Vrijwilligers en dienstplichtigen. Hoe Napoleon aan zijn soldaten kwam. (Militaire zaken; algemeen)

Bij meerdere gelegenheden heb ik geschreven over de dienstplicht ten tijde van keizer Napoleon’s heerschappij over Nederland (1810-1813) en koning Lodewijk’s vrijwilligersleger (1808-1809). Hoe een en ander georganiseerd werd en hoe de betrokkenen daarop reageerden komt in deze blog aan bod. In de nabije toekomst gaan we er nog dieper op in, maar nu alvast een voorproefje. Het Gelders archief is hofleverancier van de voor dit doeleinde gebruikte dossiers; dossiers die in andere provinciale archieven ook liggen te wachten om te worden opgediept.

R.A.G., Bataafs-Frans archief. Stukken betreffende het aanwerven van vrijwilligers, 1809-1811. 1 omslag.

EEN: Dit dossier bevat naamlijsten van ‘vrijwilligers’ die getransporteerd, d.i. vervoerd werden van Arnhem naar Utrecht om te worden ingezet tegen de inval van de Engelsen (augustus-september 1809) in Walcheren; ook is er een opgave aan toegevoegd die ons vertelt wie het waren die deze vrijwilligersplicht op zich namen.

,,Naam Lijst der Velites [vrijwilligers]. Van den 31e van Wijnmaand tot den 1e van Wintermaand 1809. Opgezonden aan den Raad van Administratie van het Legioen Velites te Amersfoort.” Het blijkt hier te gaan om weeskinderen die o.a. uit weeshuizen werden gerecruteerd om ‘vrijwillig’  dienst te doen. De Nederlandse samenleving is hier tegenin gegaan.

Enkele namen nu (van deze naamlozen): ,,4. Anthony van Reems, 15 jaar, geboren te Arnhem. De 31ste wijnmaand 1809 aangenomen te Arnhem. Aangebracht door Wouter Arends Velit bij het Legion Velites te Amersfoort.” Opmerkingen: ,,Beide ouders overleeden maar heeft stiefvader en stiefmoeder Jacob Jacobs en Agniet Hermse woonagtig te Arnhem. Opgezonden naar Amersfoort onder geleide van den Velit W. Arends den 31e van Wijnmaand 1809. ….. 6. Gerrit Zeegers te Arnhem, 17 jaar oud, aangemeld de 16e Slagtmaand door zichzelf. Zijn beide ouders leven nog.” Wat stak hier achter? Zucht naar avontuur, het ontvangen van kledij, eten en een geldelijke vergoeding, of een zachte aandrang vanuit de directe omgeving om iets nuttigs te doen voor de gemeenschap, of … ?

TWEE: In een nota staat hoeveel vrijwilligers ieder departement diende te leveren, ten einde het vrijwilligersleger op de juiste getalsterkte te krijgen. Ik hoop dat het u inmiddels duidelijk is geworden dat het begrip ‘vrijwilliger’ een zeer rekbaar begrip was geworden. De lijst nu: ,,Groningen en Drente, 470; Friesland, 398; Overijssel, 180; Gelderland, 262; Utrecht, 336; Amstelland, 575; Maasland, 698; Zeeland, 8; Braband, 461; Oostvriesland, 15.” Het totaal der manschappen werd gesteld op 3403, waarvan Gelderland  ca. 8 1/2 % leverde en bijvoorbeeld Apeldoorn 2, Beekbergen 1 en het Loo er 1 moesten ‘opsturen’.

DRIE: De (Gelderse) vrijwilligers  varieerden in leeftijd tussen 18 en 45 jaar; het waren meest twintigers. Een enkeling was getrouwd en heeft meer dan 1 kind. Voor Arnhem had ene J. Freeriks verscheidene velites aangegeven.

VIER: Op 17 november 1811 ontving de Gelderse prefect Andringa de Kempenaer een schrijven van Lefort, commissaris van de oorlogen, dat de opgave der vrijwilligers over 1809-1810 op onjuiste wijze is geschied en dat daarvoor gedrukte modelopgaven bestonden van welke Lefort er een met de hand had overgeschreven. Zo moest het gebeuren; zo niet dan werd de opgave als onjuist bestempeld en kon een eventuele vergoeding en/of verwerking niet naar behoren geschieden. Met andere woorden: punctueel zijn anders kan de inmiddels opgetuigde bureaucratie niet naar behoren werken.

R.A.G., Bataafs-Frans archief. 0016-3432. Stukken betreffende de organisatie en uitvoering van de lichting van 1810, 1811. 1 omslag

EEN: Woensdag 15 januari 1811. Er is op het prefectuur te Arnhem een missive gearriveerd van de Staatsraad Directeur-Generaal der Conscriptie (7-1-1811) waarin kennis gegeven wordt van het door Zijne Keizerlijke Majesteit voor het departement Van den Boven-IJssel bepaalde contingent voor de op te roepen dienstplichtigenklasse van 1810. De heren Sous-prefecten van het Departement werden van het navolgende via een missive op de hoogte gebracht:

–Er zijn 370 conscrits/dienstplichtigen.

–Het probleem voor dit departement deed zich voor dat er sprake was van vrijwilligers die zich kwamen aanmelden, naast een aantal die via Harderwijk graag bij de Frans-Nederlandse marine wilden dienen. In het arrondissement Arnhem was er zo al sprake van 28 ingeschreven vrijwilligers en 14 die zich hadden laten inschrijven bij de Marine. Welnu deze aantallen mochten niet van de op te roepen dienstplichtigen worden afgetrokken.

–Ook elders deed zich het vrijwilligersprobleem voor; Zutphen telde er 18 en Tiel 12. Zo te zien was er dus wel degelijk animo onder jongemannen om dienst te mogen nemen in Napoleons Grande Armée.

–Om allen tot ijver aan te sporen volgde een oproep aan de Gelderse onderprefecten, die uiteindelijk het aanmeldwerk hadden te regelen, evenals dit ook elders gebeurde: ,,Mijnheer de onderprefect… u kent het doel van onze illustere vorst en u weet wel de wegen te bewandelen die zullen leiden tot het door onze doorluchtige vorst verlangde.” (vrij vertaald).

–De onderprefect moest op zijn beurt de maires benaderen, zoals de Prefect hem had benaderd. En nu bleek maar weer eens het ‘nut’ van een goed werkende Burgerlijke Stand, door de wil van Napoleon ook in deze contreien ingevoerd.

–Tot slot werd aan de maires en de verschillende kapiteins der gendarmerie in gevleugelde woorden gevraagd toch vooral alles in het werk te stellen dat de inschrijving correct zou verlopen en dat er toch vooral niets over het hoofd werd gezien.

TWEE: Dat wel eens een dienstplichtige werd vergeten daarvan getuigt het onderstaande:

,,27 januari 1812 [ontvangen]

Aan den Heere Prefect van het Departement van den Boven-IJssel.

Hoog Wel geboore Gestrenge Heer! 

Geeve mits dezen UWZWG: zeer ootmoedig te kennen dat ik bij mijn laatste opgaave vergeten heb optegeven een jongen Heer Met namen Jacobus Hoff geboren te Nijkerk in den jaare zeventien honderd negentig den 10 April, thans studerende in de Theologie te Munster, en daar het nu wel wat laats is, ik egter het abuis niet eerder ontdekt heb, zoo is het dat ik UWZWG: hiervan door dezen kennis geeve ten einde zoo veel mogelijk het nodige gebruik er van te kunnen maken. Doesborg den 25 Jani: 1812, UWZWG: D.W. Dienaar A. van Gestel.” Waarschijnlijk wist Van Gestel niet dat studenten Theologie vrijstelling voor de dienstplicht konden aanvragen.

Anders gesteld was het met de loteling Hendrik Evert Peppel; zie hieronder zijn verhaal opgenomen in R.A.G., Bataafs-Frans archief. 0016-3434. Ingekomen verzoekschrift van E.L. Peppel te Wageningen om zijn zoon H.E. Peppel, conscrit van de lichting 1808, vrij te stellen van dienst, met bijlagen, 1811. 1 omslag

De loteling Hendrik Evert Peppel “vallende in de conscriptie van 1788 en die ongelukkig het lot No. 8 [getrokken op 21 maart 1811] is te beurt gevallen.” kon volgens het aan de Prefect toegezonden verzoekschrift niet worden ingelijfd, omdat hij de volledige zorg voor zijn ouders had. Aan het dossier is bijgevoegd een extract uit het Doopboek der Hervormde Gemeente te Wageningen, gegeven de 21ste van Lentemaand 1811 om daarmee aan te tonen dat de ouders al op 10 mei 1741 waren gedoopt en dus inmiddels op leeftijd. Ook de naaste buren van Hendrik Evert hebben het verzoek ondersteund met een ‘brandbrief’.

,,Wij ondergetekenden Derk Cadron Gerritsen, ruim vijv en vijvtig, en Derk Randewijk, ruim één en vijvtig jaren oud, de eerste gedurende bijna vijv, en de laatste gedurende bijna twee en twintig jaren in de buurt van Evert Lubberts Peppel en Janna Peters Echtelieden gewoond en dagelijks ten hunnen huise verkeerd hebbende en alsnog verkeren….. verklaren  alzoo zeer wel te weten: Dat gemelde Echtelieden Evert Lubberts Peppel en Janna Peters in het algemeen bekend staan en aan ons bekend zijn voor brave en opregte lieden, welke voorheen altoos zeer werkzaam en naarstig geweest zijn in hun beroep als halve Tabakkers; dat zij niet meer dan twee zoonen hebben, waarvan de oudste gehuwd is, hebbende eene Vrou en vijv kinderen; en de jongste Hendrik Evertsen Peppel genaamd, vallende in de conscriptie van 1788, hebbende bij de loting getrokken No. 8, bij hun in huis woond en voor hem en sijne ouders voornoemd, door sijnen dagelijkschen arbeid, als halven Tabakker, de kost moet winnen en het levensonderhoud van deze sijne ouders, welke geene andere middelen van bestaan hebben, geheel en al van hem afhangt en die door het gemis van desen hunnen zoon in de uiterste armoede gedompeld zouden worden; als zijnde beide zoo uit hoofde hunner hooge jaren, als zigtbare Lighaams gebreken, ten eene maal onvermogend, om thans weer voor zich zelven de kost te winnen; dewijl hij Evert Lubberts Peppel, behalven met een liesbreuk, veelal met zeer hevige zenuwtrekkingen en doof of magteloosheid der vingers gekweld is en de Vrou Janna Peters zeer zwak van lighaam en meestal van haar gezigt berooft is; door welk een en ander zij volstrekt niet meer in staat zijn die werkzaamheden te verrigten, welke Hun voorheen het levensonderhoud verschaften.”

De brief is te Wageningen de 22ste maart 1811 ondertekend en dit is nog eens bekrachtigd als een ‘geloofwaardige verklaring’ door T. van Ommeren…. dit alles bestemd voor prefect Regnerus Livius van Andringa de Kempenaer, die er niet zijn fiat aan heeft gegeven en de paperassen bij andere verzoeken betreffende de lotelingen van toen heeft gevoegd.

N.B. Over Hendrik Evert Peppel heb ik eind 2014 in een eerdere blog nog het volgende geschreven:  Loteling no. 8 voor de Grande Armée: Hendrik Evert Peppel

***************************************************************

dr. Elze Luikens (copyright)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

Reageren? Zie voor het emailadres OVER bovenaan de blogpagina.

Advertenties

De verschrikkingen van de oorlog. Deel 2

Na het herlezen van Erich Maria Remarque’s Der Weg zurück (De weg terug), een meesterwerk dat ik indertijd op mijn literatuurlijst Duits had gezet, besef ik nu vele jaren later pas goed waarover dit boek gaat. Het waarom van dit boek blijkt de kracht van de indringende beschrijving te zijn van wat oorlog met (jonge) frontsoldaten doet en het nauwelijks kunnen oppakken van hun leven direct na het beëindigen van de Eerste Wereldoorlog.

Gewend aan het bijna onophoudelijk gedreun van kanonnengebulder, fluitende granaten door de lucht, gasaanvallen, modder en vuil… en dat dag in dag uit, komt er ineens begin november 1918, zo blijkt achteraf, een voorlopig eind aan de bijna vier jaar durende loopgravenoorlog in Noord-Frankrijk en Vlaanderen tussen Duitsers enerzijds en Fransen, Engelsen en Amerikanen anderzijds. De stilte die ontstond na het beëindigen van alle wederzijdse oorlogshandelingen beschrijft Remarque vanuit Duits perspectief als volgt: ,,En eensklaps gevoel ik [de ik persoon Ernst] wat het is, dat ons allen als een dreigend gevaar heeft gealarmeerd. Het is slechts stil geworden. Volkomen stil. Wij kijken elkaar aan, wij kunnen het niet begrijpen. Het is voor den eersten keer sedert wij in de oorlog zijn zoo stil. Wij snuffelen onrustig, om te weten te komen, wat het heeft te betekenen. Is er gas op komst? Maar de wind staat slecht, het zou er door afdrijven. Komt er een aanval? Maar dan zou hij door de stilte immers te vroeg worden verraden. Wat is er toch aan de hand?……. Onze vuisten ontsluiten zich en ballen zich weer vaster. Dat is niet meer uit te houden! Wij zijn zoo aan het lawaai van het front gewend, dat wij het gevoel hebben, thans, nu het eensklaps niet meer op ons drukt, te moeten barsten, of als ballons de hoogte in te gaan. ,,Wacht, straks is het nog vrede,” zegt Willy plotseling en dat slaat in als een bom.” Tot zover dit uitvoerig citaat.

Het verdere verloop van het boek gaat over de terugkeer van een aantal jongens in het na-oorlogse Duitsland dat op dat moment geteisterd werd door revolutie, onzekerheid, een ineengestorte samenleving en toenemende schaarste en duurte. De verwachting de draad te kunnen oppakken door bijvoorbeeld hun gymnasiumstudie weer te hervatten bleek een illusie. De oorlog zat in hen en kwam er maar niet uit; hun familie en directe omgeving begreep dit amper, omdat nauwelijks werd beseft wat de oorlog met deze jongens had uitgehaald!

Tijdens en na het lezen van De weg terug begreep ik beter dan ooit te voren wat de jongemannen ofwel conscrits (dienstplichtigen) van de legers van Napoleon hebben moeten doorstaan. Anders dan de frontenoorlog in het westen tijdens WO I (1914-1918) waren diens oorlogen veel beweeglijker en vonden ze in steeds andere omstandigheden en in verschillende landen plaats. Om enig idee te krijgen van wat dat werkelijk heeft betekend, ontdaan van allerlei glorierijke verhalen over eer en overwinning raad ik  belangstellenden aan alsnog de boeken van Johan Op de Beeck te herlezen, of alsnog aan te schaffen. Deze Vlaamse journalist-schrijver is er mijns inziens goed in geslaagd het beeld van de werkelijkheid, de verschrikkingen dus, als geen ander beeldend te beschrijven. Zie de recensies over beide boeken:  Waterloo. De laatste 100 dagen van Napoleon   en Napoleons nachtmerrie. 1812: Keizer en leger gaan ten onder in Rusland.)

En net zoals bijvoorbeeld de jongens Ernst, Willy, Tjaden, Ludwig in Remarques boek, kwam indertijd na al die veldslagen eveneens een handvol getraumatiseerde jongens terug naar hun stad of dorp. Sommigen hadden spullen bij zich, zich verworven, c.q. toegeëigend in verre landen. De meesten echter kwamen terug met óf zonder verhalen; dat lag er maar aan hoe diep de oorlog in deze jongens ingevreten zat. Geen leger therapeuten en/of therapieën, maar gewoon de rauwe werkelijkheid van verder gaan met je leven alsof er nooit iets gebeurd was. Sommigen lukte dat, zij het uiterst moeizaam, anderen niet. Zij begonnen onrustig als ze waren met het geschreeuw van verminkten en stervenden links en rechts naast hun, tijdens veldslag X, nog luid klinkend in hun hoofd, te zwerven. Eerst alleen, geleidelijk aan met steeds meer. Onder hen de invaliden. Ze trokken, zoals de ‘nette mensen’ het toen ook al zeiden, in benden rond waar dreiging en onrust van uitging…  van dorp naar dorp. Veelal afgelegen boerderijen bezoekend om wat brood en melk, soms wat werk, en een slaapplaats in de hooiberg.

De lokale overheden zaten in de jaren 1815-1823 soms met de handen in het haar met deze rondtrekkende zwervers, ‘deze nietsnutten, die vagebonden’. Er was weinig begrip voor ze; ze werden bestempeld als hinderlijk en veroorzakers van overlast. Soms gebeurde het dat lokale veldwachters, geholpen door enkele potige mannen uit het dorp zo’n troep omsingelden, op een kar zetten en naar een naburige gemeente of provincie transporteerden; daarmee de overlast slechts verplaatsend. Als het niet anders kon werden, zoals op de Veluwe ook wel eens gebeurde, deze mannen gearresteerd en voor enkele jaren naar een hiervoor geschikte gevangenis zoals die in Hoorn overgebracht.

De landelijke overheid met de nieuwe koning Willem I aan het hoofd besloot een aantal heropvoedingskampen op te richten, anders kan ik ze niet noemen, om in elk geval een aantal van hen wat wij zouden noemen te resocialiseren. In Frederiksoord en Ommerschans kwamen ze dan terecht. De bedenker ervan Johannes van den Bosch (1780-1844) deed dit overigens allemaal met de beste bedoelingen en naar eer en geweten. Past het daarom kritiek op hen te hebben die toen leefden, besluiten namen en verantwoordelijkheid droegen? Het is wel erg makkelijk met de verworven kennis van nu zaken uit het verleden te bekritiseren Een verleden dat zich dan niet kan en ook niet mag verdedigen, zo lijkt het soms wel eens.

Waarom dit epistel? Met ingang van de volgende blogs gaat het onderzoek naar de jaren 1806-1815 verder met de beschrijving van de invoering van de dienstplicht ten behoeve van de Grande Armeé van keizer Napoleon; gebaseerd op archiefdossiers. Om ook maar een zweem van verheerlijking te vermijden bovenstaand verhaal.

We moeten trouwens bij het bestuderen van het verleden altijd trachten onmiddellijke voorkeuren in toom te houden, hetzij onze sympathie, hetzij onze antipathie. We doen er goed aan allereerst sec te kijken naar wat zich afspeelde, hoe het zich afspeelde, waarom het zich afspeelde en wat iedereen daarvan meekreeg. Pas in een later stadium kunnen we mocht er behoefte aan bestaan onze voorkeuren laten blijken. In deze ben en blijf ik voorstander van de geschiedsopvatting van Leopold von Ranke (1795-1786); u weet wel die van: ,,Will bloss sagen, wie es eigentlich gewesen… .”

*******************************************************************

dr. Elze Luikens

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

Voor contact: zie emailadres in OVER boven aan de blogpagina

Voor belangstellenden volgt hieronder een link naar een boekbeschrijving van Erich Maria Remarque”s Der Weg zurück: 

https://www.dbnl.org/tekst/_nie002193101_01/_nie002193101_01_0103.php

De verschrikkingen van de oorlog (deel 1)

In een tweedelige blog wil ik u meenemen naar degenen die de verschillende oorlogen die Napoleon en zijn tegenstanders met elkaar voerden hebben overleefd. In deze blog beelden van de veldslagen; de volgende blog gaat over hen die na al die verschrikkingen thuiskwamen. Wilt u alvast een beetje weten waar het over zal gaan dan is het raadzaam om u op de hoogte te stellen van de inhoud van het boek Der Weg zurück/ De weg terug van de Duitse schrijver Erich Maria Remarque dat handelt over (jonge)mannen die de vreselijke dingen van de loopgravenoorlog die de Eerste Wereldoorlog  zo hebben gekenmerkt meenamen naar huis.

Dan nu beelden van enkele veldslagen waar de ‘geniale’ Napoleon aanvankelijk zo glorieus zegevierde. In willekeurige volgorde.

 

Tien voorbeelden, die duidelijk maken dat de (jonge)mannen, de conscrits die dit wisten te overleven heel wat te vertellen hadden…. of helemaal niets. Daarover gaat de volgende blog.

dr. Elze Luikens (copyright)

Voor verder contact, zie OVER bovenaan de blogpagina, of Gravatar bovenaan in de rechterkolom.

 

Pechvogels op het platteland. Financiële onvoorziene zaken

Ik neem u vandaag mee terug naar de jaren 1807-1811. En dan met name naar de pechvogels van toen. Dat waren diegenen die getroffen werden door misoogsten, epidemische ziekten en/of noodweer dat een hele oogst in luttele tijd verwoestte. Er was nog geen sprake van verzekeringen die konden worden gebeld waarna een schade-expert de situatie bekijkt en beoordeelt, waarna er een eventuele schadebedrag wordt uitgekeerd. Mensen die toen werden getroffen door onheil waren afhankelijk van de hulp van hun omgeving: barmhartigheid dus. En juist in de jaren dat de broer van keizer Napoleon Koning van Holland was werd deze hulp beter dan ooit gereguleerd en gecoördineerd. Het was zelfs zo dat wanneer er onvoldoende geld werd opgehaald koning Lodewijk bijsprong door uit eigen middelen het verschil aan te vullen. Een enkel voorbeeld nu.

[0016-3260 Stukken betreffende de door de Minister van Financiën uitgekeerde 5.000 gulden ten bate van de door de hagelslag en onweer verarmde ingezetenen van de departementen Gelderland en Overijssel, 1807-1808. 1 omslag]

Na een enorme verwoestende hagelbui op 13 juli 1807 waren delen van Gelderland (ambten Doornspijk, Oldebroek) en Overijssel (tussen Zwolle en IJsselmuiden: Veecaten) zeer zwaar getroffen en vervielen hierdoor vooral de arme mensen tot nog zwaardere armoede. Al op 27 juli liet Lodewijk Napoleon zijn minister van Financiën f. 5000,- reserveren om de getroffenen te laten uitbetalen ieder naar zijn nood door de betrokken landdrosten (koninklijk Besluit van de 25ste juli, nr. 2; getekend door minister Gogel).

De direct toegezegde hulp was snel aangekondigd, de afwikkeling liet echter op zich wachten. Pas op de 31ste januari 1808 liet baljuw E. A. Daendels (inderdaad familie van… ) weten dat hij voor zijn getroffen ambten een bedrag van 3070 gulden, 14 stuivers en 6 penningen had ontvangen. De secretaris van het stadje Elburg liet daarop op zijn beurt weten dat hij 733 gulden, 12 stuivers en 6 penningen in ontvangst had kunnen nemen, hem door Commies mr. G.H. Eerligh aangereikt (23 januari dat jaar), ,,toegelegd aan zodanige Ingezetenen onder het schependom van Elburg, welke door den Hagelslag van den 13e Juli 1807 tot armoede zijn vervallen”(Elburg, 31 january 1808).

[0016-3261 t/m 3265 Stukken betreffende uitkeringen en inzamelingen ten behoeve van de inwoners van door calamiteiten getroffen plaatsen, 1808-1812. 4 omslagen en 1 stuk]. Uit deze 5 dossiers heb ik een tweetal gelicht, om hiermee duidelijk te maken wat er gebeurde, wanneer een epidemische ziekte een streek trof.

Inv.nr. 3262 betreft Barneveld, Epe, Heerde en Nijbroek, 1808-1811. Op zaterdag de achtste van de hooimaand 1809 was er een bericht van A.A. Gaymans: vanwege een epidemische ziekte in de schoutambten (de latere mairies) Heerde, Epe en Nijbroek zijn de geneeskundige kosten, aldus een missive van baljuw E.A. Daendels, gedateerd op de 24ste van de wintermaand 1808, voor de direct getroffenen zo hoog opgelopen dat ze niet meer wisten hoe ze deze kosten nog konden betalen. Ze hadden daardoor de noodzakelijke geneeskundige verzorging maar laten lopen. En dat had weer gevolgen voor de besmettelijkheid ervan. Overigens weten we niet precies over welke epidemische besmetting het hier gaat. Daendels bereikte in ieder geval zoveel dat het departementaal bestuur van Gelderland overstag ging en bijsprong met het exacte bedrag van 516 gulden, 2 stuivers en 10 penningen.

Hetzelfde probleem deed zich ook voor in Barneveld. Dus, als er ergens door ziekte bijvoorbeeld de kosten de pan uitrezen, trok de betrokken kwartierdrost/baljuw aan de bel met het verzoek om financiële ondersteuning voor de getroffenen in zijn gebied. Het geld hiervoor stond elk jaar weer ter beschikking op de ”onvoorziene uitgaven”.  Het geld voor deze departementale kostenpost moest ook ergens vandaan komen. Koning Lodewijk Napoleon had besloten ze voor rekening van de Publieke Schatkist, ofwel de staatsbegroting, te laten komen. Meer dan eens gebeurde het dat het potje hiervoor opgebruikt was voordat het jaar goed en wel ten einde was gelopen. Was dat moment bereikt dan deed men vaak niet tevergeefs een beroep op de Koning, die dan uit eigen middelen royaal bijsprong. Het bezorgde hem bij menigeen de bijnaam: ,,de goede Koning”.

Inv.nr. 3365 betreft Wezep, aan de noordkant van de Veluwe. Ten gevolge van een felle, grote brand in de buurschap Wezep, onder de mairieën Hattem en Heerde was een besluit uitgevaardigd (15 augustus 1811, nr. 3) tot het houden van een collecte in de kerken op zondag 8 september dat jaar om ‘de ongelukkigen’ te ondersteunen. De Koning was allang het land uit om nog een beroep op hem te kunnen doen en zijn keizerlijke broer Napoleon deed liever eerder een beroep op de jongemannen uit de regio voor zijn Grande Armée dan andersom.

De opbrengst in het Kwartier van Arnhem (grofweg de Veluwe en de randen erom heen) was fors… ruim 1000 gulden; in de Achterhoek was kennelijk niet gecollecteerd, want de opbrengst was er 0,00, maar in het ver van het rampgebied verwijderde Tiel werd nog ruim 100 gulden opgehaald.

En dan komt de organisatiedrift naar voren die deze jaren zo begon te kenmerken. Alvorens er ook maar een cent werd uitgekeerd werden eerst de voorwaarden bepaald waaronder dat mocht plaatsvinden. Allereerst: het bedrag mocht alleen worden aangewend voor het opbouwen van de huizen. Vervolgens mochten de verloren gegane goederen voor niet meer dan de helft van dat bedrag uit de collecte worden vergoed. Voorts werd bepaald dat voor de verloren gegane hooibergen en schuren geen vergoeding mocht worden verstrekt en tenslotte werd bepaald dat slechts in natura mocht worden uitgekeerd: de bouwmaterialen en het arbeidsloon zou door hiervoor aangestelde ‘gecommiteerden’ en niet door de huiseigenaren mogen worden vergoed.

Tot slot nog enig financieel malheur; ditmaal niet veroorzaakt door natuurgeweld, maar door menselijk toedoen. Hier gaat het me erom te laten zien hoe dergelijke zaken kort na Napoleons bezoek aan Nederland werden afgehandeld.

[0016-3367 Stukken betreffende de vaststelling van de schuld van Terborg, door het gemeentebestuur, ingezonden aan de prefect, 1811. 1 omslag]

In het dossier vinden we een rapport van de maire van de ‘commune Terborg’ gericht aan de nieuwe Municipale Raad van dezelfde commune, opgesteld de 7de december 1811. Maire J.A.N. Bögel liet de uitgenodigde heren weten dat nu zij gekozen waren als nieuwe municipale raad ze wel moesten weten dat het gebied waarover zij waren aangesteld tot dan een seigneurie was (= een heerlijkheid, d.i. een juridisch afgebakend gebied waarvoor vergeleken met de omgeving afwijkende regels golden), dat er geërfden waren en het nieuwgevormde gebied de eens zelfstandige kerkdorpen Terborg, Silvolde, Lichtenberg en Varsseveld omvatte.

Het bestuur van toen was ‘onder de bescherming van de hoge majesteit van Napoleon’ omgevormd tot de huidige mairie/gemeente. Maar er was, zo bleek nu, sprake van financiële problemen, mogelijk voortgevloeid uit de samensmelting van de kerkdorpen tot één nieuw bestuurlijk gebied. Maire Brögel raadde daarom zijn raad aan bij het bestuderen van de oorzaak van al deze problemen vooral toch te willen kijken naar de lokale protestantse en katholieke armenzorg,  naar het aantal gebrekkigen en minder gegoeden, maar bovenal naar het vermogen van de protestantse kerk van Terborg, dat hij schatte op 2400 ‘florins’, ofwel 5400 francs. Deze opvatting over de schuldenkwestie kwam van de burelen van de Gelderse prefect (14 oktober 1811, nr. 3, 2e divisie).

Na langdurige beraadslagingen kwam de nieuwgevormde municipale raad tot de constatering dat het vooral lag aan de te betalen rentebedragen op de schulden die Terborg was aangegaan en de tekorten zo deed oplopen. De mening van de Prefect dat het oplopende tekort geheel en al te wijten was aan de kosten voor de lokale armenzorg deelden ze niet. De financiële gaten op de begroting van de protestantse armenzorg was veeleer te wijten aan de onverwachts hoge kosten voor de herstelwerkzaamheden aan de plaatselijk kerk, waarvoor ze een hoge lening waren aangegaan met bijbehorende ‘knellende renteschulden.’

De zaak sudderde voort, maar kwam, dat mogen we gevoegelijk aannemen uiteindelijk toch op het bordje van de plaatselijke armenzorg en haar cliënten terecht.

Tot zover dit inkijkje in de grote zorgen die zo nu en dan een gebied ergens in Nederland konden treffen, want wat in Gelderland gebeurde, gebeurde uiteraard ook elders. De oplossingen hiervoor waren hetzelfde. Gesteld kan worden, dat met het aantreden van keizer Napoleon Bonaparte over het Nederlands grondgebied, de problemen niet sneller werden opgelost. Er is eerder sprake van het tegendeel. Vanaf zomer 1810 heette het veeleer dat het belangrijker was dat het land werd beschermd tegen buitenlandse mogendheden en dat bijvoorbeeld natuurgeweld maar door de omgeving van de getroffenen moest worden opgelost. Daarvan zag u hierboven een voorbeeld.

***************************************************************************

dr. Elze Luikens (copyright)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

contact graag via napoleon-info@hotmail.nl

 

 

De stand van zaken in 1811, volgens prefect Van Andringa de Kempenaer. Stukken van Algemene aard (slot)

,,Het geeft mij eene aangename verademing onder den bijna ondragelijke last van een moeijelijk ambt,” aldus prefect Regnerus Livius van Andringa de Kempenaer in een toespraak, bedoeld om de moed erin te houden en vergezichten te beschrijven; en opgemaakt uit bescheiden berustende in het Rijksarchief Gelderland, Bataafs-Frans archief, inventarisnummer 0016-2598 Teksten van toespraken van de Prefect tot de Algemene Departementesraad en de rechtbank van koophandel, 1811, Minuten en afschriften, 1 omslag.

Wat hem die aangename verademing bezorgde volgt uit de rest van zijn toespraak: ,, …en nimmer eindigende bezigheden mij eenige oogenblikken te mogen onderhouden met eenige der aanzienlijke Ingezetenen van dit Departement, over zaken, deszelfs inwendig Bestuur en het welvaren mijner geadministreerde(n) betreffende, een onderwerp zooveel aangenamer dan het gewoel des krijgs als de zegeningen van de vrede de ramp des oorlogs overtreffen. 

Onze geëerbiedigde Souverein heeft het onlangs aan Zijn Volk gezegd, dat Hij om hen eenige duurzame vrede te brengen groote opofferingen van de zelve eischen zoude, wie uwer Mijne Heeren! heeft die voorzeggingen niet alreeds bewaarheid gevonden en wie uwer heeft niet reeds ijverig medegewerkt, om alle zijne vermogens aan dat groote doel dienstbaar te maken.

Eene nieuwe conscriptie, verzorging van werklieden en aanzienlijke leveranties van Paarden hebben de Ingezetenen van dit Departement zware lasten opgelegd, en het werk van deszelfs administrateurs bij uitstek moeijelijk gemaakt, maar wat is dit vergeleken bij die inrigting welke hoe eervol dezelve ook wezen moge, de kinderen der aanzienlijken, aan hunne ouderen ontnemende de laatste proeven geeft, wat Franschen voor hunnen Souverein over hebben.

Alreeds is deze bezig met de ongelukken te herstellen, die het laatste wintersaisoen aan de schoonste Armee der wereld heeft doen ondervinden. Hij geleidt zijne Keurbenden op nieuw tot de overwinning en derzelver aanverwanten mogen zich vleijen, met de aangename hoop van hen eens met roem overladen te zullen zien wederkeren,… Terwijl dit alles plaats vindt houdt het Genie zich ook nog bezig met het bevorderen van de bloei van de departementen,

Het zal Ulieden aangename bezigheid zijn, in deze schoone dagen van den voorZomer, over de verbetering van den Landbouw en over de blijde verwachtingen van den Oogst te spreken, om te beraadslagen over de verbetering van het ras der beesten, die eerste behoeften van den Landbouw.

Gijlieden zult beraadslagen over de aankweking van die gewassen welke ons de voortbrengselen der colonie geredelijk doen ontberen, den vijand eindelijk tot eene billijke vrede dwingen zullen Verbetering van Traffijken, het aanleggen van wegen, die de afgelegendste delen van het Groote Rijk met elkander vereenigen, het graven van canalen, het beteugelen van het geweld der Zee, en wat al meer den bloei der Natie kan vermeerderen, dit alles zal Ulieden stof van overdenkingen geven.”

Enkele zinsneden uit bovenstaande korte rede doen het vermoeden rijzen dat we te maken hebben met een toespraak uit voorzomer 1813 en niet uit voorzomer 1811. De bewijzen hiervoor lijken me ten eerste: de opmerking over de winterse toestanden met de Grande Armée, wat overeenkomt lijkt te komen met de vlucht van die Grande Armée uit Rusland najaar-winter 1812. Ten tweede … het ingrijpende ‘paardenoffer’ wat weer overeenkomt met de Don Patriotique (Gelderland aarzelt met zijn ‘Don Patriotique’ voor Napoleon) begin 1813. En in de derde plaats de peptalk,  die de Gelderse prefect in de loop van 1813 steeds vaker bij verschillende gelegenheden hield, terwijl in tussentijd de uiteindelijke nederlaag van Napoleon in Duitsland al in de voorzomer van 1813 zich begon af te tekenen.

*****************************************

 

En hiermee hebben we het ‘Algemene Zaken-gedeelte’ geselecteerd uit het Bataafs-Frans archief, zoals dat berust in het Rijksarchief Gelderland te Arnhem afgesloten. Algemene Zaken, bedoeld om een impressie te geven van bestuur, ingezetenen en de Napoleontische almacht. In de volgende serie blogs duiken we wat dieper in de materie voor een beter begrip van wat zich heeft afgespeeld in de jaren 1809-1815. Dit doen we onderwerpsgewijs. De indeling van de onderwerpen is eertijds tot stand gekomen; deze indeling zal ik volgen.

dr. Elze Luikens (copyright)

Circulaires. Stukken van algemene aard

Dé manier om te communiceren met de ingezetenen van een plaats, stad, gewest of land was het rondsturen van een circulaire. Soms was het bedoeld voor medebestuurders, soms alleen voor een bepaalde streek, soms voor een bepaalde beroepsgroep of leeftijdsgroep. Het was begin negentiende eeuw de enige snelle wijze van snel berichten rondsturen. Circulaires, tenslotte, kwamen altijd van bovenaf en waren bestemd voor de lagere echelons.

Om enig idee te krijgen van het soort circulaires dat werd verstuurd in bijvoorbeeld het Gelderse departement van Napoleons keizerrijk volgt hieronder een bloemlezing uit twee in het Gelders rijksarchief berustende dossiers, die op hun beurt berusten in het Bataafs-Frans archief ter plekke. Dossier 0016-2591, Circulaires van de Landdrost/Prefect, bevat verzonden materiaal van Van Lamsweerde, 1807. Dossier 0016-2594 bevat circulaires van 1811, januari-april. Laten wij met inventarisnummer 2591 beginnen.

De circulaire van 6 juni 1807 is getekend door G.W. van Lamsweerde en behelsde het gegeven dat van hem voortaan alle brieven moesten eindigen – op last van koning Lodewijk Napoleon – met: ,,Ik heb de eer met verschuldigde hoogachting te zijn, Mijnheer de Landdrost! Uw onderdanige en gehoorzame dienaar.” Kennelijk was aan deze beleefdheidsvorm behoefte ontstaan. Ook al is het maar een zinsnede, ze geeft toch aan dat er iets in de onderlinge verhoudingen aan het veranderen was. Verder werd in hetzelfde rondschrijven meegedeeld dat de landdrost voortaan voor particulieren te spreken zou zijn, tweemaal per week en wel ‘s-woensdags en vrijdags tussen twaalf en twee uur in één van de vertrekken van het departementaal gebouw. Hiermee werd een eind gemaakt van de ‘loop maar binnen wanneer het jou uitkomt’-cultuur. Hetgeen weer een onderdeel was van de steeds verder voortgaande reglementering van dingen en zaken onder het napoleontisch bewind.

In inventarisstuk 0016-2594 komen we een circulaire tegen, die vanwege het samensmelten van het Nederlands grondgebied met dat van het Franse keizerrijk, het voor de verschillende bestuurslagen noodzakelijk maakte dat er voortaan gelijkschakeling had te zijn tussen de verschillende aanspreektitels van de bestuurders uit Nederland met die uit het ‘nieuwe moederland’.

De tweede van de louwmaand 1811. ,,De Landdrost van het Departement Gelderland, etc. een Besluit van zijne Doorluchtige Hoogheid den prins Aarts Thesaurier van Plaisance, Algemenen Stedehouder van Zijne Majesteit den Keizer en Koning, gegeven te Amsterdam den 28 van Wintermaand 1810; Brengt , ten gevolge van het daarbij bepaalde, bij dezen ter kennis van de Ingezetenen van het zelve Departement, dat hij op heden heeft aangenomen den titel van  P r e f e c t   van het   D e p a r t e m e n t    v a n   d e n    B o v e n – Y s s e l, en de functien, daaraan verbonden, zal uitoeffenen.” Verder werd meegedeeld dat de ‘Heren Assessoren’ voortaan de titel van ‘Raden van Prefecture’  zullen voeren, de ‘Kwartierdrosten’  voortaan ‘Onderprefecten’ heten, ,,en wel wat den Kwartier-Drost van het voormalig Kwartier van Nijmegen betreft, den titel van Onderprefect van Tiel.” Deze circulaire was voor het gehele departement bedoeld.

Een officiële circulaire van landdrost/prefect J.G. Vertolk van Soelen (1810-begin 1811) betrof de betaling van de ter plaatse gelegerde troepen, ofwel de kazernering daarvan. (2 februari 1811): ,,1e. De dienst van Cazernering in Holland zal aan de zorg der Plaatselijke Besturen blijven toevertrouwd.” Bijgevoegde brochures vertellen van alles over de reglementering voor de kazernes te Arnhem, Zutphen en elders in het departement, plus een uitgebreide beschrijving van de kosten. Dus: degenen die zich willen verdiepen in deze op zich leerzame materie, hetzij voor een verslag, werkstuk of artikel dienen een morgen of middag in het Gelders archief te Arnhem door te brengen om zich deze materie eigen te  maken door haar ter plekke te bestuderen.

cropped-8-de-nederlandse-gouverneur-generaal-le-brun-1810-1813.jpg

Le Brun, Stadhouder over het Nederlands grondgebied; aangesteld door Napoleon

Een circulaire van zaterdag de 5de louwmaand 1811 nodigde de ingezetenen uit om een machine te ontwikkelen waarmee vlas kon worden gesponnen. Er was een speciaal door de Keizer uitgeloofde prijs aan verbonden, bestemd voor degene die de als best gekeurde machine had ontworpen. Iets wat in deze jaren vaker gebeurde; zo in de trant van…. we hebben een bepaald apparaat of toepassing nodig…. laat de mensen er een vanuit de praktijk ontwikkelen…. de overheid beloond deze inspanning ruimhartig.

Op 19 januari 1811 had intendant D’Alphonse (te omschrijven als een soort minister van Binnenlandse Zaken met ver reikende bevoegdheden op allerlei terreinen, die het bestuur omvatten), zijn prefecten in Nederland geïnstrueerd de lokale bestuurders te waarschuwen voortaan goed op te letten wat er zoal in hun ressort gebeurde en daarvan notie te nemen. ,,Vooreerst: den inhoud van de voorschr. Missive bij deze, ter kennis van de respective Officieren ten Platten Lande, de Maires en Adjointen, mitsgaders de Procureurs des Keizers, binnen de Steden, Arnhem en Zutphen, en de Gemeente Besturen der overige steden binnen dit Departement, respectivelijk tot derzelver informatie en naricht; met last tevens aan dezelve, om een wakend oog te houden, op alles wat binnen derzelver ressort, jurisdictie of Gemeente voorvalt, en door Proces-Verbalen, alles wat tegen de Wetten of de Openbare Rust mogt worden ondernomen, te constateren; en voorts deze Proces-Verbalen, zonder de minste verwijl,…. , directelijk aan den Prefect, te doen toekomen.” We zien hier het begin van de typisch negentiende-eeuwse controle over de samenleving die zich begint te ontwikkelen, waarbij het proces-verbaal vooral voor de rechterlijke macht een steeds nadrukkelijker rol gaat spelen om over diezelfde samenleving te oordelen.

Op 2 februari 1811 werd op last van Napoleons decreet van 18 oktober 1810, artikel 194 in alle Hollandse departementen de   c o n s c r i p t i e    ingevoerd. De Gelderse landdrost/prefect liet in zijn departement de maires lijsten aanleggen van jonge mannen die voor die dienstplicht in aanmerking kwamen; als volgt verwoord: ,,Dat de ouderdom der Conscriptie die is van twintig volle jaren, zoo dat elk jongeling, die op den eersten January 1811, den ouderdom van twintig jaren bereikt heeft, en die bij gevolg geboren is zedert den eersten January 1791, tot en ingesloten den 31 December van dat zelfde jaar, tot de Conscriptie behoort, zonder eenige uitzondering, het zij van ligchaamsgestalte, van gezondheid, van omstandigheden van beroep of van stand, en hij derhalven moet worden ingeschreven op de Lijst, dan zelfs, wanneer hij in dienst mogt zijn, en bij zijne Vanen tegenwoordig, of dat hij bij het Leger ter Zee diende.” Met andere woorden: de jonge mannen die als peuter de Bataafse omwenteling van 1795 hebben meegemaakt en nog puber waren toen Lodewijk Napoleon als Koning van Holland aantrad, werden, tenzij gebrek of beroep of al dienende in een van de andere  krijgsmachtonderdelen dit tegenhielden… opgeroepen om voor het Keizerrijk/Napoleon hun dienstplicht te komen vervullen.

Tot slot: begin 1811 vond hier en daar op instigatie van Napoleon in het Nederlands deel van het Franse keizerrijk een bestuurswissel plaats, wellicht om bepaalde topbestuurders niet te veel te laten wennen/ c.q. vergroeien met hun huidige bestuursplek.  J.G. Verstolk van Soelen, de Gelderse landdrost/prefect (lees ook:  Keizer Napoleon voegt Gelderland administratief toe aan zijn Rijk ) werd wellicht daarom vervangen door de Friese edelman/bestuurder R.L. van Andringa de Kempenaer, die op zijn beurt… etc. .

Om zijn ingezetenen voor de voorbije jaren te bedanken schreef de aftredende Verstolk van Soelen in zijn laatste Gelderse circulaire de navolgende woorden: ,,… mijnen dank voor den bijstand, den ijver, en de medewerking, welke ik, gedurende mijne Administratie van hetzelve, van U heb ondervonden. Ik zal mij dezelve steeds herinneren, en hoop, dat de toenemende bloei van dit Departement de belooning zijn moge Uwer welgeslaagde pogingen, terwijl ik niet zal ophouden de vurigste wenschen te voeden voor alles, wat het geluk en den welvaart van deszelfs Ingezetenen kan bevorderen.” (Arnhem, 14-2-1811).

***********************************

De volgende blog zal een ingekorte zijn, dit in verband met de verschillende vakanties. Weergegeven gaat worden een toespraak die prefect Van Andringa de Kempenaer heeft gehouden met betrekking tot de stand van zaken in 1811, waarbij de Algemene Departementsraad en de rechtbank van Koophandel zijn gehoor vormden. En daarmee worden dan de archiefstukken van algemene aard afgesloten.

***********************************

dr. Elze Luikens (copyright)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif.

Voor contact verwijs ik naar het emailadres vermeld in OVER bovenaan de blogpagina.

Mr. Willem Bilderdijk (1756-1831) en zijn verlangen naar een Nederland dat ‘leeft en streeft, en groeit en bloeit’

Voor de afwisseling hieronder een gedicht van mr. Willem Bilderdijk, geschreven in 1810, in een melancholische bui, vol emotie en romantiek, maar met een volgens hem  hoopvolle, vooruitziende blik op Nederlands toekomst na volgens hem een aantal  duistere jaren die het land eerst nog te wachten stond.

Even een aantal feitelijkheden. In de zomer van het jaar 1810 kwam er een eind aan het experiment Koninkrijk Holland, met als koning Napoleons broer Lodewijk. Een koningschap dat paste in het door de Franse keizer gecreëerde systeem van een familie-dynastie. Overal in Europa waren wel gebieden te vinden die geknipt waren om te worden bestuurd door een broer (of zus …. getrouwd met) van Napoleon. In 1806 was de aloude Republiek der Vereenigde Nederlanden, inmiddels Bataafse republiek geheten,  aan de beurt. De Keizer had hoge verwachtingen van zijn broer. En bij diens vertrek naar zijn nieuwbakken Koninkrijk had hij hem ongeveer de woorden ingefluisterd: denk eraan dat je een Fransman bent (en blijft). Maar eigenzinnig als Lodewijk was voer hij al snel met zijn Koninkrijk Holland meer en meer een eigen koers. Lees hierover ook: De laatste maanden van Lodewijk’s koningschap met zijn wanordelijk leger. Stukken van algemene aard en Geschiedenis van Nederland 1785-1825. Het Koninkrijk Holland 1806-1810. Deel X

 

En hier komt Willem Bilderdijk om de hoek kijken. Cultuurpessimist als hij door de gebeurtenissen van de voorbije jaren was geworden – privé schoot het ook al niet op – zette hij al zijn kaarten op Nederlands eerste koning sinds eeuwen. Hij gaf hem zelfs privélessen Nederlands opdat Lodewijk het ,,Iek ben uw Konink” een beetje behoorlijk kon uitspreken (aldus één van de al snel in omloop zijnde anekdotes omtrent deze taallessen). Bilderdijk, een romanticus in ontwikkeling, geloofde in een herstel van aloude tijden, roemruchte aloude tijden wel te verstaan. En Napoleons broer leek hierin – o grote verrassing –  het voortouw te willen nemen. Totdat het keizer Napoleon begon te vervelen.

Begin 1810 greep hij in door alvast een stuk van het Koninkrijk Holland af te snijden (het stuk beneden de grote rivieren) en onmiddellijk aan Frankrijk toe te voegen. De meeste Nederlandse hofpaladijnen verlieten voortijdig het zinkend schip; behalve Bilderdijk. Hij bleef de door hem vereerde Koning trouw hetgeen hij na diens abdicatie (2 juli 1810) moest bekopen met het ambteloos toezien van de snelle ontwikkelingen die daarop volgden, waarop hij –  uiteraard – geen enkele invloed kon uitoefenen, dan met zijn dichterlijke pen. In zijn treurnis om wat hij zag als het verloren gaan van de Nederlandse natie en het einde van de Nederlandse geschiedenis schreef hij onderstaand gedicht, dat tot aan de dag van vandaag zo nu en dan blijft door echoën in de Nederlandse samenleving.

DICHTERLIJKE VOORSPELLING IN 1810 (uit de bundel: Afscheid)

Opgaan, blinken …En verzinken… Is het lot van iedere dag;/ En wy allen..Moeten vallen,…Wie zijn licht bestralen mag.

Of de kronen…Luister toonen,…Volken, Staten bloeiend staan,…/Langer stonde…Duurt hun ronde;…Maar hun avond spoedt toch aan.

Doch de dampen…Dezer rampen,…Doch de nevels dezer nacht…/Zullen breken…By ’t ontsteken…Van den Dag, waarop zy wacht.

Mocht mijn lippen… Dat ontglippen,…Wat mijn brekend oog hier ziet!…/Mocht ik ’t zingen…En my dringen…Door dit wemelend verschiet!

Ja, zij zullen…Zich vervullen…Deze tijden van geluk,…/Dees ellenden…Gaan volenden…En verpletterd wordt het juk.

Holland leeft weêr,…Holland streeft weêr…Met zijn afgelegde vlag…/Door de boorden…Van het Noorden…Naar den ongeboren dag.

Holland groeit weer!…Holland bloeit weer!…Hollands naam is weêr hersteld!…/Holland, uit zijn stof verrezen,…Zal opnieuw ons Holland wezen;…Stervend heb ik ’t u gemeld!

Stervend zong ik,…Stervend wrong ik… Deze heilvoorspelling uit!…/’t Sterflot wenkt my; Gy, herdenkt my,…Als u ’t juichensuur ontspruit!

22. De toekomstige koning Willem I landt op het Scheveninger strand 30 nov.1813

Wrang detail voor mr. Willem Bilderdijk’s persoonlijk leven na de napoleontische tijd is toch wel geweest, dat de nieuwe machthebbers, na 1815, het met hem niet zo hebben zien zitten. Waar hij hoopte een professoraat te Leiden te zullen gaan verwerven vanwege zijn opstelling in de jaren 1810-1813 waren zij zijn keuzes in de jaren ervoor niet vergeten. Het bracht Bilderdijk ertoe dan maar aan huis studenten te onderwijzen in de Vaderlandse geschiedenis zoals hij meende dat deze zich had afgespeeld. Privatissimum-bijeenkomsten werden ze genoemd.

Net zoals deze privatissimumblogs – online weliswaar –  eveneens zo kunnen worden omschreven … alleen met de aantekening: dat ik ten eerste op 27 oktober 1999 direct na het verdedigen van mijn proefschrift volmondig heb toegezegd de wetenschap te zullen dienen. En ten tweede we voor deze inspanning niet worden betaald en u er niet voor hoeft te betalen. Bij deze.

dr. Elze Luikens

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

napoleon-info@hotmail.nl

Naschrift 1.: het bovenstaande gedicht is ontleend aan De Groot, Leopold en Rijkens, Nederlandsche Letterkunde, Groningen, Den Haag 1916, p. 408-409. Een handboek dat voor een aantal studenten Nederlands een smulboek zou kunnen zijn. Overigens lichten de samenstellers van het boek voor wat het gedicht betreft één woord specifiek toe. “Ongeboren dag” betekent ‘Ongeboren tijd’, ofwel:  “de toekomst”.

Naschrift 2. : H. Algra heeft in zijn Het wonder van de 19e eeuw, Franeker, 1970, p. 52-61, een opstel gewijd aan Willem Bilderdijk. Het boek dat de protestantse ontwikkelingen vanaf de Franse tijd tot aan het einde van die eeuw behandelt vanuit de religieuze opvattingen van de auteur bevat een aantal interessante schetsen over het tijdvak 1800-1825. Uiteraard zijn er ook nog andere belangwekkende boekwerken te vinden die handelen over het leven van Bilderdijk. Twee recente werken zijn: Gerard Lelieveld, Over het leven van een zonderling genie: Mr. Willem Bilderdijk 1799-1813 en het vervolg 1814-1831, Berlicum.