Feestelijkheden ter gelegenheid van Napoleons verjaardag: een jaar later (1813). Deel 3

De namens de Franse regering de Nederlanders controlerende en dirigerende gendarmerie had in zomer-najaar 1812 allerlei ‘wanordelijkheden’ vastgesteld ter gelegenheid van keizer Napoleons verjaardag (15 augustus). Een jaar later – Napoleon bevond zich met zijn Grande Armée in Duitsland – deden ook de Gelderse lokale overheden hun uiterste best gedoe te voorkomen en zich van hun beste zijde te laten zien door ronkende rapporten over de gehouden feestelijkheden naar Arnhem op te sturen. In de eerste plaats om aan de prefect Van den Boven-IJssel (het gelders gebied benoorden Waal en Merwede) en in het verlengde daarvan de Franse keizer te laten zien dat men hem trouw bleef, terwijl deze zich in een naderende militaire worsteling bevond. Het voortbestaan van zijn Keizerrijk stond op het spel.

In het Rijksarchief Gelderland, Bataafs-Frans archiefdossier 0016-7446 (Missiven houdende beschrijving van de feestelijkheden ter ere van de verjaardag van de Keizer op 15 augustus 1813, ingezonden door de maires ingevolge aanschrijving van de Prefect van 5 augustus 1813. 1 omslag. N.B. Oud nummer 147) bevinden zich antwoorden van de verschillende maires, op de vraag van Van Andringa de Kempenaer: hoe is er feestgevierd ter ere van Napoleons verjaardag in uw mairie (gemeente)?

19. De nog gewonnen slag bij Lützen 1813

Laat ons de ingezonden antwoorden – soms uitvoerig, soms kort en krachtig – eens van dichtbij bekijken. De datering slaat op de dag waarop de missive werd verzonden. Hieronder de opsomming van de antwoorden uit de Achterhoek; daar waar het jaar ervoor zo’n gedoe was geweest, dat daarna nog enkele maanden voortwoekerde. Zie de vorige blogs, deel 1 en 2.

Een:   Gendringen (en Etten), 20-8-1813. Er waren vlaggen en er was klokgelui, volgens de voorschriften hieromtrent van de Prefect. Er was een kerkdienst en de herbergen mochten één uur langer geopend zijn, nl. tot 23.00 uur. En in sommige herbergen werd ‘feestelijke muziek’ gemaakt. De ambtenaren waren van 18.00 – 24.00 uur op het gemeentehuis geïnviteerd, waarbij enkele kaarsen voor de ramen werden geplaatst.

Twee:  Zutphen, 24-8-1813. De veertiende augustus werden ‘s-avonds de klokken geluid en op de vijftiende was er opnieuw klokkengelui, speelde het carillon en hingen aan de diverse torens de vlaggen uit. In een kerk werd tijdens de dienst ter ere van Napoleon een redevoering gehouden en klonk het Te Deum. Maire Op den Noort ontving die dag voor Napoleon gelukwensen van onder andere de municipale raad en de dienstdoende predikant (namens de kerkenraad). Tot in de avond werd de stad verlicht en hebben de municipale raad en enkele vooraanstaande Zutphenaren een ‘vrolijke avond’ gehad.

Drie:  Angerlo, een brief van maire J. Jansen, 16-8-1813. Voorzover de omstandigheden van de gemeente het toelieten heeft men zich aan de vooraf toegezonden voorschriften van de Prefect gehouden en er een plechtig feest van gemaakt. (meer niet!)

Vier:  Borculo, 19-8-1813. Geschreven door maire E. Abbing. De veertiende was er in de mairie klokgelui en vanaf de vijftiende werd er vanaf de gebouwen gevlagd en was versiering (illuminatie) aangebracht. C’est tout.

Vijf:  Dinxperlo, 16-8-1813. ‘s-Avonds de veertiende begon het klokgelui. De vijftiende werd de vlag uitgestoken. ,,In de tempel (lees:kerk) met de geconstitueerden [ik vermoed het lokale bestuur] een dienst van dankzegging en gebeeden aan de opperste gebieder der Wereld toegebragt, en de redevoering is geschied. Voorts is den dag zonder eenige verhindering of verstooring in gepaste vrolijkheid ge eindigd.”

Zes:  Doetinchem, 17-8-1813. Ingezonden door maire E.J. Planten, die begon met de geruststellende mededeling dat er gevierd werd met zoveel luister als de lokale omstandigheden toelieten. De veertiende augustus werd ‘s-avonds begonnen met (het voorgeschreven) klokgelui. Op de vijftiende waren er vanaf de publieke gebouwen vlaggen uitgestoken. Om tien uur werd samen met andere ,,autoriteits Persoonen benevens een zeer groot aantal Ingezetenen naar de groote Kerk begeven”, werd gemeenschappelijk het aan Napoleon gewijde Te Deum gezongen, ,,en dankzeggingen voor den Voorspoed der Wapenen van Zijne Majesteit, voorts op eene op de omstandigheden allesints toepasselijke redevoering door den Predikant A. Lambrechts uitgesproken.” Om half twaalf hieropvolgend nam de maire namens Napoleon op het gemeentehuis de gelukwensen in ontvangst, afgewisseld met klokgelui, zoals van te voren met de klokkenluiders was afgesproken voor die dag. Overal waren ‘illuminatien’ aangebracht. ‘s-Avonds werd door een enkele Doetinchemmer vuurwerk afgestoken en vonden ‘andere vreugdebedrijven’ plaats. De maire heeft die dag samen met de Raad een vrolijke avond gehad.

Zeven:  Lichtenvoorde, door maire Roelvink een brief opgesteld, daags na de viering. De maire lichtte na ontvangst van de ‘feest’voorschriften van de Prefect de plaatselijke predikant en pastoors hierover in. Het voorgeschreven programma werd op de daarvoor bedoelde plaatsen gepubliceerd. Op de vijftiende zijn de predikant, de adjunct-maires, de municipale raad en ‘andere fatsoenlijke lieden’ door Roelvink getracteerd op een glas wijn en een pijp tabak. De verjaardag van Napoleon zelf werd gevierd met gelukwensen en andere ‘toepasselijke gezondheden’. Op drie plaatsen in de mairie(gemeente) werd voor de jongelui een ton bier en twee vioolspelers geplaatst: ,,Zij hebben er zich grotelijk egter geregeld vermaakt.”

Acht:  Lochem, 17-8-1813, maire H.J. Thomasson. Met ‘algemene vreugde en in de beste orde is de vijftiende gevierd’. Op de veertiende augustus: klokken. De volgende dag: vlaggen en klokgelui met om 10.00 uur een ‘grote toegevloeide schare in een plechtig Te Deum bijeen.’ Om half twaalf waren er gelukwensen van de openbare ambtenaren en voorname ingezetenen, plus enkele ‘vreemdelingen’ die zich in Lochem bevonden. ‘s-Middags kwamen enige ‘jongelieden bijeen die kunstmatig en vrolijk gezang ten gehore brachten.’ Ook de avond mochten ze ‘vrolijk doorbrengen.’

Negen:  Netterden, 18-8-1813, in het Frans geschreven. Alles is hier plechtig en naar voorschriften van de Prefect gegaan. De gehechtheid aan de ‘Auguste Souverain’ is daarmee duidelijk getoond.

Tien:  Varsseveld, 30-8-1813, in het Frans geschreven. De veertiende augustus was er klokgelui. De vijftiende eveneens; volgens vooraf toegezonden voorschriften. Om 10 uur zijn de maire, zijn adjuncten en de municipale raad én inwoners naar het in de kerk gehouden Te Deum gegaan, alwaar werd gebeden en de bijeenkomst werd afgesloten door een door de predikant gehouden toespraak. Om half twaalf volgden de ‘plechtige felicitaties.’ De rest van de dag is volgens ‘voorschriften’ verlopen; het gemeentehuis werd die avond feestelijk verlicht.

Elf:  Vorden, 16-8-1813; maire J.H. Gallé: er was alhier klokgelui, een kerkdienst, gelukwensen …. al naar de lokale omstandigheden dit toelieten.

Twaalf:  Zeddam, 18-8-1813; maire de Belleford; in het Frans: alles is er volgens de voorschriften vanuit Arnhem gevierd en afgesloten met een dansavond.

Dertien:  Zelhem, 17-8-1813; maire Bekking; in het Frans…. geen bijzonderheden vergeleken met bovenstaande.

 

Wat opvalt is dat de vijftiende augustus 1813 hoofdzakelijk een aangelegenheid was van het lokaal bestuur, enkele geestelijken en hiervoor speciaal uitgenodigde lokale notabelen. Het aandeel van de inwoners van de verschillende mairies lijkt dunnetjes te zijn geweest op een enkele ton bier en wellicht de dagelijkse bijeenkomsten in de herbergen na. De meeste avondfestiviteiten waren bestemd voor  ‘de jongelui’. Wat ook opvalt is dat een aantal ‘feestvierders’ behoorlijk goed op de hoogte moet zijn geweest van het militaire schaakspel tussen de Geallieerde troepen en Napoleons Grande Armée in het midden en oosten van Duitsland; niet heel ver van de Achterhoek vandaan. De Franse keizer kreeg daarbij van hen het voordeel van de twijfel, maar zoals wel vaker en achteraf: resultaten uit het verleden zijn geen garantie voor de toekomst.

***************************

In de laatste blog van dit jaar stel ik me in een volgende tussenbalans de vraag: was Napoleon Bonaparte een Europeaan of een Fransman?

dr. Elze Luikens (copyright)

tekstredactie: H. Luikens – de Kruif.

Reacties zijn welkom via: napoleon-info@hotmail.nl

Advertenties

2 december 1804

2 december 1804 kroonde consul Napoleon Bonaparte zich in de Notre Dame tot KEIZER ALLER FRANSEN, nadat hij zich in een verzoek (plebisciet) hiertoe tot het Franse volk had gericht. Wat hem betrof mocht dit ‘heugelijk’ feit voortaan elk ander feest dat in die weken werd gevierd vervangen: bijvoorbeeld het St. Nikolaasfeest dat in zijn nieuw Keizerrijk de vijfde of de zesde december werd gevierd.

 

***********************************************************

Een kleine elf jaar later hadden zijn  ‘overwinnaars’ hem opgesloten op het eilandje Elba. 1 februari 1815 ontsnapte hij uit dit verbanningsoord. En opnieuw richtte hij zich tot zijn volk met het verzoek hem wederom tot het Keizerschap toe te laten.

28. De terugkeer van Elba maart 1815

**********************************************************************

Mijn volgende tekstblog verschijnt uiterlijk de twaalfde december a.s.

dr. Elze Luikens

 

 

Het onderzoek naar ‘wanordelijkheden’ wordt vervolgd (1812). Deel 2

Mochten de betrokkenen van de Winterswijkse, en naar bleek, ook de Barneveldse ‘ongeregeldheden’ menen dat een sussend woord van de (onder)prefect de gemoederen van de Franse keizerlijke controleurs tot bedaren  zou brengen, dan was dat ijdele hoop. De twee het meest in het oog springende kwesties dienden tot op de bodem worden uitgezocht; dit, omdat die Franse handhavers, gestationeerd in de Nederlandstalige gebieden op hun beurt hiervoor verantwoordelijk werden gehouden.

In dezelfde dossiers (Rijksarchief Gelderland, inv.nr. 0016-5970) als de Winterswijkse bevinden zich de bescheiden van een soortgelijke Barneveldse kwestie die zich eveneens afspeelde op Napoleons verjaardag. Maire J.B. Mettenbrinck van genoemde plaats had een brief hierover, gedateerd 8 september 1812, aan de onderprefekt van Arnhem [het gebied bestaande uit de Veluwe en de zomen eromheen]  gestuurd. Hij antwoordde op vragen die de top van de te Gelderland gelegerde gendarmerie aan de onderprefekt had gesteld over wanordelijkheden die in Barneveld hadden plaatsgevonden tijdens de viering van de verjaardag van de Franse keizer. Men had er doorgewerkt, tegen de regels in, alsof er die dag, de 15de augustus, niets te vieren viel. Het antwoord hierover van Mettenbrinck luidde: ,,Dat ik geenzints mijn billijke gevoeligheid kan nog mag verbergen wegens eene vernieuwde aanteiging verpligtverzuim, welke niet duister geleegen ligt, in de beschuldiging als hadden de Ingezetenen dezer Gemeente staande het Feest van St. Napoleon hunne arbeid niet gestaakt, Daar zo verre mij mogelijk is geweest zulks nategaan, mij niet is gebleeken dat zig iemand heeft schuldig gemaakt; zoveel is echter waar, dat de arbeid der Ingezetenen alleen staande het gehoudene biduur, is gestaakt geweest en geenzins den geheele dag, vermits mij uit de Publicatie dien aangaande zodanige Last niet is voorgekoomen die ook, zo ver mij bekend is, bij niemand der Maires uit de Environs is geobserveerd geworden.” Met andere woorden: wij hebben ons hier keurig gehouden aan het gebod alle arbeid te staken tijdens het in de kerk gezongen Te Deum, ter ere van de Keizer. Ons is niet bekend dat het neerleggen van het werk voor de gehele dag gold; en dat geldt ook mijn nabuurcollega’s en hun ingezetenen.

7.Een schaars meegemaakt huiselijk tafereel

Een kladnotitie van de Gelderse prefect R.L. van Andringa de Kempenaer (dd. 13 oktober 1812…. het vergaat Napoleon intussen in Rusland steeds slechter) doet ons weten dat hij intussen genoegen neemt met de verklaring van de Winterswijkse adjunct-maire [zie de blog van 7 november 2018]. In de notitie staat dat hij I.J. Poulle, hoofd van de te Gelderland [officieel het departement van den Boven-IJssel] gestationeerde gendarmerie hiervan op de hoogte zal stellen. Echter, enkele papperassen later blijkt deze hiermee geen genoegen te nemen, want zo laat hij de Prefect weten, er zijn daar in Winterswijk al vaker voorvallen geweest die gericht waren tegen het ‘Franse gouvernement’. Andringa de Kempenaer overtuigde zich van de goede gezindheid van de Winterswijkers door de plaats in eigen persoon te gaan bezoeken, er poolshoogte te nemen van de mentaliteit aldaar en er met de direct betrokkenen van gedachten te wisselen. Hij liet Poulle na zijn bezoek aan de Achterhoek weten overtuigd te zijn van de aldaar heersende gezindheid jegens het Frans bestuur.

Poulle bleef onvermurwbaar en richtte vervolgens zijn pijlen op de Zutphense [lees: Achterhoekse] onderprefekt A.P.R.C. van der Borch van Verwolde, die hij openlijk beschuldigde van opzettelijke nalatigheid in de hele kwestie. Er bleef Van der Borch van Verwolde niets anders over dan zich uit te putten in verontschuldigingen (brief, dd. Zutphen, 10 november 1812). Het speet hem dat hij in verband met de werkzaamheden die de conscriptie met zich meebracht (!) niet eerder had gereageerd. Hij wilde er nogmaals op wijzen dat er in zijn arrondissement geen problemen zijn die door het Franse bestuur met argwaan moeten worden bekeken. Hij heeft zelfs het idee dat er tegen hem en zijn arrondissement allerlei loze verdachtmakingen de ronde doen. Ook vond hij dat zijn verslaggeving (zie mijn vorige blog) van de kwestie Winterswijk er niet voor bedoeld was om feiten te verdoezelen. Hij had zijn brief hierover van 7 september 1812, nr. 1273 nog eens herlezen en blijft erbij dat zijn verslag over de affaire en de rol daarin van de Winterswijks adjunct-maire waarheidsgetrouw zijn. Ook nu bleef hij hem van alle verdenking vrijpleiten. Het verzoek van de ‘kapitein der gendarmerie’ om hem persoonlijk te spreken (ondervragen) was mislukt, omdat hij, Van der Borch van Verwolde, toen niet in de gelegenheid was hem persoonlijk te ontmoeten. Nadat hij wel tijd wist vrij te maken, bleek degene die hem wilde spreken naar verre oorden te zijn vertrokken.

,,Laten zij welke een geest van kwalijkgesindheid jegens het fransche Gouvernement te Winterswijk of elders in mijn Arrondissement vermoeden zig aan geen bloot leggen bepalen, maar laten zij daar van daadzaken opgeven, ik zal dan bekennen dat ik gedwaald heb, maar tot daartoe sal ik geloven, dat zij in erreur gebragt, of door oppervlakkigen schijn bedrogen sijn.” Met andere woorden:kom niet met vermoedens, maar met bewijs aanzetten en ik zal toegeven er naast te hebben gezeten.

En hier eindigde deze zaak, veroorzaakt door hoofdzakelijk de boerenbevolking, in ten minste twee mairies/gemeenten, om zich te onttrekken aan het staken van hun dagelijkse werkzaamheden op het land tijdens de plechtige eredienst in de lokale kerk gehouden ter gelegenheid van Napoleons verjaardag. Is dit een kwestie van durven, van onverschilligheid of een zich niet zo een twee drie betrokken weten bij het wel en wee van Napoleons keizerrijk?

Was het overal kommer en kwel die 15de augustus 1812? In de volgende blog sta ik even stil bij een ‘overvloed aan positieve verslagen van de geweldig goed geslaagde festiviteiten’ elders in het departement.

dr. Elze Luikens (copyright)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

Info: zie onder meer Gravatar rechtsboven aan de blogpagina; klikken op mijn statieportret)

‘Onregelmatigheden’ tijdens de viering van Napoleons verjaardag (1812). Deel 1

Terwijl Napoleon Bonaparte met zijn Grande Armée op weg is naar het hart van Rusland (Moskou) om er een laatste obstakel op te ruimen die zijn Keizerrijk zou kunnen bedreigen, wordt in het westen zijn verjaardag gevierd. Zij het met gedoe, hier en daar. Tenminste in de ogen van de her en der gestationeerde gendarmerie; Napoleons ogen en oren ter plaatse. Voor Gelderland was I.B. Poulle, lid van het Legioen van Eer, maar bovenal kapitein-commandant van de Gendarmerie van het Departement van de Boven-IJssel hun hoogstgeplaatste vertegenwoordiger. Let op de drager van deze naam, want we zullen hem in de komende tijd nogal eens een keer tegenkomen. Het heeft er veel van weg, zo blijkt uit het door mij hierover doorgenomen bronnenmateriaal [(Rijksarchief Gelderland R.A.G., Bataafs-Frans archief, inventaris nummer 0016-5970: Briefwisseling met de Commandant van de Gendarmerie en met de Onderprefect van Zutphen en Arnhem over mogelijke onregelmatigheden in Winterswijk en Barneveld bij de viering van de verjaardag van de Keizer, met bijlage, 1812, 1 omslag)], dat hij  zijn functie en de daaruit voortvloeiende macht vooral benut heeft om volgens de richtlijnen uit Parijs de lokale, arrondissements- en departementsbestuurders en ambtenaren scherp in de gaten te houden.

In het archief wordt de kwestie toegedekt met de term ‘mogelijke onregelmatigheden’ ; iets dat prima aansluit op de zienswijze van de Gelderse bestuurders, die alles op alles hebben gezet om het vuur uit dit tweetal heikele kwesties te halen. Een reconstructie derhalve, gebaseerd op het aanwezige bronnenmateriaal. Nog één opmerking vooraf: in de correspondentie wordt de Franse keizer hier en daar aangeduid als ‘St. Napoleon’. In hoeverre we hier te maken hebben met cynisme of kruiperigheid laat ik voorlopig in het midden.

Op 22 augustus 1812 schreef kapitein-commandant Poulle aan prefect Van Andringa de Kempenaer dat hem een tweetal feiten ter ore waren gekomen, waardoor inbreuk was  gepleegd op het decreet van 19 februari 1806 waarin geregeld was hoe en op welke wijze de verjaardag van de Franse keizer gevierd moest worden… in het gehele Keizerrijk. Twee maires, te weten die van Winterswijk en Barneveld, hadden wat hem betrof het laten gebeuren dat die inbreuk met hun toestemming kon plaatsvinden. Ingezetenen van deze mairies/gemeenten hadden zich onder andere op brutale wijze onttrokken aan de van hogerhand vastgestelde feestelijkheden. De Gelderse prefect werd daarom gemaand hiernaar onmiddellijk onderzoek te doen.

20b.de kroning vond plaats in de Notre Dame te Parijs

Winterswijk: adjunct-maire Van de Haer (?) kreeg uit Arnhem via Zutphen de vraag voorgelegd, wat zich er aan ongeregeldheden had afgespeeld en hoe dit allemaal had kunnen gebeuren. Uit zijn brief van 29 augustus 1812 aan de Sous-prefect van Zutphen, zijn verplichte eerste  directe aanspreekpunt [het Napoleontisch bureaucratisch systeem immers], blijkt dat hem door zijn ambtenaren en enige ingezetenen werd verweten dat hij ze niet goed op de hoogte had gebracht hoe ook in Winterswijk de feestelijkheden ter gelegenheid van ‘de Heilige Napoleon‘ hadden moeten worden gevierd. Welnu, schreef hij terug, ik mag toch aannemen dat ze dat zelf inmiddels allang weten. Hij had volgens zijn zeggen zoals te doen gebruikelijk direct nadat hij de spullen hiervoor uit de departementale hoofdstad Arnhem had ontvangen een ‘feestelijkheden’-publicatie op de hiervoor aangewezen plekken laten ophangen. Bestemd voor zijn ambtenaren en burgers, ,,daar dien dag en het gebruikelijke op denzelven reeds van vroeger jaren moest bekend zijn, terwijl ik nieuwlings pas in deze qualiteit getreden [als adjunct-maire] , geen sints heb geweten dat de Ambtenaren van der gebruikelijke plechtigheden genoegzaam onderrigt, dan nog daarenboven in’t bijzonder mochten uitgenodigd worden… .” Met andere woorden: als ze tegen mij inbrengen dat ze niet wisten hoe er feest gevierd moest worden dan is dat pertinente onzin.

Een andere nog zwaarder wegend voorval was, dat er tijdens de kerkdienst ter ere van de Keizer… gewoon was doorgewerkt, dit terwijl op zo’n moment alle werkzaamheden ten strengste verboden waren. Het werd als een belediging opgevat dat terwijl de ‘bon ton’ zich laafde aan het Te deum ter ere van Napoleon, de lokale gemeenschap zich daar niets van hoefde aan te trekken. In Winterswijk, zo bleek uit gendarmerie-verbalen, was van de vroege ochtend af tot het invallen van de duisternis het dagelijkse landwerk gewoonweg onverminderd voortgezet. Wel wat had de (adjunct-)maire op dit verwijt te zeggen? Zijn verweer kwam erop neer dat hij voor zover hij had kunnen nagaan hier ondanks tegenovergestelde berichten goed mee was omgegaan. Vanwege het natte weer van de voorbije dagen waren de boeren niet in staat was geweest de roggeoogst binnen te halen, terwijl het juist op Napoleons verjaardag prima weer was geweest. Welnu de welvaart voor de landman, aldus de adjunct-maire, hangt af van de oogstresultaten, ,,waarvoor nooyt een Feestdag hoe groot ook van gewigt bij ons te voren ontzien is geworden.” Hij durfde.

Er was nog een derde kwestie die I.J. Poulle er toe had gebracht nader onderzoek in te stellen. En dat was de lokale gewoonte om bij feestelijkheden ‘de vogel te schieten’ . Het was echter ten strengste verboden op Napoleons geboortedag enig vuurwerk of welk geknal dan ook af te steken of te doen horen. Enkele inwoners van Winterswijk hadden geprotesteerd bij A.P.R.C. van der Borch van Verwolde, de Zutphense sous-prefect, dat dit verbod in strijd was met aloude gebruiken en gewoonten. Feest of geen feest. Ook dit werd Van der Haer voor de voeten geworpen. Hij onderzocht wat hierover eerder besloten was. Waarop hij de sous-prefect inwreef dat hij het zelf was geweest, die een maatregel hierover, stammend uit 18 juni 1790, van stal had gehaald, (d.d. 19 december 1811). Het was alle ‘gewesen Burgercorpsen’ een overblijfsel uit de voor-Napoleontische jaren, verboden hun wapens te gebruiken bij welke gelegenheid dan ook. Omdat het de Winterswijkse bestuurders ter ore was gekomen dat deze inmiddels opgeheven corpsen, die kennelijk nog wel bijeenkwamen, op Napoleons verjaardag wilden ‘vogelschieten’ hadden ze het verbod hierop nog maar weer eens herhaald. Het wel toestaan zou enkel ‘dronkenschap en misdrijf’ tot gevolg hebben. En dat hadden enkele inwoners op hun beurt niet geaccepteerd.

Het eindresultaat van Van der Borch van Verwolde’s onderzoek, bestemd in de eerste plaats voor prefect Van Andringa de Kempenaer en in de tweede plaats voor de kapitein-commandant van de Gendarmerie, sprak de Winterswijkse (adjunct-) maire volledig vrij. Hij, zo was zijn conclusie, wilde best wel geloven in de goede wil van de maire, die hij al jaren kende als een ijverig vaderlander ,,beaucoup trop attaché à la patrie, et a son souverain” . Zijn personeel mopperde onterecht (achter zijn rug om), want zij hadden de publicatie omtrent het a.s. feest, die vanuit Arnhem jaarlijks naar de Gelderse mairies werd gestuurd, [evenals dat elders ook gebeurde], zoals iedereen tot zich kunnen nemen en ernaar moeten handelen. De eindconstatering van de sous-prefect liegt er m.i. niet om: Winterswijk is een echte plattelandsgemeenschap die nog maar weinig van de oorlog heeft gemerkt en maar blijft vasthouden aan zijn gewoonten. Het zou goed voor ze zijn dat ze eens wat meer merkten van de ‘scepter die Napoleon voert’.

************************

In de volgende blog sta ik stil bij die andere gemeenschap, nl. die van de Barnevelders, en hoe uiteindelijk de zaak in zijn geheel afliep. Les uit bovenstaande is dat ook al was Napoleon op dat moment ver weg van zijn Keizerrijk, het systeem dat hij de voorbije jaren had opgetuigd geen haarscheurtjes mocht vertonen. En nog een andere les: de verschillende lokale en regionale bestuurders moesten het maar uit hun hoofd laten eigenmachtig op te treden binnen datzelfde systeem.

dr. Elze Luikens (copyright)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

Voor verdere informatie: zie OVER… links bovenaan.

Een zenuwachtig begin, januari 1813; Napoleon is in Rusland zijn cavalerie grotendeels kwijtgeraakt

Achteraf kunnen we gerust stellen dat de Tocht naar Rusland, en dan vooral de terugtocht voor Napoleons Grande Armée desastreus was verlopen. Terwijl de restanten van zijn leger tijdens de terugtocht naar het westen de in aantal toenemende Russische- en Kozakkenlegerbenden zich van het lijf probeerden te houden, was Napoleon in allerijl in Parijs gearriveerd, waarbij hij prompt zijn propagandamachine overuren liet maken. Onderwijl overlegde hij met ter zake deskundigen, en dat was hijzelf in de eerste plaats, wat te doen na deze smadelijke afgang. Het heette dat de Prefect van de Seine met het idee aankwam om alle toegewijde departementen, ‘en dat waren ze immers allemaal’, de Keizer zo snel als mogelijk was aan de benodigde paarden en manschappen te helpen. Deze over het Keizerrijk uitgerolde mega-actie staat bekend onder de naam: Don Patriotique.

Om het verloop ervan in Gelderland te volgen, heb ik het Bataafs-Frans archief 0016-inventarisnummer 5620 doorgenomen, om hieruit het meest essentiële te distilleren. Het dossier is als volgt omschreven: ,,Briefwisseling met de Intendant van Binnenlandse Zaken en circulaires van de Minister van Binnenlandse Zaken te Parijs, over de aanbieding door inwoners van het departement van paarden en cavaleristen aan de Keizer, met daarop genomen besluiten en verzonden brieven, 1813, 1 omslag”

Onderstaande weergave hiervan heeft denk ik op soortgelijke wijze ook plaatsgevonden in de overige departementen van het Keizerrijk.

Onder de noemer ‘Cavaliers et chevaux offerts à l’Empereur, no.1 wordt onomwonden duidelijk gemaakt waar het om ging, en dan ook à la vite:

,,Don Patriotique. Decret du 18 Janvier 1813, instructions, arrêtes, etc. …. Les offres que pouraient faire les communes et les cantons de chacque département, de cavaliers montés et équipés, donnent lieu à des détails d’execution dont faut prévoir les lenteurs.” Met andere woorden de dorpen en kantons van ieder departement moeten bijdragen aan het snelle herstel van de Grande Armée maar moeten het niet in hun hoofd halen daarbij enige vertraging te veroorzaken. Ook worden alvast de lengtematen van de toe te zenden mannen verstrekt: zij moeten een lengte hebben tussen de 1 m.42 en 1m. 64(9).

En daarna volgen in het dossiers enkele handgeschreven brieven waarin de Prefect werd opgeroepen het voorbeeld van Parijs (prefect van de Seine) te volgen.

De brief van 17 januari 1813, vertrouwelijk en wel van de minister van Binnenlandse Zaken, de Montalivet, graaf van het Keizerrijk, benadrukte: …. geef geen geld, maar manschappen en paarden, die tussen de 5 en 9 jaar moeten zijn.

29. De slag bij Waterloo juni 1815

Napoleon beval al het navolgende persoonlijk hetgeen bleek uit zijn schrijven van de 18de januari, gedaan op de Tuileriëen: ,,Napoléon, Empereur des Français, Roi d’Italie, Protecteur de la Conféderation du Rhin, Mediateur de la Confederation Suisse, etc., etc., etc.

Article 1er.  Le Régiment des Chasseurs à cheval de notre Garde, Sera porté a huit escadrons au Complet. Chacun de 250 hommes total du Complet du Régiment 2.000 hommes, ….”enz. . En in een begeleidend schrijven van Intendant d’Alphonse, Napoleons ‘zetbaas’ in Nederland, maakte deze alle betrokken prefecten en hun ambtenaren duidelijk: ,,Vous avez sans doute suive avec trop d’intéret et trop de sollitude, les évènements de la campagne glorieuse que Sa Majesté vient de terminer en Russe, pour ne vous être pas affigé aussi avec tous les français, des pertes que l’intempérie de la saison à occasionné aux armées: et sans doute aussi le premier sentiment sécrèt, que vous avez éprouvé, a été le désir de pouvoir secondes celui de vos administrés, pour chercher par un mouvement spontané a reparer les pertes autant qu’il pouvait dépendre d’eux de le faire.” Losjes vertaald: ,,We weten allemaal wat zich in Rusland heeft afgespeeld, tijdens Napoleons glorieuze missie aldaar, en dat vergt spontane offers, die in uw steden en woonoorden ongetwijfeld een positieve bereidheid zal doen ontstaan om de Keizer te steunen en om de welvaart en glorie te bevorderen.”

Om de vaart erin te houden werd al de volgende dag een nieuwe brief van d’Alphonse op het Prefectuur te Arnhem bezorgd, waarin de Intendant stelde, dat na alle vorige correspondentie het de Prefect duidelijk zal zijn dat van zijn departement alles mag worden verwacht: ,,Cést de vous, Monsieur, et de votre activité que dépend principalement la reputation de dévouement que votre Département peut acquèrer dans cette circomstance, par conséquent c’est a vous à tout faire pour qu’il ne reste pas au dessous de ce qu’il doit être.” Met andere woorden: prefect Van Andringa werd (evenals zijn overige collega’s) opgejaagd aan het geëiste zo spoedig als mogelijk te voldoen.

*   *   *   *   *

Om welke aantallen ging het in het Departement van den Boven-IJssel? Een kladberekening van het aantal inwoners per arrondissement leverde voor het Gelderland benoorden de Waal voorlopig het volgende op:

Het arrondissement Arnhem werd aangeslagen voor 22 paarden en 10 mannen  (Apeldoorn 1, Harderwijk 2, Wageningen 1 en Arnhem 4),  het arrondissement Zutphen voor 23 paarden en 9 mannen (Aalten 2, Doesburg 2, Vorden 2 en Zutphen 3), het arrondissement Tiel ten slotte zou 15 paarden en 16 mannen hebben te verzorgen (Bemmel 3, Elst 3, Tiel 5 en Geldermalsen 5). We zien onmiddellijk dat de getallen en verhoudingen niet kloppen of het moet zo zijn geweest dat men meer mannen in de Betuwe wist vrij te maken. Het bleken inderdaad inderhaast gemaakte berekeningen te zijn, wat uit de latere correspondentie is gebleken.

Een beschrijving van de verwachte Gelderse aantallen uit 18 februari 1813 maakten duidelijk dat het voor dit departement ging om 60 mannen en 57 paarden. Ik kom nog op de zaak terug, omdat het veel gecompliceerder werd dan de Prefect van de Seine in zijn enthousiasme had bedoeld, kort nadat Napoleon ‘gezond en wel’ uit Rusland in Parijs was gearriveerd.

Omdat het wat deze serie bronnenblogs betreft om een eerste impressie van de Napoleonjaren gaat, zal in de volgende blog een aantal heikele kwesties die enkele dorpen/steden met het systeem gehad, worden besproken.

Dr. Elze Luikens (copyright)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

napoleon-info@hotmail.nl

De 100.000ste

Begonnen in oktober 2010 met veertiendaagse blogs over de Bonapartes, erfprins Willem, maar ook de Gelderlanders en [vanwege de uniformiteit die in het Franse keizerrijk heerste] de andere departementen, heb ik vandaag 11 oktober 2018 de 100.000ste bezoeker mogen noteren.

Vanwege deze mijlpaal staat hieronder gereed een door u zelf uit te pakken aardigheidje, nl. twee links: de ene was in de afgelopen acht jaar het meest gelezen artikel; de andere werd het minst gelezen.

Keizer Napoleon voert de dienstplicht in

1798. Theorie en praktijk. Deel XXI. Geschiedenis van Nederland

Veel leesplezier en tot de volgende blog, waarvoor de bronnen, en dan ook alleen de bronnen als basis voor het artikel gelden.

Tot slot: bedankt allemaal voor uw (niet aflatende) interesse,

dr. Elze Luikens

napoleon-info@hotmail.nl

30.een receptie in de Tuilerieën

 

Lodewijk verdwijnt van het toneel, Napoleon neemt de Nederlanders zelf onder zijn directe hoede

Op de eerste dag van de hooimaand 1810 werd alle Nederlanders, vanuit Haarlem ditmaal, in een extra bulletin het volgende meegedeeld:

,,Lodewijk Napoleon, door de gratie Gods en de Constitutie des Koningrijks, Koning van Holland, C o n n e t a b l e  van Frankrijk. Overwegende dat de ongelukkige gesteldheid waarin het Koningrijk zich bevindt, uit het ongenoegen voortspruit het welk de Keizer, Mijn Broeder, tegen mij heeft opgevat; Overwegende dat alle pogingen en opofferingen van mijne zijde, om dezen staat van zaken te doen ophouden, vrugteloos zijn geweest; Overwegende eindelijk, dat het niet twijfelachtig is dat de oorzaak van dezen tegenwoordigen staat van zaken daarin gezocht moet worden dat ik ongelukkig genoeg ben geweest aan mijnen Broeder te mishagen, en zijne vriendschap verloren te hebben; en dat ik derhalve de eenige hinderpaal ben om aan deze onophoudelijke geschillen en misverstanden een einde te maken; Hebben wij besloten zoo als wij door deze opene en plechtige Brieven, uit onze vrije wille uitgevaardigd, besluiten:           afstand te doen….. .” [zie R.A.G., Bataafs-Frans archief, Publicaties 1810, inv.nr, 0016-7356]

7.Een schaars meegemaakt huiselijk tafereel

Dat was dan vier jaar Lodewijk Napoleon. Het land hoorde het nog niet onverschillig aan. Ingewijden beseften dat hiermee Napoleons experimenteren met het Nederlands grondgebied en zijn onderdanen was afgelopen. Geen Staatsbewind (1801-1805), geen Rutger Jan Schimmelpenninck (1805-1806) en geen ‘ongehoorzame broer’ meer. Negen dagen later tekende de Franse keizer bijna achteloos te Rambouillet de documenten waaruit volgde dat de Nederlanders voortaan een onlosmakelijk onderdeel van het Franse keizerrijk waren geworden. Het zou nog wel het een en ander tot gevolg hebben, denk aan de gelijkschakeling van de belastingheffingen, de gebruiken en gewoonten, de taal, etc. maar het resultaat moest een algehele gelijkschakeling tussen de twee gebieden opleveren. De Fransen waren in het voordeel, omdat ze dergelijke samensmeltingen al eerder hadden toegepast op buurlanden. Wij waren slechts de zoveelste in de rij.

Het betekende allereerst dat de Franse wetgeving hier van kracht werd. En hoe dit werd toegepast, moge blijken uit een enkel voorbeeld, gevonden in het Gelders archief te Arnhem.

De havenstadjes Elburg en Harderwijk konden niet zonder meer allerlei havenactiviteiten (dat wat er binnenkomt en wie er uit vertrekt) toestaan onder het nieuwe regime. Overwegend Waals-Franse gendarmes en douaniers hadden zitting genomen in diverse havengebouwtjes om van alles te controleren wat de invoer en uitvoer betrof. Dit om de tot dan oogluikend toegestane handel met en op Engeland te ontmaskeren en te voorkomen (het Continentaal stelsel/ lees ook: Napoleon: het Continentaal stelsel en de Gelderse havens      ).

Om de nieuwe ruimten te meubileren hadden de ingekwartierde douaniers overal meubilair vandaan gehaald. Maire W.L. de Chalmot zag de bui al hangen en stapte op 8 mei 1812, vergezeld door ‘agenten der politie’ en een enkele bereidwillige gendarme naar ‘de kazerne van de Douane’ om de ‘geleende’ meubels te komen ophalen. De maire dreigde als ze niet goedschiks zouden worden teruggegeven hij niet zou aarzelen geweld te gebruiken. Een kwestie van mijn en dijn; nu nog tenminste.

Ging dit voorval nog over een kwestie van wie is dit en voor wie is dat, in het naburige Harderwijk speelde terzelfder tijd een andere kwestie, die elders ook zal zijn voorgekomen, omdat de nieuwe (lees: Franse) regels niet onmiddellijk door iedereen werden begrepen en/of toegepast.

De maire van de ‘stad Harderwijk’ , J.C.F. de Vries, werd ervan verdacht geld te hebben overgehouden aan het verstrekken van gegevens uit het geboorte/doopregister…. gegevens die bedoeld waren voor de conscriptie van 1812. Hoe hij dat gedaan zou hebben wordt uit de bronnen niet helemaal duidelijk, maar De Vries wees de beschuldiging ferm van de hand, omdat hij van die enkele stuiver die dat opleverde echt niet rijker zou zijn geworden. Hij pareerde de beschuldiging door schriftelijk te laten weten dat hij van mening was de Harderwijkers en de Keizer al vele jaren trouw te hebben gediend (al sinds zijn eerdere functie als secretaris). Mocht onderzoek aangeven dat er fouten door hem waren gemaakt dan kwam dat enkel vanwege de nieuwe Franse wijze van registreren die in zijn stad nog niet ten volle werkte. Hij had, vond hij, zelfs extra veel tijd en aandacht gestoken in het op de juiste wijze inpassen van de aanwezige administratieve gegevens; met name de gegevens die betrekking hadden op de conscriptie. Of dachten ze soms in Arnhem en Parijs dat een maire wel even in zijn eentje dat gedoe met de dienstplicht voor ze zou regelen?

Uit inventarisbron 0016-4633 bleek dat die eerste weken en maanden en jaren niet alleen burgemeesters niet goed wisten en begrepen waar ze aan toe waren; ook de ambtenaren van het departement werkzaam in de Prefectuur, die rondom prefect Van Andringa de Kempenaer was opgetrokken hadden er moeite mee. Legesgelden voor de verschillende (belasting)zegels moesten worden herberekend in sous en francs; de wetgeving uit het Franse revolutiejaar 3 of uit 1807, die bindend werden verklaard voor Gelderland, en dus ook voor de rest van het land, probeerden de prefectuurambtenaren gelijk te schakelen met een al bestaande Gelderse situatie. Dat verliep dan weer moeizaam, omdat niet overal in het departement de gewoonten en gebruiken gelijk waren. Elke regio had zo zijn eigen manier van doen.

En dit etterde al die jaren van de Inlijving van Nederland bij Frankrijk maar door en door. En wat deed nu Gelderlands (Boven-IJssel) meest ervaren ambtenaar Wenckebach na de zoveelste aanvaring met de Prefect over hoe de regels en wetten van Frankrijk dienden te worden geïnterpreteerd? Ontslag nemen, omdat hij voor de door hem verwachte puinhoop geen enkele verantwoordelijkheid meer wenste te nemen. De minister van Justitie, Van Maanen, kwam er zelfs aan te pas, omdat het Gelderse prefectuur onthand zat. Kennis en kunde waren uit Arnhem tezamen met de hoge ambtenaar vertrokken. Ook een persoonlijk gesprek tussen Van Maanen en Wenckebach leverde niets op. Laatstgenoemde bleef bij zijn standpunt(en).

Een stukje netwerk nu. Het geval wilde dat de minister van Justitie via zijn vriend en gewezen collega Röell iemand kende, ene Le Clerc, 32 à 34 jaar oud, ‘thans vrederegter te Voorschoten of Katwijk, en vader van een talrijk gezin, bij Röell Chef van de Secretarie was en…”uitermate geschikt zou zijn voor de functie die Wenckebach achterliet, en “hij even veel vastheid van geest had, als hij in alle andere grote hoedanigheden uitmunt.”

Tot zover zo maar een paar voorbeelden over de veranderende tijden na 1810. In de volgende blog ga ik wat dieper in op de kwestie van de Don Patriotique, ofwel, Napoleon was zijn leger in het onmetelijke Rusland kwijtgeraakt, had graag zo snel mogelijk een nieuwe, en daar konden de Gelderlanders hem bij helpen met manschappen én paarden.

dr. Elze Luikens (copyright)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

Contactadres: napoleon-info@hotmail.nl