Smeekbedes van ouders (indirect) gericht tot Napoleon. De Garde d’Honneur

Ook al wilden de hogere en lagere overheden de betrokkenen aanpraten dat dienen in het leger van Napoleon een eer was, die enkel leidde tot glorieuze momenten… er waren genoeg ouders die daar anders over dachten. En wat voor de Grande Armée gold, gold evenzeer voor de Garde d’Honneur, het door Napoleon opgerichte corps bestaande uit jongemannen uit gegoede kringen.

Door het op schrift stellen van smeekbedes bestemd voor onder meer de prefect of maire/burgemeester richtten de bezwaar makende (welgestelde) ouders zich in feite tot de Franse keizer zelf. Het Bataafs-Frans archiefstuk 0016-5818 dat berust in het Rijks Archief Gelderland maar ongetwijfeld ook in een of andere vorm terug te vinden is in de overige departementale archieven elders kreeg de titel mee Stukken over ingediende bezwaren tegen de aanwijzing, 1813 en bestaat uit 1 pak

De door mij doorgenomen stukken liggen in dit inventarisnummer keurig op alfabetische volgorde; van A tot Z op de geslachtsnaam van de reclamant. Enkele er door mij uitgelichte bezwaren, c.q. verzoeken illustreren een en ander afdoende, maar het loont voor andere onderzoekers-historici dit dossier eens in zijn geheel door te nemen. Het nodigt uit om er een scriptie en/of werkstuk aan te wijden. Hierbij is het nog altijd geschikte en lezenswaardige boek van dr. W.F. Lichtenauer, De Nederlanders in Napoleons Garde d’Honneur, 1971 goed te gebruiken! Praktijk naast theoretische beschouwingen.

Een. Zo schreef, behalve de reclamant M.J. van Aldenwerelt, ook zijn moeder D. van Aldenwerelt, geb. Van Leijden aan prefect Van Andringa de Kempenaar van het departement Van den Boven-IJssel: ,,Hoog Edele Gestrenge Heer……daar tot hiertoe alle aangewende en billijke pogingen door mijn man en zoon te vergeefs zijn geschied om dissignatie van G.D.H. op mijn zoon uitgebragt te wille vernietigen zoo zult UHEG: een diep bedroefde moeder niet ten kwade duijden, dat zij de vrijheid neem om UHEG nogmaals te versoeken mijn zoon van de hem opgedrage erepost te willen ontslaan, daar dit volkomen in UHEG magt is…. .” Als reden noemde ze zijn leeftijd (30 jaar) en het niet hebben kunnen vinden van een geschikte remplaçant/vervanger.

Twee. Voor Arend van der Borch kwam onder meer de Medic.Docter J.F. Rive in actie: ,,De ondergetekende verzogt zijnde eene Opgave omtrent de gesteldheid van den Heer Arend van der Borch te doen verklaart bij derzelven het volgende opgemerkt te hebben: Kortademigheid welke met drukking en benauwdheid op de borst verzeld is, opzetting van het aangezigt, deze symptomen houden alleen door het nemen van rust op. bij het voortzetten van beweging egter word de Kortademigheid sterker, zodat de Heer van der Borch genoodzaakt werd stil te staan om adem te haalen. bij mistig weder, koude vallen aan de voeten, te paard rijden en andere buitengewoone Lighaamsoefeningen vertoonen zich reeds aanwezig zijnde, verheffen zich de bovengenoemde toevallen, zo dat men dit een Asthma noemen moet… .” De geneesheer stelde dat ‘zijn patient’ al van zijn jeugd af ziekelijk was.

Drie. Op 23 mei 1813 schreef J.T. Cremer zelf zijn bezwaarschrift, die “pour note” (voor kennisgeving) ter Prefecture werd aangenomen. De inhoud ervan luidde: ,,Hoe zeer ik mij niet anders dan Vereert kan gevoelen, door mij gedesigneert te zien, tot de gùarde d’Honneúr, van Zijne Majesteit den keizer en koning, vinde ik mij echter in de onvermijdelijke verpligting, voor deze designatie beleefdelijk te bedanken. Door dezelve aantenemen, zoude ik mij zelven in de onmogelijkheid stellen, om te eenigen tijd te voldoen aan eene zeer teedere verpligting, welker vervulling mij wagt, en in het volbrengen van welke UHEG mij gewisselijk niet zal willen hinderlijk zijn. Uit het talrijke huisgezin mijner ouders ben ik de eenige zoon, op wien in het kort het bedrijf van mijnen vader gaat rusten, en op wien, uit dien hoofde koomen moet de gehele zorg, voor het bestaan mijner Moeder, Zusters en jongeren Broeder; een stuk van te hoger belang, uit hoofde mijn Vader, den ouderdom van 60 Jaren heeft bereikt, engelijk elk weet, van eene zeer wankele gezondheid is.” Vervolgens trachtte hij in het vervolg van zijn schrijven de Prefect, die toch ook vader is, op het gemoed te werken. Tot slot wees hij de ontvangers(s) van zijn epistel erop dat het soldatenleven hem wel eens ongeschikt zou kunnen maken het bedrijf van zijn vader voort te kunnen zetten. Maar zoals we al zagen: het werd voor kennisgeving aangenomen.

Vier. Soms probeerde men het niet via de prefect, maar via bijvoorbeeld de maire het voor elkaar te krijgen niet in de Garde d’Honneur te worden opgenomen, zoals blijkt uit een brief die de maire van Wageningen op de 17de april 1813 ontving: ,,Aan den Heer Maire der Stad Wageningen. Hijman Jacobs, oud ongeveer 60 Jaren, wonende binnen deze stad, in’t zekere geinformeerd zijnde dat hij op eene door den Heer Prefect dezes Departements aan U ingezondene lijst van de zes notabelste of meest gegoedste persoonen voorkomt, ten einde uit derzelver Huisgezinnen eerlangs mede de Gardes d’honneur te ligten ter oprichting van de vier Regimenten (volgens het senatus consult van den 3e dezer maand) voor zooverre de manschappen de bij het decreet van den 5 daar aan volgende voorgeschreven vereischten bezitten.

Zoo komt de Requestrant, ten gevolge van de gedane oproeping ter inschrijving, in’t Register, op heden zeer eerbiedig aan U Mijn Heer! voordragen: Dat hij zich met fidútie laat voorstaan, dat zijn oudste zoon Jacob Hijman Jacobs, in den loop dezer maan den ouderdom van 19 jaren bereikt hebbende, niet aan die conscriptie onderworpen is, en dat hij alleen daarom, als vader en ligitime voogd dezen zijnen zoon op heden niet ter enregistratie komt aan te bieden: als vrezende, dat hij daar mede eene daadzaak zou plegen die zijne sustenú geheel en al wedersprak, en eene erkentenis involveerde dat zijn voorm.de zoon in de termen van voorz. organiek decreet viel.

De Requestrant, die er roem op durft dragen, dat hij ten alle tijden met de strikste gehoorzaamheid aan de wetten en verordeningen zijner overheid als onderdaan voldaan heeft, acht het nodig MijnHeer! dit zijn gedrag te verantwoorden op dat men niet denke dat hij wegens de non registratie van zijn zoon zich tegen de maatregúlen des Gouvernements zou willen aankanten. Neen alleen zijn waren vaderhart doet hem alzoo denken, handelen, en spreeken, om een hem waardigen zoon die geen genie of aanleg voor den militaire stand heeft, en die hij dus voor af kan berekenen dat onder het pijnigend gevoel van zich, zijnes ondanks in een militaire loopbaan geplaatst te zien zou wegkwijnen aan een gewissen dood te ontrukken.” En dan brengt de vader nog te berde dat Napoleons ‘Garde d’Honneur”-decreet het heeft over ‘geboren Franschen’ , en dat is zijn zoon niet ,,Het zijn derhalven Ingezetenen van’t Departement Gelderland, dat door inlijving ter later tijd onder de Fransche monarchie gekomen is, en zij zijn mits dien niets meer dan genaturalizeerde Franschen.En om het voor hem, denk ik, nog erger te maken, citeerde hij Napoleon zelf ook nog maar eens, dit, om zijn betoog ‘sterker’ te maken. ,,Seront admis a faire partie de ces Régiments pou vu qu’ils soyent nés Français.” hij sloot zijn bezwaarschrift af met: ,,Indien Z.M. had gewild dat die Regimenten ten deele bestonden uit Gelderschen of Hollanders, dan zou Hoogstdezelve voorzeker in andere minder bepaalde woorden zijne mening of bedoeling geúit hebben.” De vader, en met hem verscheidene anderen, hadden in 1813 nog niet begrepen, dat vanuit het Franse standpunt ons land al sinds zomer 1810 onderdeel was geworden van het Empire Français en dat wat daar gold ook hier was gaan gelden.

En zo bevat dit lijvig dossier vele familietragedies in het klein, die zoals gezegd nader bestudeerd kunnen worden.

++++++++++++++++++++++++++++++

dr. Elze Luikens

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

contact: napoleon-info@hotmail.nl [wilt u in uw emailadresbalk dit zelf a.u.b. intikken]

Wie er voor de Nationale Garde in aanmerking kwam. En een mogelijk fraudegeval. Militaire kwesties

Terwijl Napoleon met veel moeite bezig was zijn keizerrijk in 1813 te verdedigen tegen de geallieerden, trachtte hij het thuisfront kalm te houden met de (her)oprichting van zijn nog steeds niet perfect werkende Nationale Garde. Ingrijpen zijnerzijds was derhalve geboden.

Over het hiervoor gebruikte dossier 0016-5683. Bataafs-Frans archief (Rijks Archief Gelderland). Minuten van besluiten en van brieven over de vorming van compagnieën grenadiers en jagers van de Nationale Garde in het departement en over daarmee samenhangende maatregelen, met een aanschrijving van de Minister-Directeur van de Administratie van Oorlog over de Nationale Garde in het algemeen, 1813. 1 omslag kan in zijn algemeenheid gezegd worden dat de verordeningen hierin opgenomen in het laatste jaar van Napoleons heerschappij over Nederland hebben geleid tot het vormen van allerlei cohorten en compagnieën grenadiers en jagers. De basis hiervoor kon men halen uit het keizerlijk decreet van 5 april 1813, no. 493.

Al op 15 april dat jaar had prefect Van Andringa de Kempenaer hierover informatie ontvangen en een en ander artikelgewijs verwerkt voor zijn ingezetenen. Het schrijven hierover opende met ,,Gezien het Keizerlijk decreet van den 5 dezer loopende maand April, waarbij formatie van Compagnien Grenadiers en jagers van Nationale Gardes. Overwegende dat het Contingent door dit Departement te leveren is bepaald op 1800 man, waarvan 144 in werkelijke Dienst zullen worden gesteld. Besluit.

Art. 1. Alle mannelijke inwooners van dit Departement welke den ouderdom van volle 20 Jaren tot de volle 40 Jaren ingesloten bereikt hebben, zijn verpligt zich op de eerste oproeping voor den Maire van hunne Gemeente te vertoonen, ten einde op de daartoe te houden Registers te worden ingeschreven.

Art.2. Die Gene der ingezetenen, welke ten tijde hunner oproeping zich niet in hunne Gemeente mogten bevinden, zullen door derzelven bloedverwanten vertegenwoordigd worden, welke de noodige verklaring tot deze inteekening bij de Maire hunner Gemeente moeten afleggen.

Art.3. Ofschoon men zich gerustelijk op de welwillendheid waarin de goede ingezetenen van dit Departement altijd hebben uitgemunt, kan verlaten, en er geen twijfel is of dezelve zúllen met bereidvaardigheid op komen, zij nogtans een ieder gewaarschúwd, dat diegenen, welke zich niet laten inschrijven, en alzoo zouden trachten zich aan hunne Verpligtingen te onttrekken, strengelijk achtervolgd en naar de wetten voor deconscriptie bepaald zullen gestraft worden.

Art.4. Het aan dit departement toegewezene Contingent, zal uit Kracht der bepalingen bij het Keizerlijk Decreet vervat, uit de de meest gegoede ingezetenen, die het minst bij húnne familien noodig zijn, worden zamengesteld.”

En zo nog 3 artikelen. Het Napoleontisch legersysteem spaarde, het zij gezegd, geen enkele rang of stand.

Dat het systeem lekken kende blijkt al uit een dossier, een jaar eerder: R.A.G., Bataafs-Frans archief, inv.nr. 0016-5676. Brief van de Onderprefect van Arnhem over een fraude begaan door de “préposé aux convois militaires”in Apeldoorn, met bijlagen, 1812. 1 omslag. Er zou door een ambtenaar, die de militaire konvooien onder zijn hoede had, fraude zijn gepleegd.

De onderprefect werd door een op 17 april 1812 geschreven brief van een bij de kwestie betrokken officier op de hoogte gebracht, via een door deze opgemaakt proces-verbaal van een te Apeldoorn gepleegde fraude door een ‘dienstdoende’ ambtenaar. Het proces-verbaal was door zes mannen (Onis, Smits, Guinand, Saillou en twee anderen) mede ondertekend. Een verkorte weergave van het verbaal luidt: van de keizerlijke Gendarmerie, 32e legioen, 1e eskadron, compagnie van de Boven-IJssel, brigade van Apeldoorn: op de doortocht door Apeldoorn van een detachement marine-militairen had ene Jan Brasken geen 40 maar slechts 36 hamen of halsketens geleverd. Hij beweerde dat dit volgens de regels was. En ook het aantal te leveren wagens klopte niet.

Het geeft maar weer eens aan dat allen onder hoogspanning leefden en stressvol op allerlei futiliteiten en/of op te lossen situaties reageerden.

De maire van Apeldoorn, J.H. Gunning mocht een en ander schriftelijk uitleggen aan de onderprefect (wsn. op dat moment Sullivan o’Grass). Dit is de weergave van zijn brief, dd. 22 mei 1812:

,,Weledel Gestreng Heer!

In voldoening aan Uwen geeerde van 1.dezer gaat hier bij terug ’t Proces verbaal der klagten te gene de Préposé J. Braskamp waarop ik de Eer heb UWEG: te berichten dat het een waarheid is dat ’t mandaat spreekt van 11 wagens met 4 Paarden doch daar de Wagens hier van dien aart zijn dat ’t onmogelijk is om op 11 wafens 130 man& 3 officiers te kunnen vervoeren; Zo heeft hij zo veel wagens genomen, als nodig waren tot’t ordentlijk vervoeren dier manschappen intusschen krijgt de Préposé altoos maar 11 wagens met 4 Paarden betaald waar voor hij minder krijgt als voor 22 wagens met 2 paarden, zo is’t mijns inziens onder verbetering niet onbillijk dat hij zo veel wagens met 2 Paarden minder neemt, als om en de bij met ’t geld van 11 wagens met 4 Paarden gelijk staat, mitsdat de manschappen maar goed vervoerd kunnen werden en waar over ik nog nimmer klagten heb gehad. Met de oprechtste hoogachting heb ik de Eer mij te noemen UwEG.DW. Dienaar Gunning.”

Fraude? Nou nee, plaatselijke gewoonten en gebruiken die in conflict kwamen met het uitgedachte ergens op een bureau militaire konvooien in Parijs.

++++++++++++++++++++++++++++++

dr. Elze Luikens (c)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

Contact graag via napoleon-info@hotmail.nl (zelf intikken om spam te voorkomen)

Een mislukte sollicitatie voor de post van legerarts. Vervolg van ‘militaire zaken’

Tot nu toe heb ik van verschillende zaken die speelden ten tijde van Napoleons regeren over onder andere de Nederlandse departementen naast de menselijke toch vooral ook de technische kant van het verhaal besproken. Dat gaat vanaf deze blog veranderen. De nadruk komt in hoofdzaak te liggen op dat wat de mensen die ermee te maken hadden in brieven schreven, hun toespraken en hun letterlijke reacties op wat er in de jaren 1806-1813/15 zoal gebeurde, of beter gezegd wat hen soms overkwam.

Het eerste dossier dat voor me ligt, en evenals de vorige reeds besproken inventarissen ‘berust’ in het Rijks Archief Gelderland, en dat als voorbeeld geldt voor de andere departementen waar soortgelijke dossiers aanwezig zullen zijn, gaat over het aanstellen van chirurgijns, en artsen voor het leger. Het dossiernummer is 0016-5663 en is in latere tijden de titel meegegeven Stukken over de aanwijzing door de Prefect van één geneeskundige en zeven chirurgijns voor het leger, met bijlagen, 1812, 1813. 1 omslag

A. Parijs, 8 mei 1813 [in het Frans],,3e. division, bureau des secours généraux, service de santé des armées. Le Ministre de l’interieur, Comte de l’Empire, à M. le Préfet du département … .”

De Minister-directeur van de Administratie van de Oorlog laat de Prefecten weten na orders hierover van Napoleon [persoonlijk] te hebben ontvangen (16 april 1813) dat voortaan in elk departement van het Keizerrijk één geneesheer en vier chirurgijns aanwezig dienen te zijn die het leger, desgevraagd, medische hulp kunnen verlenen.

B. Om achter de benoemingen vaart te zetten, liet de brief van de Minister-directeur van de Oorlogsadministratie van 31 mei 1813, vanuit Parijs weten, dat de selectie en de benoeming van de nodige geneeskundigen binnen acht dagen na ontvangst van het schrijven gerealiseerd dienen te zijn.

C. En dan beginnen de sollicitaties voor de functie(s). Eén brief illustreert de procedure denk ik uitstekend. We lezen:

,,Pieperij onder Warnsveld bij Zutphen d. 25 Junij 1813. Aan Mijnheer de Prefect van het Departement van den boven-IJssel, Commandeur van de Keijserlijke Orde der reünie. Ridder van het legioen van eer & a.

Hoog edele gestrenge Heer!

Ik neeme de vrijheid Uwhoog ed. gestr. deese letteren te doen toekomen, met reverentelijk verzoek, zijn persoon te willen reguardeeren als zeer geneegen blijvende om mij als Medecin geplaatst te zien bij één der hospitalen, waartoe ik reeds vier maanden geleeden , zo aan Professor Bongemans (?) te Leijden (onder wien ik gestudeerd heb) als meede aan den Commissaris van Oorlog resideerende te Arnhem, mijn stellig verlangen heb te kennen gegeven, onder overreiking der gevorderde certificaten en met invulling van het mij toegezonden tableau achtervolgens vermeen ik geinformeerd te zijn, dat ik voor den Commissaris van Oorlog waarbij een mij flatteerende voorschrijvings-brief van uw hoog ed. gestr. (waarvoor ik Uw hoog ed. gestr. op heden mijnen oprechten dank betuige) verzeld gaande van een gunstig advies van off.re de Brink Med.cus Dr te Arnhem, aan den Minister te Parijs immediaat ben voorgedragen; alzo herhale ik bij desen mijn gedaan versoek; om hoe eerder hoe liever, het zij ook hoe of waar (mist overeenkomende aan mijn rang) geplaatst te zijn; – vermits ik thans bij mijne Ouders op het buiten, de Pieperij genaamd, met mijne Huisvrouwe en twee kinderen gelogeerd ben, zo heb ik den H.re de Bruin Med.cus Dr te Zutphen op gisteren sprekende, vernomen, dat er alnu een algemeene oproeping van Med.ici, D.ren en Chirurgijns plaats had, waar van ik tot heden toe ignorant was; – Mij recommendeerende in Uw hoog ed. gestr. mij vereerende en geneegen aandenken, heb ik d eer mij met allen gevoelens van hoogachting te noemen Hoog ed.gestr. Heer! Uw hoog ed.gestr. d.v. Dr A. van den Harms (?)”

Je kunt je afvragen wat hem bewogen heeft, inmiddels wel wetende wat er met Napoleons Grande Armée in Rusland was gebeurd, zo indringend te solliciteren naar de functie van legerarts. Verering van de Keizer misschien, of eindelijk eens zijn vak behoorlijk kunnen uitoefenen. Of medemenselijkheid? Wie zal het zeggen.

In de kantlijn van de brief liet de Prefect weten niet onmiddellijk wat voor de sollicitant te kunnen doen, maar mocht er een volgende sollicitatieronde plaatsvinden dan zal hij vooraan worden geplaatst. De wel op tijd aangemelde kandidaten kwamen onder meer uit Den Haag, Harderwijk, Schiedam, Heerde, Lienden, Winterswijk, Apeldoorn, Brielle, Rotterdam en Zutphen.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++

dr. Elze Luikens

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

Naschrift: tip van een blogvolger (dhr. Van Wattingen) ,,Na googelen kwam ik op een website van Fondation Napoleon terecht en daar staat vermeld dat er op St Helena op 5, 6 en 9 mei herdenkingen worden gehouden ivm 200 sterftejaar Napoleon.” Hebt u dienaangaande soortgelijke, betrouwbare tips dan kunt u me dat laten weten op napoleon-info@hotmail.nl [zelf intikken, svp]

Vrijwillig dienst doen en ‘vrijwillig’ trekpaarden afstaan voor de artillerie. Militaire zaken

Ditmaal bespreek ik twee onderwerpen, die met elkaar gemeen hebben dat het allemaal bedoeld is geweest om Napoleon en diens Grande Armée vooruit te helpen.

Allereerst het dossier/inventarisstuk 0016-5616 berustend in het Bataafs-Frans archief van het RijksArchief Gelderland. Stukken over de recrutering van vrijwilligers in het departement, 1812, 1813. 1 omslag.

A. Tiel, 11 augustus 1812. De Sous-préfet schreef aan prefect Van Andringa de Kempenaer, dat behalve Tiel, waarvan de burgemeester/maire afwezig was de resultaten met betrekking tot mogelijke vrijwilligers binnen waren en wel ‘op de voorschrevene wijze’ waren verwerkt. De verzoeken hiertoe waren al in een eerder stadium door intendant d’Alphonse aan alle Nederlandse departementen toegestuurd. En wat had het allemaal opgeleverd in bijvoorbeeld het arrondissement Tiel? Wel 3 mannen uit Geldermalsen, 7 uit Buren en 2 uit Huissen hadden zich bereid getoond dienst te doen in Napoleon’s leger.

B. Het arrondissement Zutphen leverde in het totaal drie mannen op, waarvan 2 uit de stad Zutphen en 1 uit Doetinchem.

C. Het had dus allemaal maar bar weinig enthousiaste vrijwilligers opgeleverd. De brief van Dirk van Hogendorp geschreven als dienstdoende ‘generaal van de divisie, aide de camps van de Keizer’ en waarin hij ook de Gelderse prefect aanspoorde om gepensioneerde sergeanten en korporaals warm te laten lopen voor een hervatten van hun militaire loopbaan – als vrijwilliger, dat wel – (Amsterdam, 9 maart 1812) had evenmin weinig concreets opgeleverd. Een door mij in dit dossier aangetroffen brief uit het arrondissement Arnhem, dd. 30 september 1812 en geschreven door de maire van Heerde illustreert bovenstaande enigszins:

,,Aan den Heer Prefekt van het departement van den Boven Issel. Hoog Edel Gestrengen Heer!

De Persoon van Hendricus Ruys, zoon van Harmen Ruys Maire Adjoint dezer Gemeente zich herhaalde reizen bij mij vervoegd hebbende ten einde zich vrijwillig in ’s lands dienst te envoyeren en daar toe mede volkomen toestemming van zijne vader bekomen hebbende nam ik den vrijheid dezelven tot UWEGestr.e te renvoyeeren met solemnatie om hem bij het een of anderen Corps te doen plaatzen; zijn doopattest en dat van moralité neem ik den vrijheid hier bij te voegen ter wijl ik voorts de eer heb met allen achting te zijn.” Dus… als je al wilde, betekende dat nog niet een twee drie dat ze blij met je vrijwillige aanmelding waren; ook al was papa adjunct-maire!

Ook nog is er in dit dossier aanwezig een ‘Direction’ van het ministerie van Oorlog (10 augustus 1813!) die aangeeft op welke plekken in het leger vrijwilligers welkom waren (bv. Régimens d’infanterie de ligne et légère. Régimens d’artillerie à cheval et hussards. Bataillons de pontonniers) en waar niet (Régimens de grenadiers à cheval. Régimens étrangers. Compagnies de gendarmerie impériale).

Ja, ja, de Franse legerleiding had nogal wat noten op zijn zang.

Begin 1813 drong het geleidelijk tot de inwoners van het Keizerrijk door dat het Napoleon en zijn Grande Armée slecht was vergaan in het uiteindelijk onmetelijk gebleken Rusland. Eenmaal terug had Napoleon voor zijn artillerie paarden nodig. Veel paarden zelfs. Ik pak er dossier 0016-5627 eens bij. Stukken over de lichting van trekpaarden voor de artillerie ingevolge het Keizerlijk Decreet van 25 maart 1813 en het door het departement te leveren contingent, 1813. 1 omslag. NB. Het Keizerlijk Decreet gelastte de lichting van 12.600 paarden; het Gelders deel bedroeg 100 en moest te Münster worden afgeleverd. Alles is in het R.A.G., Bataafs-Frans archief te Arnhem terug te vinden, maar ongetwijfeld ook in de archieven van de andere departementen van het Rijk.

A. Parijs, 28 maart 1813. Van de administratie van oorlog; Le Ministre Directeur de l’Administration de la Guerre, Ministre d’Etat.

Volgens het Decreet van 25 maart ‘mocht’ het Departement van den Boven-IJssel 100 paarden leveren. Het Decreet was helder en gedetailleerd genoeg opgesteld, zo heete het, om mogelijke vertragende vragen omtrent het onderwerp uit de weg te kunnen gaan. Zo lezen we al in het eerste artikel:

,, Le nombre des chevaux de trait propres au service du train d’artillerie et des équipages, qui doivent être requis en exécution de nos décrets du 19 de ce mois est fixé à 12.600, dont 8.000 pour le train d’artillerie, et 4.600 pour le train des équipages.” en zo volgen er nog 27 artikelen. Dit alles vastgesteld op 1 april 1813 en door de Comte De Cessac ondertekend.

B. Vervolgens werden de 100 paarden die Gelderland moest leveren verdeeld over de arrondissementen Arnhem (36), Tiel (27) en Zutphen (37), volgens een voorgeschreven verdeling, opgemaakt op de derde april. Verder was over het onderwerp nog een publicatie opgesteld en opgehangen, bestemd voor de ingezetenen van de verschillende arrondissementen, die liet weten dat ‘Z.M. heeft bevolen en gedecreteerd…. .”, etc. .

Het pamflet mocht dan wel zo’n mooi en indringend opgesteld verzoek bevatten, maar het resultaat was wel erg mager. Deze tegenvaller werd door de betrokken bestuurders en regelaars ervan zodanig in een woordennevel gehuld, dat er amper een hoofdschuldige voor dit echec aan te wijzen viel. Zo kwamen er in het arrondissement Tiel met veel moeite tot 22 paarden ter beschikking, waarvan het nog maar de vraag was of ze ook daadwerkelijk geschikt waren voor het leger. Ook werden er notabene kosten door de betrokkenen doorberekend en rekeningen naar Arnhem (de Prefecture) gezonden. Maar dat was niet de bedoeling geweest van Napoleons verzoek.

C. Uit de verdere correspondentie over dit onderwerp bleek dan ook dat men niet onmiddellijk aan het verlangde wist te voldoen. D’Alphonse wees in zijn briefwisselingen met de prefecten hier meer dan eens op en spoorde hen aan tot invulling van het ‘gedecreteerde’. Ook nam het inspecteren van de paarden nogal wat tijd in beslag. Een brief van Sullivan de Gras, onderprefect van Arnhem (de Veluwe) van 18 mei 1813 gaf vervolgens aan dat de begeleiders/conducteurs niet voldeden aan hetgeen Parijs verlangde en hem weinig anders restte dan hierover te Arnhem in contact te treden met de verschillende maires.

D. Uiteindelijk zette een stoet paarden onder leiding van J.A. Wentholt zich in beweging richting Münster. Vandaaruit zouden de paarden naar Napoleons leger worden gebracht, bestemd voor het 14de bataljon.

,, Le Général Harty, Baron de P(?)ierrebourg, Commandants le dept.t de la Lippe a favorisé les interets de votre Département par tout, où l’occasion s’est présentée et j’ai lieu de croire, que dans son rapport `a son Excellence le Ministre de la Guerre il fera fait mention honorable des messures, que vous avez prises, monsieur le Préfet, pour l ‘exécution pleine et entière de décrèt, concernant la remonte des bataillons du train ewuipages militaires. Wenholt” De Gelderse prefect diende te beseffen dat als hij zijn goedkeuring aan deze missie gaf, hij ook verantwoordelijk was voor het geleverde. M.a.w. elk kreupel paard was zijn schuld. En het Keizerrijk stond op dat moment al zo erg onder druk.

++++++++++++++++++++++++++

dr. Elze Luikens

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

napoleon-info@hotmail.nl [zelf intikken a.u.b.]

Wat gaan we doen dit jaar?

Beste blogvolgers, (gratis) abonnees en (toevallige) passanten…. zo aan het begin van elk jaar wil ik nog wel eens via een ‘tussenbalans’ of gewoon een terugblik alles van het voorbije jaar of jaren de revue laten passeren en tegelijkertijd de blik richten op wat nog komen gaat. In het jaar waarin we nu zijn aanbeland, wordt – in de allereerste plaats in Frankrijk zelf – denk ik, uitvoerig stil gestaan bij het feit dat het 200 jaar geleden is dat de Franse keizer Napoleon Bonaparte is overleden op het eiland waarnaar hij verbannen was: st. Helena. Nadat zijn geallieerde tegenstanders zich eindelijk eens wel goed hadden georganiseerd was het vanaf de rampzalig verlopen Tocht naar Rusland in anderhalf jaar tijd bekeken met de macht van Napoleon. Maar zijn tegenstanders maakten – zo leek het tenminste -opnieuw een foute inschatting door hem het eiland Elba te gunnen waar hij kon blijven keizertje spelen. De adelaar (met deze roofvogel en diens scherpe blik werd hij veelvuldig vergeleken) ontsnapte, kreeg ontevreden Frankrijk achter zich aan, wist nog eenmaal troepen richting België te doen afmarcheren, maar verloor bij Waterloo in de stromende juniregen van 1815 dan toch zijn laatste veldslag. Opnieuw ten koste van vele levens. Nu besloten zijn felste tegenstanders hem voorgoed uit Europa te verbannen en lieten hem door een Engelse garde op het Zuid-Atlantische eiland st. Helena opsluiten. En zoals we 200 jaar later nog steeds weten… voorgoed. Dat er in latere tijden steeds weer wisselend over hem is gedacht, zo in de trant van hervormer tot massamoordenaar, kunnen we goed teruglezen in professor P. Geyl’s werk Napoleon, voor en tegen (lees maar eens mijn boekbeschrijving Napoleon: voor of tegen hem erop na).

Toen ik al weer ruim tien jaar geleden met deze webblog begon was het er mij om te doen de feiten zoals ze uit onderzoek tot ons zijn gekomen aan een geïnteresseerd publiek te blijven vertellen, waarbij er wat mij betreft geen plaats is noch voor verering, noch voor verguizing. Want dat is ten slotte ook maar een mening mede gevormd door de tijd waarin deze werd en wordt geuit. Het standpunt dat ik hier getracht heb uit te dragen is die van de 19de eeuwse historicus Leopold Ranke, die over het nut en doel van historisch onderzoek eens kort opmerkte dat het er enkel om draait te constateren “Wie es einst gewesen…(ist)” . En dat was wat hem betrof slechts te bereiken door gedegen onderzoek te verrichten in archieven, brieven, eco-documenten en zo verder. Van 2004 tot 2013 ben ik regelmatig, voor zover de gezondheid dat toeliet, hiervoor naar zowel de Athenaeumbibliotheek te Deventer als het RijksArchief Gelderland te Arnhem en de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag geweest. Nog altijd gaat mijn dank uit naar het personeel aldaar dat mij vooral in het begin van het onderzoek zo prettig geholpen heeft. Daarnaast is literatuuronderzoek, zowel ouder materiaal als pas verschenen edities, van het allergrootste belang. Weet u, als jezelf onderzoek doet en dat gedurende langere tijd, dan leest het werk dat anderen hebben geschreven over dezelfde periode ook veel scherper. Je leert hierdoor beter zin van onzin door anderen geschreven te onderscheiden, in plaats van enkel te leunen op recensies van recensenten.

Het doel van mijn blog was en is voor belangstellenden via allereerst wat losse verhalen over feiten en meningen van de mensen van toen die het allemaal persoonlijk hebben meegemaakt, de Napoleontische jaren dus , te doen herleven om daarmee en daardoor in de eerste plaats het Gelders historisch landschap uit het begin van de negentiende eeuw te schetsen. Vervolgens heb ik in meerdere afleveringen personen die min of meer een hoofdrol speelden wat preciezer omschreven. Dat kreeg op zijn beurt vervolgens weer een plaats nadat aandacht werd besteed aan de ontwikkeling van de Nederlandse geschiedenis en de Gelderse regio. En dat in een vrij groot aantal blogs, waarvoor ik mijn proto-dissertatie manuscript gebruikte, het manuscript dat zelf na enkele andere versies uiteindelijk mijn proefschrift Apeldoorn in de schaduw van het Loo. Politieke, bestuurlijke en maatschappelijke ontwikkelingen. 1785-1905 is geworden dat ik op 27 oktober 1999 mocht verdedigen aan de toenmalige Katholieke Universiteit Nijmegen. Mijn promotor was prof. dr. Hugo de Schepper, mijn begeleider, c.q. co-promotor was dr. G.A.M. Beekelaar. Beiden draag ik nog steeds een warm hart toe. Maar dit terzijde.

Ik sprak in mijn blogs regelmatig over mijn wijze van benaderen van de materie die ik omschreef als organische geschiedschrijving . Dat kreeg in de loop der jaren meer en meer gestalte. Ook nadat ik een van de lijfbladen van het Frans-Nederlands bestuur 1811-1813 besprak (de Departementale Courant) met de bedoeling er de mensen in terug te vinden die het allemaal hebben meegemaakt, of zo u wilt: hebben ondergaan.

Hierna, het afgelopen jaar dus, volgde een aan prof. Brugmans ontleende en enigszins bewerkte levensbeschrijving over Napoleon en zijn tijd, gevolgd door de weergave van al hetgeen ik in het Gelder archief heb doorgenomen en door mij is getoetst op belangrijkheid en extra-informatie. Een ander kan en mag daar natuurlijk verschillend over denken. Zo vanaf augustus 2020 werd onderwerpgroep na onderwerpgroep besproken; vaak voorzien van letterlijke citaten en reacties op toestanden, gebeurtenissen, decreten, maatregelen en zo voort.

Dit nu ga ik de komende tijd, ook tijdens de a.s. herdenkingen van 200 jaar Napoleon, voortzetten totdat u blogvolger, abonnee of passant een helder beeld hebt van een periode die allang voorbij is, maar gelet op wat er allemaal zich heeft afgespeeld voor ons nog steeds van belang is.

dr. Elze Luikens

H. Luikens-de Kruif

Het leven van Napoleon. De afleveringen 1 t/m 12

Op verzoek zo op het einde van het jaar alle 12 afleveringen over ‘Het leven van Napoleon’ nog een keer in één blog voor u samengevat:

Een: Het leven van Napoleon. Deel 1: inleiding en Corsica

Twee: Het leven van Napoleon. Deel 2: Napoleon wordt officier en bewijst zijn kwaliteiten in Italië.

Drie: Het leven van Napoleon. Deel 3. De jaren 1798-1799: Egypte

Vier: Het leven van Napoleon: van ,,Bonapartes terugkeer naar Frankrijk” tot de Vrede van Amiens. Deel 4. De jaren 1799-1801.

Vijf: Napoleon gebruikt dat ene jaar vrede om thuis orde op zaken te stellen. Het leven van Napoleon: deel 5, het jaar 1802

Het leven van Napoleon,

bewerkt verhaal van Brugmans

en

Fischer, 1928

Zes: Bonaparte vestigt zijn macht in Frankrijk en Europa. Het leven van Napoleon. Deel 6. De jaren 1803 – 1805

Zeven: Napoleons almacht dringt door tot in de vezels van de Europese samenleving. Het leven van Napoleon. Deel 7

Acht: Napoleon keert zich tegen Pruisen. Het leven van Napoleon. Deel 8

Negen: Napoleons eerste tocht richting Rusland. Het leven van Napoleon. De jaren 1806-1807. Deel 9

Tien: Problemen met Spanje en opnieuw met Oostenrijk. Het leven van Napoleon. Deel 10

Elf: Napoleon trekt op tegen Rusland. Het leven van Napoleon. Deel 11

Twaalf: Het einde van Napoleon’s Grande armée en keizerrijk. Het leven van Napoleon. Deel 12 (slot)

++++++++++++++++++++++++++++

dr. Elze Luikens

Nationale Garde-perikelen in het crisisjaar 1813. Derde deel uit het dossier ‘Militaire zaken’.

Hieronder ditmaal een directe weergave van aantekeningen die ik gemaakt heb tijdens een van mijn (vele) bezoeken aan het Gelders archief; aantekeningen die nu en de volgende blogs te maken hebben met de oprichting van de Nationale Garde en wat er zoal bij hoorde. De organisatie die ervoor moest zorgen dat het thuis allemaal goed bleef gaan, terwijl Napoleon elders de strijd met zijn tegenstanders aanbond.

Als eerste uit het Rijks Archief Gelderland, Bataafs-Frans archief 0016-5686. Minuten van brieven van de Minister en de Intendant van Binnenlandse Zaken en aan de commandant van het legioen der Nationale Garde sédentaire in het departement over verschillende aangelegenheden, met bijlagen. 1 omslag. N.b. Eén gedeelte der stukken is genummerd a N. 6 t/m c N.6

Een enkele algemene opmerking vooraf: in dit dossier wordt vooral de correspondentie van de Prefect over aangelegenheden de Nationale Garde betreffende aan (in de eerste plaats) de Minister van oorlog en Binnenlandse Zaken vermeld en uitgelegd. Ik neem aan dat alle te noemen zaken het jaar 1813 betreffen, omdat dit jaar wel, en andere niet worden vermeld.

Eén. Voor een helder inzicht zijn de statistieken in de : Garde Nationale Lettres du Préfet aux Ministres, no. 6, die de situatie, ,,des Opérations relatives à la formation des Compagnies de Grenadiers et de Chasseurs de la Garde nationale” zeer geschikt.

Op 20 juni 1813 stond de teller van het aantal ingezetenen van het Departement ‘van de Boven-IJssel op: 193.316. Het ging (voor de op te richten, of al opgerichte Nationale Garde) om 1800 man, gerecruteerd uit 24.526 geschikt geachte mannen tussen de 20 en 40 jaar. Er waren 12 compagnies samengesteld uit 3 cohorten.

Arrondissement Arnhem, 750 mannen, 5 compagnies, 1 cohorte, 36 deelnemende communes, 36 controleurs; ingeschreven 9387 mannen, waarvan 21 remplaçanten.

Arrondissement Zutphen, 750 mannen, 5 compagnies, 1 cohorte, 34 deelnemende communes, 34 controleurs; 9816 ingeschreven mannen en 22 remplaçanten.

Arrondissement Tiel, 300 mannen, 2 compagnies, 1 cohorte, 25 deelnemende communes, 25 controleurs; 5323 ingeschreven mannen en 10 remplaçanten.

Opm. de 53 remplaçanten werden bij de actieve dienst ingedeeld.

TWEE. Op 29 september 1813 ontving prefect Van Andringa de Kempenaer een (nood)brief van G. van Hasselt in diens hoedanigheid van Chef van de 1e Cohort en ad interim van het Legioen Nationale Garde van het departement. Hij liet de Prefect weten een collegiale brief te hebben ontvangen uit Amsterdam waarin hij werd gewaarschuwd voor onverwachte controles vanuit de omgeving van de (in Nederland) gestationeerde generaal Fernino, en dat het raadzaam was ,,dat UEd Gestr. uw boeltje in order hebt, want die vrienden zijn niet mak, zij vragen dadelijk na de controle, examineren dezelve tegens de manschappen, …. , want zij vallen dikwijls met de deur in huis, dat is reeds bij mij het geval geweest, … .” Van Hasselt verzocht de Prefect er aan mee te willen werken, dat alle correspondentie die de Nationale Garde betrof, correct de deur uitging en dat bestuurlijke inzendingen en brieven (bijv. van de maires) ook stiptelijk zouden plaats vinden. Met andere woorden: laten we vooral nu absoluut geen schriftelijk en/of organisatorisch gedoe veroorzaken, want de Franse ambtenarij staat gezien de huidige situatie op scherp!

Nu het tweede archiefstuk: R.A.G., Bataafs-Frans archief, 0016- 5687. Brieven en minuten van brieven over benoemingen van diverse militaire en burgerlijke autoriteiten tot lid van de Raad van Organisatie van de Nationale Garde, over zittingen van deze Raad; over het door het departement te leveren contingent; en over door maires aan te wijzen of door hen aangewezen personen voor de actieve dienst, 1813. 1 omslag

Opnieuw een enkele algemene opmerking vooraf: dit dossier bevat wederom gegevens die in het hierboven toegelichte inventarisnummer ook al – tenminste wat de Nationale Garde betreft – min of meer zijn toegelicht en besproken. Daarom heb ik uit dit dossier een steekproef genomen om enkele zaken extra te verhelderen. Misschien voor een werkstuk, artikel, o.i.d. ?

EEN: De benoemingen voor de Raad van Organisatie van de Nationale Garde (en ook wel voor de Raad van Discipline; wat dat ook mag zijn) verliepen moeizaam dat jaar. Dit blijkt uit een tweetal brieven aan de Sous-Préfet, mr. H.J. Dijkmeester, van het arrondissement Tiel, van 21 april en 27 mei 1813. In de eerste brief liet de Prefect weten vertrouwen te hebben in de talenten van Dijkmeester om een en ander in goede banen te leiden. In een brief van de Onderprefect aan de Prefect liet hij weten zich vanwege een ‘absentie’ van veertien dagen, waardoor allerlei administratieve rompslomp was ontstaan, maar alvast liet excuseren voor een vergadering [in Arnhem] over de kwestie. Dit is zo vermoed ik het gevolg van het feit dat verschillende ambtsdragers zich begonnen te realiseren hoe de kaarten in het land geschud waren nu het leek dat Napoleons genie hem had verlaten.

TWEE. 28 oktober 1813, nr. 2104 (in het Frans opgesteld): aan de Onderprefect van Zutphen, van… ? Samengevat staat er te lezen: uw Nationale Gardecompagnieën zijn incompleet, er ontbreken nogal een aantal mannen aan. U, mijnheer de Onderprefect kent de consequenties volgend uit het Decreet van 5 april 1813!!! En zo gaat het in dit schrijven op het moment dat het Franse keizerrijk in zwaar weer verkeerde maar door. Napoleon was inmiddels als gevolg van de door hem verloren Volkerenslag bij Dresden geweldig vernederd. Het Hollandse, en dan vooral het Gelderse deel van het Rijk lag daardoor open, maar dat betekende nog niet – zo moest Van der Borch van Verwolde wel beseffen – dat hetgeen was besloten nu dan ook maar op de lange baan was geschoven.

DRIE. Op 30 oktober 1813 liet de Onderprefect van Tiel weten niet meer over de mogelijkheid te beschikken om naar Zutphen af te reizen om daar de vergadering van de Raad van Organisatie van de Nationale Garde bij te wonen. In zijn plaats zou men kunnen kiezen voor een lid van de Departementale Raad, zo luidde zijn voorstel. A.H. Markel Brouwer leek hem hiervoor de aangewezen persoon. Waarom ik dit meld: de hogere autoriteiten begonnen zich zo op het eind van 1813 terug te trekken uit het bestuur dat ondanks alles gewoon diende door te gaan.

VIER. De overige brieven in dit dossier gaan in hoofdzaak over technische en administratieve zaken. De Gelderse prefect was op den duur te ziek om zich nog langer met de gang van zaken te bemoeien. Degenen die hem vervingen schoven veel op de lange baan, maar meenden wel dat de Nationale Garde moest blijven gehandhaafd om in deze verwarrende tijden dat te doen waarvoor ze door Napoleon in wezen waren opgericht, namelijk orde handhaven. Zo werd de maire van Dieren nog door de Prefect zelf uitgenodigd om de aldaar goedgekeurde Nationale Gardisten naar Arnhem te sturen om zich daar aan te melden voor de dienst (2 september). Maar werd onderprefect Dijkmeester op 18 oktober opgedragen, c.q. aangespoord door de vervangers van de Prefect tot het nemen van krachtige maatregelen en de opengevallen plekken in zijn N.G. zo snel als mogelijk aan te vullen [omdat de situatie waarin men verkeerde dit van hem vroeg]

Over prefect Van Andringa’s kunt u wat meer lezen in deze blog: Prefect Regnerus Livius van Andringa de Kempenaer: deel 2

Voor de duidelijkheid: met deze blog ben ik enkele inventarisnummers verderop gaan bespreken, dit, om wat hierna volgt voor u begrijpelijker te maken. Ditmaal gaat het over de top van de N.G., de volgende keren over de manschappen zelf. Wacht maar af.

++++++++++++++++++++++++++++

dr. Elze Luikens (copyright)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

correspondentieadres: zie OVER en GRAVATAR

Hoe de een zich aan Napoleons Grande Armée probeerde te onttrekken en een ander met thuis correspondeerde. Militaire zaken. Deel 2

Er bestonden allerlei manieren om onopgemerkt voor een ander door te gaan in Napoleons Grote Leger. Het waarom is niet altijd duidelijk, maar vermoedelijk hoopte zo’n (a.s.) conscrit/dienstplichtige in kwestie een meer bij hem passende dienst te kunnen gaan verrichten, òf zich gewoon domweg aan de door hem vervloekte dienstplicht te onttrekken. En dan was er nog de kwestie om voor een ander – tegen betaling – de dienstplicht te vervullen: de remplaçant, waarvan een enkeling zich op het allerlaatste moment ‘blesseerde’ en daardoor geen vervangende dienstplicht op zich kon nemen. Vragen en nog eens vragen, maar dan wel bij de officiële instanties. Laat ik maar met dit laatste beginnen.

De gegevens hiervoor heb ik ontleend aan een dossier uit het Bataafs-Frans archief, inventarisnummer 0016-5611. Stukken over onttrekking aan de conscriptie door opzettelijke verwonding of fraude, 1812, 1813. 1 omslag uit het Rijks Archief Gelderland te Arnhem. Het gaat hierbij onder meer om het zich moedwillig onttrekken aan de dienstplicht. Bijvoorbeeld zoals blijkt uit een brief dd. de 28ste september 1812, nr. 288, en dit, terwijl op het moment dat het werd geschreven Napoleon zich ‘gevestigd’ had in Moskou, en zich daar begon af te vragen of hij Rusland wel zo snel op de knieën zou gaan krijgen als hij hoopte.

In genoemde brief van een sergeant van de rekrutering te Harderwijk had deze geconstateerd dat een opgeroepen a.s. conscrit, geregistreerd onder no.29, zich wegens ‘vlak voor de keuring opgelopen verwonding’ had teruggetrokken, of nog beter, zich op advies van anderen (die in het complot zaten) liet terugtrekken. Het gebeurde inderdaad wel eens, dat men zichzelf verwondde om maar geen dienst te hoeven doen in het leger van de Keizer. De vader van conscrit no. 29 had de keuringssergeant zelfs 150 gulden [een flink bedrag toentertijd] aangeboden om in plaats van zijn al eerder goedgekeurde zoon een vervanger ofwel remplaçant te mogen laten opdraven om deze de dienst van zijn zoon te laten vervullen. Deze vervanger kreeg van de vader zelf ook nog eens ’25 florin’ .

In een ander geval dd. 28 januari 1813 [Napoleons leger trok zich op dat moment in chaos terug uit Rusland; de Keizer zelf was kort daarvoor in allerijl in Parijs gearriveerd] verscheen conscrit Hendrik Starink van de klasse 1811 en geregistreerd onder nummer 20 voor prefect Van Andringa de Kempenaer. Het was de bedoeling dat hij een andere dienstplichtige, te weten Hendrik Jansen, zou gaan vervangen. Maar Starink had inmiddels een dusdanige blessure aan zijn rechterhand opgelopen dat volgens hem dienstdoen voor een ander niet zou gaan. Maar de Prefect en de dienstdoende keurende chirurgijn vonden dat er aan de zaak een luchtje zat, omdat net voordat de vervangende dienstplicht in zou gaan ‘meneer’ zich ineens aan zijn hand had geblesseerd.

En zo bevinden zich in dit dossier nog enkele andere zaken., zoals die van de maire van Varik, die in een brief dd. de negentiende maart 1813 over ene Reijer van Sas, soldaat bij de 88ste cohorte van de vijfde compagnie het volgende schrijft: Van Sas had enkele dagen verlof gekregen en was naar Varik afgereisd, maar daar onwel geworden; wat werd bevestigd door de ‘Heer Mr. Dr. van [’t ?] Dorp’. Zelfs toegediende medicijnen hadden hem niet in staat gesteld terug te keren naar zijn legeronderdeel. De maire, vrezend dat dit niet het enige geval van een in zijn ogen onttrekking aan de dienstplicht zou zijn, liet aan zijn ingezetenen daarop weten aan deze ‘dienstweigeraars’ geen onderdak of wat dan ook te verlenen, …,, …te onthouden eenige Militairen of suspecte persoonen of eenige schuylplaats te verleenen, tevens met eene serieuse vermaning, dat de wet omtrend dit stuk zeer gestreng is, en de gevolgen voor hunlieden onberekenbaar zullen zijn; … “

Tot zover de afdeling ‘hoe kan ik op voorhand er voor zorgen geen actieve dienst te hoeven te verrichten’.

Een andere kwestie was die van de identiteitsfraude oftewel moedwillig een andere naam aannemen. Over het hoe en waarom heb ik uit het R.A.G., Bataafs-Frans archief 0016-5614. Stukken over de vervolging van conscrits, die van naam hebben gewisseld, 1812. 1 omslag de volgende zaken overgenomen.

Parijs, 3 september, 1812 [Napoleon was zojuist in Moskou aangekomen]: vanuit het Ministerie van oorlog werd de Gelderse prefect aangespoord de personen Jean Hendrik Huytink en Jean Hannes [ook Huytink?] bij de keizerlijke Procureur-generaal aan te geven, omdat, zo was gebleken, ze het hadden bestaan om van plaats en van legeronderdeel te wisselen. Uit een kladopzet [22 september 1812, no. 18] bleek dat ze van de lichting van 1810 waren. De kapitein die ze had gerekruteerd werd door Parijs met de aangifte ervan belast, want zoveel was inmiddels de betrokken instanties al wel duidelijk: ze hadden tijdens de keuring al aan opzettelijke persoonsverwisseling gedaan. Uit de vervolgcorrespondentie over deze affaire blijkt dat de overigens mislukte identiteitsfraude door de overheid moedwillig werd opgeblazen. Er werd nl. opvallend veel ruchtbaarheid aan de zaak gegeven, met de belofte van serieuze, zware straffen. Degenen die er aan dachten een soortgelijke truc uit te halen – om welke reden dan ook – stonden vervolging en zware straffen te wachten.

En dan zitten er in dit dossier, te midden van bovengenoemde kwestie ineens twee documenten met een inhoud waar een onderzoeker-historicus alleen maar blij van wordt. Namelijk een inkijkje in het leven van een soldaat ter velde.

Leest u maar mee; het zijn brieven, onbeholpen geschreven, weliswaar, maar zo puur. Ze zijn van Johannes Eimers uit Huppel, Eibergen:,,Zeer geliefde vader, moeder, zusters en broeders nabueren en mijn naaste vrienden… ik ben door gods grasy [gratie;genade] nog vris en gezond en ik hoop dat het med UEdele ook zo mag weezen… was het anders het zou mij van harten leet weezen hooren maar ik hebbe geen tijd om veele te schrijven maar ik ben den 12 Maart in Zintoemeer [st. Omer] gekoomen Wij hebben tot nu toe nog geen klagen gehad, Wij hebben zes en een half Stuyver dags en anderhalf Pond brood en een half pond fles… Vader en moeder Zusters en Broeders, steld Uw maar gerust Wij hebben gehoort dat wij binnen drie maanden, komen wij te eng na Duitschland toe maar als gij mij schrijft dan moet gij mijn naam niet schrijven want ik hebben mijnen nommer verbuit, gij moet Reijneer van Laar schrijven, als gij mij wederom schrijft onder de eerste Kompagny en het honderd drie en twintigste Regiment… Ziet gegroet van mij vader en moeder zusters en Broeders Nabuuren en mijne naste vrienden tegen het hars volgens berent zien zeggen koomen wij wedere om….. Jannes Eimers in Zintoemer den 14 Maart 1812…. als gij schrijf dan moet gij de brief frankeeren tot Zintomeer en te Armen [Arnhem?] op het Poshuis … wij zijn met vier Cammeraats bij malkanderen… Jan hendrik Huitink Willem Zinderman …. gij moet de brieven bij malkander doen.” Duidelijk is, dat deze brief door de officiële instanties is gebruikt in de hierboven aangehaalde zaak van de opzettelijke naamsverwisseling.

De volgende brief geeft opnieuw een mooi inkijkje hierin; ze is een maand later geschreven. Terloops zij opgemerkt, dat deze soldaten denk ik werden klaargestoomd voor de Tocht naar Rusland, die juni dat jaar begon.

,Zintoemer den 13 April 1812…… Zeer geliefde vader en moeder zusters en broers ik hebbe U brief den 12 Avril welontfangen en daar uyt verstaan als dat gij allemaal door Gods Zegen nog vris en gezond waaren en dat doet mij in mijn herte verblijden… maar mijn geliefde vader en moeder ik heb van de pasdagen [Pasen] ziek geweest maar ik ben door Gods Zeegen weer hersteld want ik hebbe eerste zondag na Pasen naa de Pastoor geweest, en den aandag wel verrigt… ik heb tot nú toe alle Zondagen nog na de Kerk geweest, maar [naar?] de Grotemisse aan de Heer Pastoor, maar wij moeten den 15 Avril vertrekken med de heele Boel, na de Camp van Balonnien [Wallonië]… maar gij moet mij niet meer schrijven want wij weten niet of wij in de Camp van Balonnien blijven liggen of niet… maar zo dra als wij een vaste Plaase hebt dan als ik u wil schrijven,… maar mij geliefde vader en moeder gij hebt mij geschreven als dat de schaapen nog alle in welstand waaren, dat staad mij heel goed aan… Steld U maar gerust, want ik koom eertijds weer te huis, want in frankrijk daar moeten ze van de 18 tot 60 Jaaren dienen getrouwen en ongetrouwd, maar gij moet mij geen geld stieren [sturen] of daar moet een mark in staan, van drie Kruissen XXX … maar als ik het van nooten [nodig] zal hebben, zal ik u er wel om schrijven… den groetenisse aan Luttikes allemaal, Harmen bezonder de groetenisse aan Garrit Jan Harbers… nu breek ik af met de pen maar niet met ’t harte,… zeer geliefde vader en moeder zusters en Broers ziet [zijt] van mij duyzend maal gegroet en alle mijne vrienden en bekenden… ons eten en drinken daar hebben wij tot nu toe geen klagen over… de grotenisse van mij CammeratenJannes Eimers.”

De eenvoud van schrijven en de schijnbare onwetendheid van wat hem te wachten stond deed Jannes Eimers deze brief schrijven.

N.b. De ‘…’ zijn door mij ingevoegd om de brieven leesbaarder te maken.

*************************

dr. Elze Luikens (copyright… voor zover)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

Contactadres: zie hiervoor OVER en GRAVATAR (rechterkant blog bovenaan)

Napoleon wil steeds meer soldaten, maar wel volgens de regels. Militaire zaken. Deel 1

Napoleon moet zomer 1812 hebben ingeschat enige tijd in Rusland te zullen verblijven; met zijn Grande Armée. De inwoners van zijn Keizerrijk deden er intussen goed aan de door hem ingestelde wetten en decreten wel te blijven respecteren en de verschillende bestuursorganen deden er op hun beurt eveneens goed aan diezelfde wetten en decreten te gaan handhaven. Geen gedoe achter zijn rug om, zolang hij op veldtocht was, werd kortweg het motto voor de jaren 1812 en 1813. Daarom mochten dan ook alleen de officiële instanties de komende tijd de in opdracht van Napoleon opgestelde legerbulletins doorgeven, onder meer bestemd voor de in de departementen toegestane couranten. Daarnaast moest een zogenaamde briefwisseling tussen de Keizer en de Keizerin in diezelfde couranten worden geplaatst. Een soort van causerie tussen twee personen, die elkaar slechts tijdelijk – zo was de verwachting – moesten missen; iets dat ook gold voor het soldatenvolk. Alles was immers slechts tijdelijk!

Lees wat onder meer de keizerlijke dialogen betreft er maar eens de Departementale Couranten van 1812 op na, die ongetwijfeld net zoals de Gelderse ook in de andere Provinciale (departementale) archieven te vinden zullen zijn. Of bekijk nog eens mijn blogs hierover, zoals: En toen begon 1812. De krant van toen. Zevende deel .

In de Departementale couranten vindt u – even napluizen – uitgebreide beschrijvingen, maar wel gekleurd, van het verloop van de verschillende veldslagen terug. Allemaal geschikt voor nader archief/courantenonderzoek en/of een werkstuk, c.q. scriptie.

I. We gaan verder: onderstaande dossiers bewaard in het Rijks Archief Gelderland geven in eerste instantie de Gelderse, maar evenzeer de landelijke situatie weer. In eerste instantie gaat het over hoe te handelen met de binnenkomende militaire bulletins en zo.

R.A.G. , Bataafs-Frans archief 0016-5558. Brieven van de Minister van Binnenlandse Zaken te Parijs en de minuut van het daarop genomen besluit over uitgave van bulletins over de verrichtingen van de “grande armée”, 1812, 1813. 3 stukken : hieruit de volgende correspondentie, die eenheid beoogde in de wijze van publiceren van oorlogsbulletins:

De minister van Binnenlandse Zaken , Montalivet, van het Franse keizerrijk liet via een te Parijs op 25 juli 1812 opgestelde brief aan al zijn prefecten weten:

,,Les vastes projets de Sa Majesté fixent, Monsieur, l’attention de tous ses jutest; chacun suit les marches de la grande armée, et est impatient de connaître sa situation et ses triomphes: il convient se satisfaire cette juste impatience. Vous ferez réimprimer sul-le-champ les Bulletins à mesure qu’ils paraîtront dans le Journal officiel, et vous ferez acquitter les frais de cette réimpressions sur le fonds des dépenses impévues de votre département, ou sur tous autres fonds disponibles. Le papier dura être de qualité commune’la réimpression sera faite seulement en placards; et vous réglerez le nombre des exemplaires à raison de celui des communes de votre département. Je vous récommende sur-tous la plus grande économie possible, et je vous invite à m’informer immédiatement de ce que vous aurez fait. Recevez l’assurance de ma parfaite considération. MONTALIVET “

Het antwoord van onder meer prefect Van Andringa de Kempenaer van het Departement van de Boven-IJssel was – zij het dat het dossier slechts het klad hiervan bevat (alhoewel): ,,De Ridder…… Gezien de circulaire van Z.E. den Minister van Buitenlandsche Zaken dd. 25 July ll, daarbij den Prefect verzoekende de bulletins der groote armee te doen herdrukken en de kosten daarvan te brengen op de onvoorziene uitgaven, maar er tevens de meest mogelijke economie [zuinigheid] bij in acht te nemen; Besluit…. De Redacteurs van het Departementaal dagblad bij dezen te autoriseren, om, onverwijld nadat aan hem een afschrift van de Bulletins der Groote armée door den heer Secretaris generaal zullen zijn ter hand gesteld, order te stellen op de vertaling derzelve ten koste van het Departement… .”

Vervolgens wordt in dit ‘klad’ aangegeven dat er 250 vertaalde bulletin-exemplaren in het Departement mochten worden verspreid, na ze eerst [ter controle] te hebben afgegeven in het Departementaal ‘hoofdkwartier’ te Arnhem.

Op 13 mei 1813 werd opnieuw aan de prefecten een oproep van Montalivet doorgegeven, en weer evenals hierboven omschreven, om de grote daden van de Grande Armée aan alle ingezetenen via de daarvoor bestemde kanalen door te geven: ,,Paris, le 13 Mai 1813. Monsieur le Préfet, une victoire éclatante a marqué les premiers pas de la grande armée. Elle prépare des succes plus brillans encore, que tout Français est avide de connaître: il faut satisfaire son impatience, et, pour cela, faire, comme pendant la dernière compagne, réimprimer les articles des nouvelles qui seront envoyées à Sa Majesté l ‘Impératrice Reine et Régente, et qui paraîtront sous ce titre dans le journal officiel.” Ditmaal betrof het slechts een dagsucces van Napoleons Grande armee.

II. Napoleon kwam aan zijn soldaten via de conscriptie ofwel de dienstplicht, sindsdien in bijna alle Europese landen voor lang overgenomen en gehandhaafd. Laten we daarom nu en in de volgende blogs er wat dieper op ingaan.

Voor nu als inleiding op de materie gebruik ik dossier 0016-5580 Bataafs-Frans archief. Stukken over de medische keuring van conscrits en de (betaling van de) vergoedingen voor de artsen, 1812, 1813. 1 omslag uit het RAG, Arnhem-Gelderland. In de volgende blogs wordt telkens een nieuw element/aspect van en over Napoleons Grande Armée nader toegelicht. Aspecten waarvan ik denk dat dit juist de Napoleontische jaren zo kenmerkt: het militarisme.

Correspondentie die vanaf 12 maart 1812, te Arnhem opgesteld is, beginnend met no. 323, laat ons allereerst een financiële – typisch Nederlandse – aangelegenheid zien: vergoedingen en dergelijke. Van de betaalmeester Joh. van Burg van de Keizerlijke Schatkist in het Departement van de Boven-IJssel had men het bericht ontvangen dat hij 412 francs en 30 centîmes [inderdaad ons woord cent stamt hier van af] mocht uitbetalen van de Minister van oorlog (dd.18 februari 1812, sub. No. 2531). Alles diende schriftelijk te worden vastgelegd, om later, indien nodig, gegevens zo snel mogelijk te kunnen terugvinden. Bij elke betaling vanuit het beschikbaar gestelde bedrag [412 fr.-30 cent.] moest door Van Burg alle door hem gevoerde correspondentie hierover als officieel bewijsstuk worden overlegd, zodat dit een terechte betaling volgens de hiervoor opgemaakte regels zou blijken te zijn. Dit is wat we noemen controleerbare bureaucratie; m.a.w. iedereen die erbij betrokken was had er zicht op. Dit om fouten te vermijden.

En zo bevindt zich in dit dossier nog een aantal gevallen van correspondentie over uitbetalingen. Ook bevat het enige informatie over de lijst van keuringsartsen; waar ze vandaan kwamen, geboortejaar, gehuwd, kinderen al of niet, of ze al eens eerder hadden gekeurd, etc. . Meestal waren die keuringsartsen van de conscrits de plaatselijke chirurgijn of arts. Ook belangrijk werd gevonden wat de plaatselijke maire zoal over de persoon in kwestie had te melden.

Een voorbeeld:

Apeldoorn: hier ging het om 4 keuringsartsen, te weten Gerrit Janssen arra, Johannes Janson, Hermanus Proper en Cornelis Winkeler, resp. geboren in 1774, 7 september 1778, 1776 en 15 maart 1787. Op Winkeler na waren ze allen getrouwd; Janson had 5 zonen en Proper 1. Winkeler woonde tot aan de keuring 7 maanden in Apeldoorn, Proper 1 jaar, Janson 2 en Janssen arra 9 1/2 jaar. Alle vier zijn arts-chirurgijn van beroep. Van Proper, of nu ineens Propre liet de maire optekenen: ,, Le Maire observe le Medecin Propre suffit en sa commune qui a tous les requisitoires necessaire.”

Tot zover een overwegend zakelijke benadering van de conscriptie. In de volgende blog staan we uitvoerig stil bij de motieven van enkele dienstweigeraars.

******************

dr. Elze Luikens (copyright voor zover het mijn eigen tekst aangaat)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

napoleon-info@hotmail.nl [zelf intikken aub]