien en daardoor zijn huisgezin voeden. Twee dagboeken, geschreven van binnenuit en kort na de bevrijding van Deventer uitgegeven, laten echter een wat ander beeld zien.

Op 5 mei 1814 pas melde de Arnhemsche Courant dat de stad was ontzet en de Franse troepen over Apeldoorn en Utrecht richting Frankrijk waren afgemarcheerd, ,,met pak en zak.” Vanaf 10 november 1813 was de stad bezet geweest en ,,is hier en buiten de stad een half uur rondom dezelve alles om verre gehaald, omgehouwen, verbrand en gestolen. …. Onze schoone wandelplaats, de Worp, is geheel weg, met eenige honderden tuinen en huisjes, en alle gebouwen buiten dezelve gelegen.” De geallieerden, met name het achtste bataljon Hollandse infanteristen, en netjes gekleed, marcheerden met dertig burger-muzikanten de stad binnen. Deze militairen werden bij een aantal Deventenaren ingekwartierd. ,,Alles is hier rustig en vrolijk. De stad wordt hier zedert drie dagen zeer veel bezocht door vreemdelingen en vrienden, om de verwoesting te aanschouwen. God zij dank dat wij verlost zijn.”

dr. Elze Luikens (copyright)

tekstredactie: H. Luikens – de Kruif

correspondentie: napoleon-info@hotmail.nl (zelf intikken, a.u.b.)

Een wereld van verschil. Verkiezingen in 1813. Deel XXX. Geschiedenis van Nederland

In 1798 was geprobeerd in een veranderend Nederland verkiezingen te organiseren waar belangstellenden hun persoonlijke betrokkenheid openlijk durfden te  demonstreren.  Elke grondvergadering bestaande uit 500 man kon naar het departementaal – of landelijk bestuur de door hen gekozen afgevaardigden sturen, die voor het gehele departement of land optraden en niet langer particuliere belangen vertegenwoordigden. Hoe anders was het 15 jaar later.

De Franse keizer Napoleon die in half Europa zijn directe invloed uitoefende op bestuur en samenleving, en besliste over leven en dood, had niet zoveel op met die directe vertegenwoordiging en bijbehorend kiesrecht voor al die mannen van 21 jaar en ouder. Het was hem duidelijk gebleken dat volkswil en volksinvloed te snel bij het reilen en zeilen waren betrokken geraakt. Hij verweet het daarbij gehanteerde systeem de vele ongelukken die hieruit waren voortgekomen, zoals de bloedige Terreurjaren. Hij liet daarom het liefst de door hem benoemde bestuurders en anderen die min of meer direct betrokken waren geraakt bij de organisatie van zijn Keizerrijk uit hun midden de bekwaamste vertegenwoordigers voor bijvoorbeeld het departementaal bestuur aanwijzen. Dat volksinvloed-gedoe kwam wellicht later wel eens een keer, zo oordeelde hij.

2.8.2. De verkiezingen in het kanton Apeldoorn: juli 1813

Op 16 juli 1813 kwamen onder voorzitterschap van de oud-vlootoverste J.H. van Kinsbergen, woonachtig op het landgoed Welgelegen, schoutambt/mairie Apeldoorn, een aantal vooraanstaande kiesgerechtigden bijeen. Ook al was de ontworpen reglementering uit 1797/98 nog niet ingetrokken, en ook al bestond er nog altijd zoiets als een grondvergadering, de werkelijkheid was dat inmiddels op geheel andere gronden dan voorheen verkiezingen werden geregeld. De departementen, onderverdeeld in arrondissementen, die weer waren onderverdeeld in kantons die één of meerdere mairies (gemeenten) bevatten, kozen uit hun meer vooraanstaande burgers hun vertegenwoordigers voor respectievelijk het municipaal-, arrondissement-, of departementaal bestuur. Deze bestuursvormen kwamen op voorschrift van Napoleon enkele weken achtereen bijeen, spraken over zaken die hen aangingen, zonder enige bevoegdheid – want die berustte bij de Parijse bureaus – , hielden verkiezingen, wanneer er plaatsen waren opengevallen en vertrokken daarna weer naar hun landgoed of herenhuis. De meeste van hen kwamen uit de aanzienlijkste families.

De te Apeldoorn bijeengekomen kiesgerechtigden hadden om 15.45 uur een aantal keuzes te verrichten voor de hierboven genoemde Gelderse besturen. Tijdens de eerste bijeenkomst was het de bedoeling een aantal departementale afgevaardigden aan te wijzen. De in rudimentaire vorm bestaande lokale en regionale oer-democratie was na 1810, het jaar dat Nederland aan Frankrijk was toegevoegd,  slechts voorbehouden aan een select groepje.

De kiezers van die zestiende juli 1813 was als voorwaarde opgelegd dat ze moesten wonen in het gebied waar de verkiezingen werden gehouden of waarover de verkiezingen gingen. Ze legden alvorens met hun werkzaamheden te beginnen allereerst de eed van trouw af aan de Keizer en zwoeren gehoorzaamheid aan de wetten van het Keizerrijk, aldus het proces-verbaal van de bijeenkomst.

img015.jpg

Na enige uren van overleg las de voorzitter met luide stem de namen op van de door de vergadering voorgestelde kandidaten voor het Departementale college: W.A. Schimmelpenninck van der Oye, William Bentinck, A.W.O. van Pallandt van Keppel, O.G.W.J. Hackfort tot de Horst, W.G.J. van Remen, I.F. Spaan van Velp, H.W. à Blois en F. de Smelt. Gekozen werden Schimmelpenninck van der Oye, Van Remen, Van Spaan van Velp, Bijlandt Halt en IJssendoorn à Blois. Verscheidene van de heren waren destijds toen stadhouder Willem V en zijn mederegenten het voor het zeggen hadden steunpilaren gebleken voor dat stadhouderlijk gezag. De eerste jaren na 1795 was, zo bleek maar weer eens, hun gezag en invloed tijdelijk uitgeschakeld om met de toegenomen macht van de Bonapartes over Nederland, allereerst voor Napoleons broer Lodewijk (1806-1810) en vervolgens voor de machtige Napoleonzelf,  te kiezen. Om evenzo snel toen erfprins Willem, de latere koning Willem I, op 30 november 1813 op het Scheveninger strand zijn eerste schreden zette, voor het Huis van Oranje-Nassau te kiezen. Zelf vonden ze zich bekwame bestuurders die slechts land en vorst dienden, maar C.H.W. de Wit heeft in zijn toen het verscheen het wetenschappelijk Nederland schokkend boek Strijd tussen aristocratie en democratie beschreven dat het juist de aristocratie is geweest die het primitieve democratische begin met graagte voor jaren de kop wenste in te drukken.

Het is waar, zonder blikken of blozen schaarden ze zich rond de troon van Willem I, waar ze zich kort te voren nog in het door Napoleon verordonneerde stelsel bijvoorbeeld door collega-kiesgerechtigden tot kandidaat lieten aanwijzen. Ik denk dat voor zover er al sprake is van partijschap onder de landelijke aristocratie (in ons geval de Gelderse), die partijschap slechts betekende dat ze hun kaarten inzetten op de succesvolste van het moment.

porcelein-etc-2101.jpg

Voor Apeldoorn is een en ander goed te zien aan Van Kinsbergen. Toen Napoleon op het hoogtepunt van zijn macht was liet de admiraal zich de rang van ‘senateur’ met graagte welgevallen. Met het aantreden van Willem I haastte de zeeheld van de Doggersbank zich om de Oranjevorst hulde te brengen. M.i. kan hieruit worden geconcludeerd dat de notabelen in de regio het gezag, zoals ik hierboven al zei, wensten te ondersteunen en te onderschrijven, wanneer dat in hun ogen kenmerken vertoonde van duurzaamheid.

dr. Elze Luikens (copyright!)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

contact graag via: napoleon-info@hotmail.nl

 

Verkiezingen in 1798. Een wereld van verschil? Deel XXIX. Geschiedenis van Nederland

Terwijl generaal Napoleon zich op Malta met zijn manschappen en vloot gereed maakte om de sprong naar Egypte te wagen, werden in ons land voor het eerst vrije verkiezingen gehouden. Mei 1798. Bedenk wel, dat Bonaparte op dat moment nog niet veel meer was dan een succesvol strategisch en tactisch denkend en handelend legeraanvoerder, die door verscheidene aansprekende successen een van de vele rijzende sterren was in het Frankrijk van kort na de Revolutie van 1789; daarbuiten hoorde een enkeling slechts over hem spreken als die jongeman die het succes aan de broek had hangen. Meer nog niet.

 

De Franse Revolutie met haar aansprekende vergezichten was in het moederland in de fase van herbezinning beland met de nadruk op het mijden van verdere gruwelijkheden. La Terreur (Robespierre;1793). Terwijl dus in Frankrijk de rem erop ging was men elders nog druk bezig ‘la revolution’ in meer eigen lokale zin uit te voeren. Voor ons land kan worden gesteld dat we in feite twee omwentelingen hebben gekend. De eerste omwenteling begon al – zij het nog zonder de motor van 1789, maar wel geïnspireerd door verscheidene Franse denkers – in de jaren tachtig van de achttiende eeuw: de Patriottentijd genoemd. Tijdelijk onderdrukt kwam ze in januari 1795 – geholpen door Franse volkslegers – ik wil niet zeggen in volle hevigheid, maar dan toch wel met kracht en macht opnieuw bovendrijven (lees: Komt het land nog in beweging? De jaren 1795-januari 1798. Deel XX. Geschiedenis van Nederland ). Ik heb wel eens het idee dat we tot op heden amper begrijpen hoe belangrijk de jaren 1795-1798 zijn geweest. Niet meer het geboorterecht verleende allerlei gunsten aan personen die het in dat opzicht maar mooi hadden getroffen, maar het ingezetenschap. En ook al was er in 1798 slechts enkel sprake van  mannenkiesrecht, tenminste wanneer je minimaal 21 was, een woning bezat, belastingen betaalde, in je eigen onderhoud kon voorzien, geen gevangenisstraf had genoten én niet leefde van de een of andere vorm van diaconale bedeling…., als je hieraan beantwoordde, ja dan mocht je mee stemmen.

De tweede omwenteling vond in ons land plaats ten tijde van Rutger Jan Schimmelpenninck en vooral tijdens het bewind van Napoleons broer Lodewijk, Nederlands eerste Koning (lees: Geschiedenis van Nederland 1780-1825. Van Staatsbewind tot Schimmelpenninck 1801-1806. Deel VIII  en ook: Geschiedenis van Nederland 1785-1825. Het Koninkrijk Holland 1806-1810. Deel X ). Het was in tegenstelling tot de toch meer Hollandse interpretatie van wat revolutie voor een land kon inhouden, de Franse versie ervan, die vanaf 1805/06 ook veel verder ging. Dankzij de op dat moment almachtige Napoleon Bonaparte was ze ingrijpender van aard en tot ver in de negentiende eeuw galmde ze nog na.

2.8.1. De verkiezingen van 1798/99

Mijn onderzoek beperkt zich tot toentertijd grote dorpen als Apeldoorn, Voorst en omgeving, en niet de stad, maar is in hoofdlijnen representatief voor wat er elders gebeurde; nader onderzoek hiernaar lijkt me bijzonder zinvol, voor zover hierover nog geen gegevens bestaan. De vraag die ik me tijdens het onderzoek heb gesteld was: hoeveel wilden stemmen en wie waren het die ‘de nieuwe tijd’ omarmden?

In mei 1798 werden de stemgerechtigde ingezetenen van de samengevoegde schoutambten Voorst en Apeldoorn ( lees hierover in: 1795-1796. Voorst en Apeldoorn duiken de Bataafs-Franse tijd in. Deel XIX. Geschiedenis van Nederland. )  opgeroepen om de volgende verklaring te komen afleggen in de grondvergadering (d.i. een netwerk van vergaderingen over het hele land uitgerold, ieder bestaand uit 500 stemgerechtigde mannen), waarna ze in het stemregister zullen worden ingeschreven: ,,Wij houden het Bataavsche volk voor een vrij en onafhankelijk volk, en belooven aan het zelve trouw. Wij verklaaren onsen onveranderlijken afkeer van het Stadhouderlijk bestuur, het Foederalismus, de Aristocratie en Regeringloosheid. Wij belooven, dat wij in alle onse verrigtingen, het zij als stemoefenende Burgers, het zij als Kiesers alle de voorschriften der staatsregeling getrouwelijk zullen opvolgen en nimmer onse stem geven aan iemand, wien wij houden te sijn een voorstander van het Stadhouderlijk, Foederatie of Aristocratisch bestuur.” Het lijkt me niet moeilijk te achterhalen wie de doelgroep vormde. Maar laat we verder kijken.

10.bijeenkomst van de Nationale Vergadering, 1798

In Voorst maakte slechts een klein aantal gebruik van het hen verleende. Het kerspel (dorp met kerk[en] en een van ouds aanwezig lokaal bestuur) was verdeeld in drie grondvergaderingen, waar respectievelijk 19, 17 en 19 personen zich lieten inschrijven. In het kerspel Wilp kwamen 30 en 21 mannen zich inschrijven, in Twello 17 en 22 en ten slotte in Terwolde deden dit 8 en 10 leden van de grondvergaderingen. In totaal waren er in het schoutambt Voorst 163 personen geregistreerde stemgerechtigden geworden.

In tegenstelling tot de gegevens uit het schoutambt Apeldoorn werden er in de stemregisters (1798/99) van Voorst geen nadere bijzonderheden vermeld omtrent kostwinning, ambt of bediening en tijd van inwoning. Er werd volstaan met een handtekening of indien analfabeet met het plaatsen van een kruisje. Dat levert dan het volgende op: van de 163 mannen waren er 25, d.i. ca. 15% die niet in staat waren hun eigen naam te schrijven. Toch gaven ze te kennen van hun stemrecht gebruik te willen maken!

De bevolking van Apeldoorn wordt voor 1798 geschat op 4830 inwoners. Wanneer we aannemen dat ongeveer de helft mannelijk was, dan komen we uit op ca. 2400. Wanneer we vervolgens ervan uitgaan dat 1/3 van dit aantal meerderjarig is, komen we tot het volgende aantal: 800. Welnu, in 1798 maakten in Apeldoorn, Beekbergen en Loenen 60 mannen gebruik van de mogelijkheid zich in het stemregister te laten inschrijven: ongeveer 7 1/2 % van de volwassen mannen. Ik laat hier in het midden of dit te wijten was aan de eed die moest worden afgelegd, of aan de desinteresse van een groot deel van de plaatselijke bevolking voor de nieuwe politieke koers die in het land was uitgestippeld door de voortrekkers van noodzakelijk geachte veranderingen. Feit is dat het aantal belangstellenden in dit deel van het land klein was. Het ligt evenwel voor de hand te veronderstellen dat gebruik maken van het nieuwe stemrecht gebaseerd op ingezetenschap en niet op aloude geboorterechten nog een gewoonte moest worden.

Degenen die wel gebruik maakten van hun stembevoegdheid (voor Apeldoorn waren dit 19, Beekbergen 20 en Loenen 21 mannen), waren gemiddeld 44 1/2 jaar oud. Verdeeld over de drie kerkdorpen was dit respectievelijk 49,6  ,  40  ,  en 43 jaar. Het interessantst zijn wellicht de gegevens over de uitgeoefende beroepen der stembevoegden. Onder hen waren er 12 die op de een of andere wijze met de landbouw hadden te maken, 29 die de ambachtelijke stand vertegenwoordigden, 23 personeelsleden van het schoutambt zelf,  een rentenier en een gepensioneerde inwoner.

Drie zaken vallen onmiddellijk op. Het aantal stemgerechtigden in dienst van het lokale bestuur is hoog. Onder hen waren enkele gerechtsdienaren, boden, klerken, onderwijzers en een ambtschirurgijn. Verwonderlijk is dit niet, aangezien het in stand houden van datzelfde bestuur tevens een inkomensgarantie kon zijn. Een aantal van het schoutambtspersoneel gaf naast de door hun uitgeoefende functie ook een nevenberoep op. Wat verder opvalt is het relatief groot aantal ambachts- en kooplieden, die, in de lokale politiek een vooraanstaande rol speelden. Daarnaast is er een relatief groot aantal dagloners, hetgeen kan wijzen op de invloed van de leuze: vrijheid, gelijkheid en broederschap.

In 1813 wanneer er in Apeldoorn en elders weer een belangrijke verkiezing op stapel staat is er nogal wat veranderd ten aanzien van wie mocht deelnemen. Daarover gaat de volgende blog.

dr. Elze Luikens (copyright).

tekstredactie: H. Luikens – de Kruif

napoleon-info@hotmail.nl

Zoals vroeger of toch een nieuwe koers? Het plattelandsbestuur wordt omgevormd en deels aangepast aan aloude tijden. Deel XVIII. Geschiedenis van Nederland

De nieuwe Grondwet (definitieve versie in 1815) gold voor alle Nederlanders. Een grondwetscommissie samengesteld uit vooraanstaande vertegenwoordigers uit Noord- en Zuid-Nederland, samen  met koning Willem had haar tot stand gebracht. Maar het ontwerpen van een gelijkvormig bestuur voor stad en platteland zat er niet in, omdat er te veel verschillende belanghebbende standen en facties bij betrokken waren. Zo waren er belanghebbenden die terug verlangden naar de voor hen overzichtelijke situatie van vóór 1795; ook al was het toen allemaal maar een  bestuurlijke lappendeken. Het waren met name de meer behoudende aristocraten die nog steeds gruwden van hetgeen de Franse tijd en Napoleon hadden voortgebracht.

Anderen loofden juist de overal geldende bestuursstructuren ontstaan uit decreten en wetgeving van de Franse keizer. Diversiteit tegenover unificatie. De keuze  ‘een en hetzelfde bestuur geldend voor stad én land’ leek hen hiervoor de enige geschikte weg. Koning Willem I besloot, om  ‘aan de verwarring een eind te maken’ dat alle provincies afzonderlijk voorstellen mochten indienen bij hem en zijn minister van Binnenlandse Zaken, Röell. Diversiteit dus!

Omdat Apeldoorn en omgeving in mijn Geschiedenis van Nederlandblogs over dit onderwerp als studiecase fungeren, omdat koning Willem I paleis Het Loo had verkozen tot zomerverblijf, omdat draden vanuit dit Paleis richting het onderhavig gebied zo nu en dan duidelijk terug te vinden zijn, omdat verreweg de meeste onderzoeken die ik in de voorbije decennia heb verricht dit deel van Gelderland/Nederland betreffen, volgt hieronder een beschrijving van de lokale situatie. Apeldoorn dus.

Laat me eerst stilstaan bij de totstandkoming van het specifiek Gelders Reglement voor het Plattelandsbestuur. Het feit, dat de grondwet van 1814 nadere, maar ook nieuwe regelingen voor het bestuur van stad en platteland wenste, gaf al aan dat er niet zonder meer kon worden teruggegrepen op de periode van vóór 1795. Zoals gezegd, per provincie mochten gemotiveerde voorstellen worden ingediend. De regering van Willem I zelf bleef intussen het land centraal vanuit Den Haag besturen, dat  wel! Het is echter duidelijk dat men enigszins rekening wilde houden met lokale, regionale gevoelens, voortkomende uit het eigene van het gebied. [Worstelt de Europese Unie begin een en twintigste eeuw niet met eenzelfde problematiek?] Maar uiteindelijk moesten al die ingestuurde reglementsvoorstellen wel door de Koning en namens deze door zijn minister Röell worden goedgekeurd.

picture-016.jpg

Van alle ingediende voorstellen bevatte het Gelderse de meeste artikelen. De door dit gewest ingediende standpunten werden door minister Röell bij herhaling afgekeurd. Het eerste concept dateerde al van 7 juli 1815 en haakte in tegenstelling tot die van andere provincies zoveel mogelijk aan bij de aloude indeling van vóór de Bataafse omwenteling (1795). Een volgend ingediend concept-ontwerp beoogde het Gelders gebied in veertig districten te verdelen met aan het hoofd ervan een hoofdofficier, ambtsman of drost – dat liet men over aan de eigen Gelderse regio – met daarnaast nog een ondergeschikt apart gemeentebestuur. De grotere ambten/districten zouden eventueel ook nog kunnen worden onderverdeeld in schoutambten en heerlijkheden (Zie ook: Geschiedenis van Nederland: Apeldoorn 1785-1794 (1). deel XV ). Het week dus nogal af van de door andere provincies ingediende concepten, maar ja, Gelderland kende wel een groter aantal momenteel werkloze aristocratische zonen en andere talenten.

Hoofdbezwaar van minister Röell was, dat de door de Gelderse provinciale Staten ingediende indeling wel erg veel de nadruk legde op wel heel grote districten, die weer zouden worden onderverdeeld in kleinere bestuurseenheden. Een soort miniprovincies in de provincie.  De regering wilde slechts akkoord gaan met een eventuele districtenindeling bovenop een indeling in  schoutambten/gemeenten. De voor deze districten te benoemen hoofdofficieren of hoofdschouten zouden slechts een toezichthoudende (voornamelijk de administratie van de schoutambten) en surveillerende (onverwachte controlevisites afleggen) taak mogen gaan bezitten. Een beetje passen op de zaak dus. Na enige missives over en weer kwam er uiteindelijk op 11 februari 1817 een door de Koning gearresteerd (goedgekeurd en ondertekend) reglement. De uiteindelijke indeling, die de drie onderprefecturen en de zich daarin bevindende kantons en mairies ging vervangen, telde 17 districten met aan het hoofd een hoofdschout, onderverdeeld in schoutambten of gemeenten met daar aan het hoofd een schout.

De uit de Inlijving (1810-1813) stammende mairie Apeldoorn herkreeg nagenoeg dezelfde grenzen als de gewezen hoge heerlijkheid Het Loo (Lees ook: Deel XVI. Geschiedenis van Nederland: 1787, een moeizaam jaar voor stadhouder Willem V. ) Maar waar elders in het land wel de heerlijkheden (bestuurlijk aparte welhaast privégebieden) van vóór 1795 werden hersteld, bleef wonderlijk genoeg het na 1795 opgerichte schoutambt Apeldoorn intact. We moeten wel bedenken dat de Domeinen, paleistuinen en Het Loo zelf niet (meer) onder de verantwoording van het nieuw gevormde burgerlijk bestuur vielen. Zo werden (kunst)wegen in het schoutambt Apeldoorn aangelegd tot aan het gebied rondom het paleis. Wilde de Koning zo’n weg doorgetrokken zien dan diende hij dit uit eigen middelen te betalen. De Loolaan in Apeldoorn is hiervan een voorbeeld.

Er heerste over deze nieuwe situatie de eerste jaren bij het lokaal Apeldoorns bestuur veel verwarring. Wanneer bijvoorbeeld de gemeenterekening moest worden afgehoord (privépersonen konden zich er over uitlaten; een gewoonte door Napoleon mogelijk gemaakt), nodigde het ambts,c.q. gemeentebestuur steevast naast enkele vooraanstaande geërfden (kleine  lokale grootgrondbezitters) ook de “Heer van de heerlijkheid Het Loo” uit, waarmee de  Koning werd bedoeld. Alsof de Hoge Heerlijkheid Het Loo nog steeds bestond én functioneerde. Maar van die kant kwam al die jaren geen enkele reactie. Het spraakgebruik echter heeft nog decennia voortgeduurd.

Al de wijzigingen in 1817/18 impiceerden eveneens dat de ten tijde van de Inlijving apart opgerichte mairies Beekbergen en Loenen weer bij Apeldoorn werden gevoegd. Dit had nogal wat financiële perikelen tot gevolg. De financiële huishouding van de tot 1818 als drie afzonderlijke bestuurlijke eenheden opererende gebieden moesten, evenals elders ook ongetwijfeld is gebeurd, weer worden samengesmolten. Het samenvoegen der schulden en het saneren van de gebleken drie afzonderlijke kastekorten veroorzaakten zoveel bestuurlijke moeilijkheden, dat het Gelders bestuur (de gouverneur en de Gelderse Staten) in 1820 overwogen om de drie kerkdorpen maar weer als afzonderlijke schoutambten te laten verdergaan. Verzet hiertegen van de Apeldoornse schoutambt/gemeenteraad heeft dit plan verijdeld. De verkoop van zogeheten ‘Arkmeense effecten’ (geldbeleggingen in [aan te leggen] polders rondom Nijkerk) hebben de betrokkenen genoeg geld opgeleverd om alle schulden voorgoed te delgen.

Een doorsnee plattelandsgemeente als Apeldoorn werd door een schout en een gemeenteraad van 3 tot 9 leden bestuurd. Toen schout J.A.J. baron Sloet tot Olthuis op 1 januari 1818 aantrad, waren niet direct alle gemeenteraadsleden benoemd. Men groeide als het ware naar het vereiste aantal. Dit gebeurde elders ook zo. De geschikt geachte leden werden gekozen uit de  “vroedste en gegoede ingezetenen”; dat was zelfs een vereiste. Daarmee werd voorlopig voorgoed gebroken met de gang van zaken uit de jaren van voor 1810. Ook Napoleon koos eigenmachtig zijn vertegenwoordigers in de verschillende besturen en functies, maar had daarbij meer oog voor de bekwaamheden van de gekozenen. Een niet onbelangrijk criterium was wel dat de benoemden hem door dik en dun zegden te willen steunen.

Tot slot: ik spreek de hoop uit dat er onder de online privatissimumvolgers zich iemand bevindt die bovenstaande voor zijn/haar regio wil uitzoeken. En gepubliceerd weet te krijgen. Dit, omdat deze periode vooral op lokaal/provinciaal terrein er nogal onontgonnen bijligt.

De volgende blog gaat over verkiezingen uit de jaren 1798 en 1813. Voor die tijd een unicum.

dr. Elze Luikens (copyright); tekstredactie: H. Luikens-de Kruif; correspondentieadres: napoleon-info@hotmail.nl (zelf intikken)