Keizer Napoleon bevordert in Nederland de suikerbietenteelt; 1812,1813.

Omdat het Europese vasteland was afgegrendeld van de rest van de wereld, met de bedoeling Engeland en zijn handel zwaar te treffen, konden hier geen schepen meer aanmeren met koloniale waar. Niet dat dit streng te handhaven was, want smokkelwaar werd overal in West-Europa aangetroffen. Ook rietsuiker, dat naast honing bedoeld was om vloeibare dranken, maar ook meelproducten te zoeten was nauwelijks nog te verkrijgen. Dit gebrek aan zoetstof was best wel ingrijpend in de samenleving die door Napoleon en zijn ambtenaren en legereenheden werd beheerst. De Franse keizer begreep dit als geen ander en bevorderde daardoor de teelt van de beetwortel waarmee al gunstige resultaten waren behaald: gons gekristalliseerd suiker. Deze blog werpt op de invoering , het verbouwen en de problemen die dit met zich meebracht enig licht.

Hiervoor gebruik ik de gegevens zoals ze zijn terug te vinden in dossier 0016-4744. Briefwisseling met de onderprefecten over de bevordering van de suikerbietencultuur en de bietsuikerproductie in hun arrondissementen, 1812. 1 omslag berustend in het RijksArchief Gelderland/Bataafs-Frans archief.

Op 15 januari 1812 had Napoleon in een Decreet besloten ook het Departement van de Boven-IJssel aan te wijzen om er de mangelwortel ofwel de suikerbiet te gaan telen inclusief de er op te richten verwerkende fabrieken. Het plan, op papier, klonk goed en innovatief. De Prefect had daarop in een brief van 8 februari dat jaar, no. 36, gevraagd aan zijn onderprefecten te inventariseren hoeveel hectares konden worden aangewezen voor de suikerbietenteelt in hun arrondissementen. De Parijse ambtenaren die het geheel begeleidden dachten in opdracht van de Keizer aan 1000 ha.

De reactie op de plannen zoals die door de Tielse onderprefect werden samengevat en verwoord spreken boekdelen. Enige passages uit de brief van 21 februari 1812, geschreven te Tiel aan de Gelderse prefect luidde:

,,Dat hoezeer de grond in dit Arrondissement over het algemeen vrij vrugtbaar, en tot veele soorten van cultuur geschikt is, echter volgens opinie van deskundigen de mangel wortel in goede zandgrond geteeld, proportioneel veel rijker is aan zuiker deelen, dan de zulke, welke in kleigrond is gewasschen …. en het misschien tot bereiking van het door zijne Majesteit voorgestelde einde, dienstiger en meer doelmatiger is, deze Cultuur in de daartoe geschikte zandgronden, als op de Veluwe en in Zutphen, veele gevonden worden, te favorisereeren.”

Ook wees de Tielse onderprefect er op dat ondanks dat zijn arrondissement de rivieren bezit die voor “de koopman gunstige transporten kent” het ontbreken van verwerkingsfabrieken alleen maar de suikerprijs zal gaan opdrijven. Daarnaast was er nog het fenomeen hoogwater en in de zomer de veelvuldige regenval. Kortom de Prefect kan volgens de Tielenaren slechts 200 ha. aanwijzen om er een poging te overwegen de suikerbietenteelt ter hand te nemen.

A.P.R.C. van de Borch van Verwolde, onderprefect van het arrondissement Zutphen (grofweg de Achterhoek) legde in een schrijven van 2 februari 1812  de vinger op de zere plek:

,,De Maire van Zutphen, mij ingevolge mijner aanschrijving geïnformeerd hebbende dat hij de Ingezetenen zijner gemeente bij Publicatie had doen oproepen, ten einde optegeven, hoeveel Lands zij in den Jaare 1812 200 [ha.] met mangel wortelen voor de fabrieken, als tot aankweeking van zaad voornemens waren te cultiveren, als mede of er een genoegzame voorraad van zaad, van dezelve voorhanden was dat hij zig hadde gevleyd om een volledig vericht nopens deeze Cultuur voor de geringe uitgestrektheid van Stads territoir aan mij te kunne inzenden dan dat de ondervinding hem het tegendeel had geleerd, aangezien zeer veele huiverig zijn die cultuur bij de hand te neemen uit vreeze dat voor dit product evenals voor de Tabak een Tarif [belastingvoet] zal worden gesteld, weshalven het geheele bedrag der in 1812 opgegevene grond met dat product…. slegts 4 Hectaren bedraagd.”

Verder liet Van der Borch van Verwolde weten de moed niet te willen laten zakken, want her en der (o.a. te Doesburg) ontstonden inmiddels initiatieven om alvast met (kleine) verwerkingsfabrieken te beginnen. Echter het arrondissement Zutphen kende weinig geschikte waterwegen voor de noodzakelijke transport. Ook was er daardoor  een gebrek aan goedkope energiebronnen, zoals het waterrad. In een aanvullende brief (12 februari) liet de Onderprefect weten zich al geruime tijd sterk te hebben gemaakt voor de invoering van de door de Keizer zo belangrijk geachte suikerbietenteelt. In deze brief stond een opsomming van verschillende zij het kleine Achterhoekse projecten, bijvoorbeeld die in Vorden waar de grond, weliswaar zanderig van samenstelling, na bemesting gunstige oogstresultaten had laten zien. Met andere woorden: her en der in het land was men al bezig de rietsuiker te vervangen door een zij het nog karige opbrengst suikerbieten.

Tot zover de regionale ambtenarij en zijn bestuurders. Parijs drukte echter in opdracht van de Keizer de zaken door. Enig inzicht hierin levert ons dossier 0016-4746. Stukken over de schaarste aan suikerbietzaad in het departement en de inkoop en distributie daarvan, 1812, 1813. 1 omslag (R.A.G.) op. Terwijl Napoleon zich in de loop van dat jaar ging vertillen aan Rusland en een jaar later bezig was met zijn eerste achterhoedegevechten in Duitsland, speelde zich in Gelderland de navolgende suikerbietenproblematiek af. Soortgelijke zaken zijn ongetwijfeld ook in de archieven van de andere departementen terug te vinden.

Eén. Op 12 februari 1812 kwam er op de burelen van de Prefectuur van de Boven-IJssel een brief binnen, d.d. 4 februari dat jaar, van “Le Ministre des Manifactures et du Commerce, Comte de l’Empire”: of de Gelderse prefect al verschillende handelaren in zaden had geïnstrueerd dat er voor 1000 ha, zo’n ‘3 à 4 mille kilogrammes betteraves’ zaad nodig was. Per kilogram zaad was de prijs bepaald op 4 à 5 francs.  De aankoopkosten hiervoor kwamen voor rekening van het Departementaal bestuur.

Twee. Een vervolgbrief van de Minister deelde een verdere verdeling van de kilo’s zaad mee. In een ‘geheime klad’ van zaterdag 22 februari 1812 liet de Prefect weten dat er aantallen van steeds  100 kilo beetwortelzaad kon worden verdeeld over de arrondissementen die er het meest behoefte aan hadden. Bijgevoegd werd nog een oproep van de Keizer om haast met de uitvoering ervan te maken.

Drie. Op 13 maart waren er in Arnhem twee balen à 50 kg ‘mengsel’ beetwortelzaad afgeleverd. In een klad werd in de marge van het begeleidend schrijven deze voorraad als volgt verdeeld: Arnhem 35 kg, Zutphen 30 kg en Tiel 20 kg. N.b. er werd dus nog 15 kg zaadmengsel achter de hand gehouden; wellicht om eventuele problemen op te vangen? We zullen het hieronder zien.

EPSON scanner image

Zicht op het toenmalige Harderwijk

Vier. De maire van Twello, P.P. Evers, liet 26 maart 1812 weten dat hij op de hoogte was gesteld van het kunnen verkrijgen van mangelwortelzaad. Hem was tevens meegedeeld dat zijn mairie was aangeslagen om zes hectares te verbouwen. Behalve dat hij en zijn boeren-ingezetenen niet wisten hoeveel zaad er per ha. nodig was, wist hij evenmin op hoeveel zaad zijn gemeente/mairie recht had. Bovendien leek het hem raadzaam, gelet op het seizoen, dat er eindelijk eens een begin zou worden gemaakt met het inzaaien van het zaad. Daarom stuurde hij alvast maar een bode naar Arnhem met het verzoek de goede man niet onverrichter zake naar huis terug te doen keren ,,… aan brenger dezes ter Prefecture de nodige hoeveelheid zaad voor deze Gemeente ter hand te stellen, ten einde de landbouwers met dit werk hetwelk misschien reeds hoog tijd wordt, een aanvang kunnen maken.”

Vijf. De Onderprefect van Tiel liet via een in het Frans geschreven missive dd. 21 april 1812 weten nog wel zo’n 20 kg zaad extra te willen ontvangen. En dat terwijl hij eerst dacht dat er in zijn arrondissement niet veel ha. en animo zou zijn voor het project.  De praktijk bleek er dus anders uit te zien, want dagelijks bereikten hem verzoeken om ook suikerbietenzaad te mogen inzaaien. De reactie van de Prefect was echter, dat de zaden op waren, of zoals hij schreef: ,,… is geabsorbeerd, zoo dat ik mij buiten staat bevindende om in dezen aan UwEdGestr. te voldoen.”

Zes. Dat sommigen met het in hun ogen weinige dat ze hadden ontvangen, tegen problemen aanliepen, moge blijken uit de brandbrief van de maire van Gendringen van 26 april 1812, bestemd voor de onderprefect van Zutphen.

,,Hoog Edele Heer!

Op de ontfangen aan schrijving dat in deze Mairie vier Hectares mangelwortelen moeten worden verbouwd heb ik daarover denodige Schikkingen en repartitie gemaakt en heb voorts op de nadere aanschrijving d:d:29 Maart 1812 N=455 terbekominge van de daartoe nodige zeeven kilogrammes zaad op den agtsten April ll. een Expresse naZutphen gezonden met de daartoe nodigecontanten dog niet meerderkunnen bekoomen als een Kilogramme en heb vervolgens weeder door een expresse na Arnhem en den oorsprong beproeft om het resteerende zaad aldaar te koopen van waar ik egter niet meer als ruim een kilogramme heb kunnen bekoomen zo dat voor deeze Mairie Nog vij Kilogrammes zaad manqueeren die ik naar alle aangewende moeite nergens kan bekoomen en waartoe de Ingeseetenen zelve ook alle vergeefsche moeite hebben aangewend en dus bij gebrek vanzaad buyten staat gesteld woorden het voorsz: aantal Hectares te kunnen bezaayen en waarvan ik de eer heb UwEd. kennis tegeeven en te verzoeken de aanwijzing of informatie ter bekooming van hetzelve terwijl ik bij gebrek van dien niet kan verantwoordelijk gesteld worden voor de niet nakominge van de aanschrijving vandete bezaayen vier Hectares waartoe de Ingezeeten reeds alles Schikkingen heb gemaakt.

Ik heb de Eer met alle Hoogachting te zijn De Maire voorn. : “

De reactie van de Onderprefect was: misschien dat een advertentie in de Departementale Courant zou kunnen helpen; maar veel verwachtte hij er niet van.

Men was dus bang niet aan de eisen vanuit Parijs te kunnen beantwoorden. De schrik zat er dan ook goed in, dat jaar en het jaar erop.

*******************************************

Dr Elze Luikens (copyright)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

napoleon-info@hotmail.nl

Napoleon gebruikt dat ene jaar vrede om thuis orde op zaken te stellen. Het leven van Napoleon: deel 5, het jaar 1802

,,Ook Bonaparte zag met genoegen de vrede van Amiens (1802) naderen, echter alleen om Frankrijk inwendig voor te bereiden op de prestaties, die hij van het land zou vergen om Europa te veroveren.

Al tijdens de vredesonderhandelingen met Engeland begon hij met de reorganisatie van de gehele Franse administratie [het landsbestuur]. Doelmatige instellingen werden opgericht. Napoleon, de eerste Consul, omringde zich met een aantal lieden, die hij naar geschiktheid en bekwaamheid uitkoos. Geen radertje in de staatsmachine ontsnapte aan zijn aandacht. Mededelingen uit alle streken van het land, dat in militaire districten verdeeld werd, moesten in zo kort mogelijke tijd naar Parijs gezonden worden. De rapporten omvatten niet alleen het leger, maar ook openbaar onderwijs, armenzorg, wegen en kanaalwezen, handel, industrie, sociale toestanden, gemeentelijke financiën, enz. Zelf werkte Bonaparte dag en nacht om in contact te blijven met al zijn ambtenaren. alles wilde hij regelen en bestieren en zeker is het, dat hij zich buitengewoon bekwaamde in alle details van het staatsbewind. Zo kon hij voortdurend verbeteringen aanbrengen, nu hier, dan daar; weldra kon Frankrijk zich verheugen in een werkelijk goede staatsregeling. De regeling van financiën, orde en veiligheid had tot resultaat een rijkere productie en een snel stijgende welstand. De centralisatie van het bewind had Frankrijks krachtbronnen versterkt; de heerser kon dan ook alle draden in zijn hand samentrekken.

16.alle legereenheden bijeen te Boulogne

Ook aan de kerkelijke belangen wijdde Napoleon zijn aandacht. Vooral tijdens de eerste jaren van de Franse revolutie [1789 en verder] hadden deze het hard moeten ontgelden. Ofschoon de toestand nu kalmer werd, bleef de verwarring op kerkelijk gebied standhouden, totdat zij als een niet te stuiten kankergezwel in de Franse samenleving werd. Bonaparte begreep, dat het van het grootste belang was tijdig in te grijpen. Door het sluiten van een concordaat [belangrijke overeenkomst met de hoge geestelijken] wist hij het nog steeds overwegend katholieke deel van de bevolking voor zich te winnen. Hij ging daarbij met de grootste voorzichtigheid te werk; de algemene vrijheid van godsdienst werd daardoor niet geschonden.

Reeds onder de hevigste stormen der revolutie was men begonnen aan het reusachtige werk, het gehele rechtswezen te hervormen volgens de beginselen van 1789. Toen Bonaparte Eerste Consul werd, was het werk voor een deel voltooid; maar hij bracht talrijke wijzigingen en aanvullingen aan en besliste in punten van verschil. Hoe goed hij hierin slaagde, bewijst het feit, dat zijn wetboek, de beroemde “code Napoléon”, in grote lijnen tot in de twintigste/eenentwintigste eeuw in Frankrijk van kracht was en is en bovendien als voorbeeld heeft gestrekt voor andere Europese landen, waaronder Nederland. Daarnaast kwam een nieuw strafwetboek, bekend onder de naam “code pénal” tot stand.”

Bewerkte tekst uit: Geschiedenis der wereld, vijfde deel, blz. 69-71 van Brugmans, Fischer, 1928.

********************************************

Ik wil hier nog een enkele kanttekening aan toevoegen:

EEN. In de hierboven geciteerde tekst staat dat Napoleon het land in militaire districten indeelde. Dat is niet helemaal juist. Het land bestond al uit departementen, c.q. provincies of gewesten, waaraan Napoleon een uniform gelijkgeschakeld bestuur gaf, zoals in ons geval na 1810 ook aan het departement Van den Boven-IJssel. Al in de vier jaren dat zijn broer Lodewijk Napoleon Koning van Holland was (1806-1810)  werd hieraan al enige vorm gegeven (vooral vanaf 1807). Door die eenheid van bestuur ook nog op lokaal niveau door te voeren kon in een keer bijvoorbeeld een Keizerlijk Decreet overal nagenoeg tegelijk worden ingevoerd.  Wat in mijn verschillende blogs hierover vooral is gesignaleerd is dat er weliswaar lokale en regionale verschillen en bezwaren opduiken, maar dat die ‘onvolkomenheden’ soms wel worden gecorrigeerd [zij het zeer beperkt]. Daarnaast zagen we in eerdere blogs hierover hoe de bevolking, maar vooral de [direct] betrokkenen hierop [mochten/konden] reageren.

We moeten niet vergeten dat voor Napoleon de departementen de hoekstenen vormden van zijn uiteindelijke Keizerrijk. Door deze constructie werd snelheid, overzichtelijkheid en directheid bevorderd. Tenminste zo zag Bonaparte het. En zijn Franse staatsstructuur werd vervolgens hét Franse exportartikel, waarbij gewezen werd op de successen die ermee in het thuisland waren geboekt.

TWEE. Het kan niet vaak genoeg worden benadrukt: Napoleons verschillende wetboeken zijn voor vele generaties na hem van grote betekenis geweest. Naast structuur, eenheid en het begin van een einde aan willekeur die tot dan op velerlei terrein heerste, is zijn wetgeving de inspiratiebron geworden voor allerlei [vooral negentiende eeuwse] emancipatiebewegingen en heeft het geleid tot een wereldwijde democratiseringsgolf. Bij Napoleon ging het daarbij om wat door hem van bovenaf werd geregeld en opgelegd, een strakgeleide democratie. Maar de laatste decennia heeft het er veel van weg dat het van onderop wordt ontwikkeld, ofwel spontane democratie.

Natuurlijk staan zijn wetten ver van onze hedendaagse opvattingen over hoe het moet en hoe het kan, maar desalniettemin is begin negentiende eeuw een storm opgestoken die hier en daar nog steeds niet is uitgewoed. Of luwt die storm inmiddels al weer?

dr. Elze Luikens

napoleon-info@hotmail.nl

 

 

De overheid trekt de wettigheid van de huwelijksvoltrekking naar zich toe (1813); protesten volgen

Wanneer we een opvallende gebeurtenis uit de zogeheten “Nieuwe tijd” , daarmee de Napoleontische jaren bedoelend, willen noemen, is één ervan wel die van de achternamen. Dit had echter misschien wel onbedoeld tot gevolg dat wat de kerken tot dan toe deden ineens veel minder betekenis kreeg. Ik bedoel dit: het was al eeuwen de gewoonte dat iedere kerkelijke gemeente haar eigen lijsten bijhield waarin de geboorte, de doop, de huwelijksvoltrekking en het overlijden werden geregistreerd van ieder individueel kerklid. Voor onderzoek en onderzoekers een schat aan informatie.

Maar nu wij meer en meer gelijkgeschakeld werden met Frankrijk (sinds juli 1810) was het zo dat de regels en voorschriften die daar golden ook hier dienden te worden gerespecteerd. Zo was het de burgerlijke gemeente die voortaan leven en dood registreerde, al of niet met een nieuwe, aloude of zelfgekozen achternaam. En zo werd het ook een voorwaarde voor de geldigheid ervan dat huwelijken voortaan allereerst op het gemeente, c.q. stadhuis dienden te worden voltrokken. Mochten de gehuwden daarna ook nog een kerkelijke inzegening willen dan was het de lokale overheid prima zolang het echtpaar maar wel besefte dat de gemeente voorrang genoot op de (plaatselijke) kerk.

Hierover ontstond voorzichtig gemor. Het was nogal een overgang, die de (lokale) bevolking was opgelegd. Enig protest was dan ook wel te verwachten, zij het in zeer omzichtige bewoordingen. En omdat het namens Napoleon aangesteld bestuur ook niet altijd precies wist hoe het met de nieuwe regels moest omgaan, ontstonden er daardoor nogal eens flinke misverstanden. Een voorbeeld hiervan heb ik uit het RijksArchief Gelderland opgedoken, maar dit valt in de archieven van de andere departementen/provincies ongetwijfeld eveneens terug te vinden. Ik denk dat de toon overal wel hetzelfde zal zijn geweest.

Uit dossier R.A.G., Bataafs-Frans archief, 0016-4676 Brieven van en minute van brieven aan de Onderprefect van Arnhem over de klacht van de kerk(en)raad van de Hervormde Gemeente van Spankeren, Soeren, Dieren en Fratersweerd over het verbod van de maire van Dieren om huwelijken kerkelijk in te zegenen, met bijlage, 1813. 1 omslag het navolgende:

De aanleiding was onderstaande brief:

,,2 Febr. 1813      Aan Den Heer Prefect van het Departement van den Boven-IJssel

Hoog Ed. Gestr. Heer!

Geeft met den verschuldigden eerbied te kennen de Kerkenraad der Gereformeerden Gemeenten van Spankeren, Zoeren, Dieren en de Fratersweerd: Dat de Maire van Dieren, den voor hem wettig getrouwden, stellig verbiedt, hun huwelijk ook godsdienstig voor den Gemeente in de Kerk te solemniseren, niet tegenstaande andere gezindheden dit overal, en den onzen ook elders vrijelijk doen mogen

Dat dit verbod van den Maire niet alleen tot groot ongenoegen van velen is; maar ook tot een vrij aanmerkelijk nadeel voor den Diaconie

Waarom de Kerkenraad voornoemd de vrijheid neemt, zich tot uw HoogEd. Gestr. te vervoegen, en te vragen of niet het godsdienstig solemniseren en wel openlijk voor den Gemeente in de Kerken van burgerlijk wettig aangegeven huwelijken, zoo wel den Protestanten als den Katholieken geoorloofd is, en zoo ja, of dan de Maire niet verpligt is, den getrouwden, zulks begerende, redelijk bewijs te geven van het wettig voltrekken huns huwelijks op dat den Predikant legaal er van onderrigt worden en den vrijheid hebben, aan den begeerten der getrouwden te voldoen

Dit is de gunst die wij ootmoedig smeeken,  In naam des Kerkenraads, voornoemd

A. Christiaanze Predikant.”

Picture 016

De reactie hierop (vrij vertaald vanuit het Frans) luidde:

Dieren 22 februari 1813. De Maire van Dieren aan ,,l’auditeur au Conseil d’Etat Sous Préfet D’Arnhem.”

De maire handelt naar de richtlijnen van de minister van Eredienst dat een huwelijk allereerst voor een officiële vertegenwoordiger van de Staat dient te worden voltrokken. Hij vermoedt dat de Kerkenraad namens de Diaconie spreekt, omdat het de gewoonte is tijdens het huwelijk een armengift te doneren, die nu in de gemeentekas en niet in de diaconiekas terecht komt.

Met andere woorden: de Dierense maire dacht dat het een centenkwestie was en niet een religieuze aangelegenheid. De kerkelijke plechtigheid heette tot dan vóór alles te gaan. De maire zag dit gezien de gewijzigde omstandigheden echter anders. Dat de maire dacht dat het huwelijk eerst door hem diende te worden voltrokken ofwel ambtelijk geregistreerd en dat pas daarna de kerkelijke inzegening mocht plaatsvinden was, nogmaals,  juist. Dat hij hieruit de strenge conclusie trok dat hij zo’n kerkelijke inzegening dan ook mocht verbieden of nog erger ongeldig kon verklaren, wanneer het stel zich niet eerst bij hem had vervoegd was gelet op de nieuwe wetgeving hieromtrent dan ook juist. We zien hier duidelijk één van de vele voor de samenleving van toen ingrijpende gevolgen die uit de Franse revolutie voortvloeide en inmiddels door keizer Napoleon Bonaparte was gekanaliseerd en gelegaliseerd.

Na de inhoud van een kladbrief van 6 maart 1813 van de Auditeur van de Raad van de Onderprefekt van het arrondissement Arnhem (grotendeels de Veluwe met de hoofdplaats Arnhem) te hebben doorgelezen, liet de Prefect twee dagen later noteren dat een huwelijk dat niet volgens de regels werd gesloten ongeldig werd verklaard in de ogen van de wet. De Dierense maire had volgens hem juist gehandeld in deze zoveelste  kwestie van een “benediction” (kerkelijke inzegening).

Waarmee opnieuw een kwestie voortspruitend uit de vele veranderingen ten gevolge van  de Inlijving van Nederland voorlopig voorgoed afgesloten werd in het voordeel van een almachtiger wordende Staat.

**************************************************

Dr Elze Luikens

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

Voor meer meer info ‘napoleon-info@hotmail.nl’ (zelf even intikken)

Een paar artikelen om nog eens terug te lezen

img059

Keizer Napoleon Bonaparte: een tussenbalans

Censuur of lijfsbehoud

35. Op St. Helena, 1816

Een nieuwe tussenbalans

****************************************************

De volgende blog is weer een reguliere blog.

Tot die tijd: een hopelijk goede gezondheid voor u allen. En anders: een hopelijk voorspoedig herstel.

Dr. Elze Luikens en H. Luikens-de Kruif

 

 

Het leven van Napoleon: van ,,Bonapartes terugkeer naar Frankrijk” tot de Vrede van Amiens. Deel 4. De jaren 1799-1801.

We gaan de weg door de geschiedenis die Napoleon Bonaparte aflegde tussen Corsica en St. Helena in deze nieuwe blog een vervolg geven. Na het mislukte avontuur in Egypte, kwam Napoleon in Frankrijk terug. En hoe. Onderstaande is het voortgezet relaas uit Geschiedenis der wereld. Vijfde deel, blz.64-69 van Brugmans, Fisscher uit 1928.

,,In een donkere najaarsnacht gelukte het Bonaparte, nadat hij het leger onder het opperbevel van Kléber in Egypte had achtergelaten, ook ditmaal aan de blokkade der Engelsen te ontkomen en Frankrijk te bereiken. Hier bemerkte hij, dat de berichten, die hij in Egypte had ontvangen, de toestand niet te somber hadden afgeschilderd. Vooral de binnenlandse toestanden schenen hopeloos. Nijpend was de geldnood: de Staat had zich bankroet verklaard ten einde zijn eigen positie te redden, doch daardoor waren het de particulieren, die de gevolgen van het financieel wanbeleid moesten dragen. Tal van burgers werden hierdoor geruïneerd, hetgeen de verbittering geweldig deed toenemen. Om zich te verdedigen nam het directoire zijn toevlucht tot een stelsel van vervolgingen, gericht tegen zijn werkelijke en vermeende vijanden. Niet zonder reden wordt deze regering van geweld genoemd: “Het kleine Schrikbewind”. Bonaparte begreep, dat het Franse volk hem dankbaar zou zijn, als hij aan deze tirannie een einde maakte. Zelf wenste hij ook niets liever dan het directoire ten val te brengen. Velen, die daartoe de tijd gunstig achtten, sloten zich bij hem aan. Ook het garnizoen in de hoofdstad was op zijn hand. Alles ging dus, zoals hij had berekend: de actie tegen het bestaande bewind kon ingeleid worden zonder een droppel bloed te vergieten. De Raad van de Vijfhonderd werd uiteengejaagd door Bonaparte’s grenadiers (9 en 10 november 1799); daarmee was de rol van het Directoire uitgespeeld. Bonaparte werkte de plannen uit voor een nieuwe staatsregeling, die van het Consulaat. Deze staatsregeling legde de oppermacht voor een tijdperk van tien jaar in handen van een Eerste Consul. Dat Bonaparte dit ambt voor zichzelf had bestemd, behoeft geen vermelding. Aan zijn zijde kreeg hij twee consuls, Cambacérès en Lebrun. Het volk werd vertegenwoordigd door twee colleges: het wetgevend lichaam en het tribunaat. Deze, zowel als de senaat, kregen slechts een zeer beperkte bevoegdheid, hetgeen begrijpelijk is, wanneer men bedenkt, dat het Bonaparte zelf was, die deze staatsregeling had ontworpen. Hij wilde alleenheerser worden en werd het ook, doch hij had zoveel tact, dat het volk in de waan verkeerde zelf te regeren. Zo liet hij de nieuwe staatsregeling bekrachtigen door een volksstemming. Met ongeveer drie miljoen stemmen zegevierde hij over een oppositie van 1579 stemmen. Met deze zege had hij de Jacobijnse partij vernietigd; en hiermee was de heerschappij van het uiterst radicalisme voorbij. De royalisten, die door de revolutie uiy het land waren verdreven, mochten ongehinderd terugkeren; amnestie werd verleend aan de slachtoffers van “het kleine Schrikbewind”.

Deze veranderingen leverden al dadelijk goede resultaten op. De binnenlandse toestand verbeterde zienderogen. De oorlogssituatie was ongewijzigd, in de winter van de eeuwwisseling lagen de strijdende legers grotendeels stil. Italië was zo goed als geheel in de macht van de coalitie, hoewel de keizer van Rusland zijn troepen had teruggetrokken. Het Oostenrijkse leger was aanmerkelijk sterker en de situatie op dit gedeelte van het front absoluut kritiek. Daarentegen waren de legers, die aan de Rijn tegenover elkaar stonden, vrijwel even sterk. De Fransen werden hier aangevoerd door generaal Moreau. Op bevel van de Eerste Consul trok hij in het voorjaar Beieren binnen en dreef de Oostenrijkers terug tot Tirol.

Deze overwinningen op het noordelijk front waren dienstig voor Bonaparte’s plannen: de Oostenrijkers waren nu gedwongen hun reservetroepen derwaarts te zenden, terwijl hij zelf, door de gunstige situatie aan het Rijnfront, het grootste deel van het Franse leger mee kon nemen op zijn tocht over de Alpen. Hij had nl. het koene plan opgevat om, evenals Hannibal tweeduizend jaar vóór hem had gedaan, zijn troepen over de met sneeuw bedekte toppen van het hooggebergte naar de uitgestrekte laagvlakte van Noord-Italië te voeren. Zo wilde hij Oostenrijk in de rug aanvallen. Daar hij het plan nauwkeurig overwogen had en hij ervan overtuigd was, dat het moest gelukken, talmde hij geen ogenblik met de uitvoering. De overtocht was ontzettend moeilijk, doch het genie van de veldheer overwon alle hindernissen.

7. de tocht over de St. Bernhard

In enkele dagen waren de Fransen over de Alpen. Nu kon Bonaparte, dankzij zijn buitengewone snelheid, nadat hij eerst zijn intocht had gehouden in Milaan, waar hij de Cisalpijnse republiek hersteld verklaarde en nadat hij enige versterkingen oostwaarts had gezonden, de Oostenrijkse bevelhebber Melas van alle verbinding met Oostenrijk afsnijden. Melas had zich al lang bedreigd gevoeld door het gevaar van een dergelijke ontmoeting met de Fransen. De ligging van Allessandria tussen de moerassen en slijkrivieren, maakte deze stad tot een goede vesting, om welke reden Melas haar tot verzamelpunt  voor zijn troepen koos. Hij werd echter overrompeld door Bonaparte, die hem op de vlakte van Marnengo, slechts een halve mijl ten oosten van Allessandria tot een slag dwong. De Fransen behaalden een beslissende overwinning. Frans II twijfelde hierna al aan een gelukkige afloop van de oorlog en toen Moreau onder andere gesteund door Ney, de Oostenrijkers in december de Oostenrijkers bij Hohenlinden een verpletterende nederlaag toebracht, besefte hij, dat het spel verloren was. In februari 1801 moest de keizer in Lunéville een vrede voor Oostenrijk en het Duitse rijk tekenen, waarbij de bepalingen van Campo Formio bevestigd werden. Napoleon was hier echter niet mee tevreden: het Duitse rijk moest al het gebied ten westen van de Rijn afstaan. De wereldlijke Duitse vorsten, die hierdoor uitgestrekte bezittingen verloren, kregen schadevergoeding, doordat de kleine staatjes en de kerkelijke vorstendommen in het midden van het land bij de andere staten werden ingelijfd. Dit was de zogenaamde mediatisatie en secularisatie. In Italië verloor de groothertg van Toscane zijn gebied, dat later werd verenigd met Frankrijk.

Tegen Engeland kon Bonaparte, als gewoonlijk niets uitrichten, ofschoon keizer Paul van Rusland een gewapend neutraliteitsverbond sloot met Pruisen, Denemarken en Zweden. Deze landen hadden nl. veel geleden onder de Engelse aanmatiging op zee. Het verbond viel echter al kort na zijn oprichting uiteen; door zijn vloot dwong Engeland de kleinere staten het verbond afvallig te worden. Allereerst Denemarken, dat na een heftige slag op de rede van Kopenhagen (2 april 1801) uit het verbond trad, nadat het bericht was binnengekomen, dat keizer Paul vermoord was. Zijn opvolger, Alexander I, wilde de politiek van zijn vader niet voortzetten, zodat het gewapende neutrailteitsverbond opgeheven was.

Zowel Frankrijk als Engeland verlangden naar de vrede. Beide landen leden zwaar onder de oorlog. Engeland werd niet door het vasteland gesteund en ook voor Frankrijk begon het er minder gunstig uit te zien. Het gewapend neutraliteitsverbond was uiteengevallen, in Egypte was Kléber vermoord; zijn opvolger leed de ene nederlaag na de andere. Eindelijk kwam in het voorjaar van 1802 te Amiens de vrede tot stand. Frankrijks eer was gered: het trad uit de strijd te voorschijn zonder enig verlies van gebied. Engeland daarentegen moest beloven niet alleen aan Frankrijk doch ook aan de Bataafse Republiek (lees over dit stukje geschiedenis van Nederland maar eens: Komt het land nog in beweging? De jaren 1795-januari 1798. Deel XX. Geschiedenis van Nederland   en  Geschiedenis van Nederland 1780-1825. Het jaar 1798 en kort daarna. Deel VII   ) en aan Spanje de ontnomen koloniën terug te geven, zowel als het eiland Trinidad aan de noordkust van Zuid-Amerika, dat aan Spanje hoorde en Ceylon bij de kust van Voor-Indië, dat op de Bataafse Republiek was veroverd. Alleen de Kaap bleef in handen van Engeland. Malta kwam weer in het bezit van de Johanniterorde.”

**************************************************

Dr. Elze Luikens

De bewerking van enkele deeltjes tekst beperken zich in deze afleveringen tot den en de en mensch en mens, enz. .

Voor vragen kunt u gerust gebruik maken van het in OVER (linksbovenaan de blogpagina) vermelde en aan te klikken emailadres. Het moet helaas zo, want openlijk publiceren van het emailadres leidt tot ongevraagde post vanuit de hele wereld.

U ALLEN, BLIJF GEZOND… EN ANDERS EEN HOPELIJK GOED HERSTEL.

Het lokale bestuur wordt geordend, maar wie wil nog?

Beste blogvolgers, geïnteresseerde bezoekers en passanten: we hebben wereldwijd te maken met ongewone en ongebruikelijke omstandigheden. Waar we volgens de een aan het begin staan van een pandemie, zitten we er volgens de ander al middenin. De inmiddels veel gehoorde oproep om er voor elkaar te zijn spreekt mij momenteel heel erg aan.

Nu bibliotheken en archieven zijn gesloten en niet meer een twee drie  bronnenmateriaal/literatuur kan worden onderzocht kan misschien deze blog degenen die dit aan gaat een beetje voorthelpen: ik heb immers al weer meer dan tien jaar deze webblog zonder dat het de lezer iets meer heeft gekost dan de moeite om de blogs te lezen in de lucht mogen houden.

Het zou kunnen helpen om er nog wat extra bekendheid aan te geven en dan vooral richting diegenen die bijvoorbeeld het vak geschiedenis in hun lessenpakket hebben. U kunt wellicht anderen wijzen op het bestaan ervan. Het is en blijft een openbare ruimte waar denk ik veel te vinden valt, bijvoorbeeld een overzicht van de Nederlandse geschiedenis vanaf 1600 tot in de negentiende eeuw. Of gerubriceerde artikelen/boekbesprekingen, tijdvakken, personen enz., enz. , alles denk ik geschikt materiaal voor onder meer werkstukken. En nu velen meer en meer (verplicht) thuis  zitten en best enig nuttig tijdverdrijf kunnen gebruiken kan er door u wellicht ook op deze website worden gewezen.

Het enige wat ik van mijn kant vraag is dat de gebruiker van het hier aanwezige materiaal wel in zijn/haar werkstuk, lezing of wat dan ook de ander laat weten van wie deze bronnen zijn, wie ze geschreven heeft en waar ze zijn te vinden. In de voorbije jaren heb ik al menigeen op deze wijze mogen voorthelpen met zijn/haar studie, artikel, lezing, voetnoot en wat dies meer zij.

Nu dan de blog van vandaag.

Omdat we meer en meer in de actuele gebeurtenissen uit het begin van de negentiende eeuw gaan duiken, een periode die door Napoleon Bonaparte werd bepaald, zullen we in de komende blogs naast Het leven van Napoleon ook gedetailleerder dan tot nu toe de ontwikkelingen in Gelderland volgen. Ontwikkelingen die op soortgelijke wijze ook plaatsvonden in de andere departementen van het Franse keizerrijk waarvan Nederland sinds 1810 onderdeel was geworden. En dat hield in dat ons land en de afzonderlijke delen ervan gelijkgeschakeld dienden te worden aan de Napoleontische wetgeving zoals die sinds 1801 bestond in Frankrijk. Dat werd allemaal van bovenaf zonder enige discussie of inspraak gewoon domweg ingevoerd.

Zo was het in Frankrijk gebruikelijk dat de lokale bestuurslaag, de maire/burgemeester en zijn personeel, om de vijf jaar dienden af te treden. Dit om er geen bestuurskliek uit te laten ontstaan hetgeen de achttiende eeuw zo kenmerkte en waartegen de voormannen van de Franse revolutie (1789) zich zo hebben verweerd… ik doel op al die oligarchische [lees: bestuurselite] toestanden. Nederland was nu aan de beurt. Zie hieronder hoe dat ging.

Alleen: de regels en voorschriften dienden zo snel als mogelijk te worden in- en doorgevoerd, … maar degenen die het bestuur vormden waren niet altijd bereid datzelfde pad te lopen en kwamen zij het heel voorzichtig hiertegen in het verweer.

 

Rijks  Archief Gelderland, Bataafs-Frans archief 0016 – 4621 t/m 4623. Stukken over de voordracht, benoeming, installatie en het ontslag van maires en adjunct-maires en van leden van enkele gemeenteraden, 1812, 1813: 4621 – arrondissement Arnhem / 4622 – arrondissement Zutphen / 4623 arrondissement Tiel

Uit 0016-4623 neem ik enkele ‘kwesties’uit het arrondissement Tiel onder de loep:

EEN: Maurik

Onderstaande brief uit de arrondissementsstad Tiel werd geschreven en verstuurd op de 12de augustus 1813. Ze kwam van de Sous-Préfet/Onderprefect (Dijkmeester) en was bestemd voor ,,de Heer Ridder van het Legioen van Eer, etc. ” , ofwel prefect R.L. van Andringa de Kempenaer. De inhoud ervan luidde:

,,Hoog Edele Gestrenge Heer!

De Heer J. van Neukirchen genaamd Nijvenheim tot Eck en Wiel, Maire van Maurik heeft mij te kennen gegeven, dat hij uit hoofde van zijne betrekkingen als Kamerheer van Zijne Majesteit den Keizer en Koning, buiten de gelegenheid was den post van Maire behoorlijk waar te nemen, en verzogt dienvolgens dat ik bij UwEdGestr: mogt bewerken dat hij als zodanig honorabel wierde ontslagen; daar het voor de administratie niet dan nadeelig kan zijn, bij aldien hij langer in gemelde functien continueerde.”

TWEE: Buren

Tiel, de derde april 1813; van de Onderprefect, voor de Prefect van het departement van de Boven-IJssel Van Andringa de Kempenaer:

,,Hoog Edele Gestrenge Heer!

De Heer G:Tulleken Maire der Stad Buuren, zeder eenige tijd tot provisioneel Griffier bij het Vrede-Geregt van het Canton Geldermalsen benoemd zijnde, in afwagting der definitieve aanstelling van eenen effectiven Griffier, tot welke functie gemelden Heer aan Z.M. den Keizer en Koning favoravel is voorgedragen-geeft mij bij missive van den 29 Maart l:L: deszelfs bedenkelijkheid te kennen, als of, de post van Maire met dien van provisionelen Griffier niet in een persoon zoude kunnen veréénigd zijn –  verzoekende in dat Cas als Maire van Buuren te worden ontslagen.

Hoe zeer ik de onbestaanbaarheid van de beide genoemde functien niet inzie, en met het verleenen den verlangde demissie konde gesupencedeerd worden, totdat de finale aanstelling tot Griffier zal zijn ingekomen – neem ik echter de vrijheid UwEdGestr:  te proponeren om den Heer Tulleken voornoemd als Maire van Buuren te ontslaan, …..”

Omdat Tulleken’s aanwezigheid bij het Geldermalsense Vredegerecht telkens weer verlangd werd, dit vanwege zijn juridische kennis, stagneerden de bestuurlijke zaken van de mairie/gemeente Buren. Onderprefect Dijkmeester vroeg daarom aan Arnhem knopen door te hakken.

DRIE: Beusichem [een kwestie van een jaar eerder, waardoor duidelijk wordt dat het maire-ambt niet door iedereen werd begeerd]

Tiel, de 20ste juni 1812; de Sous-prefét van Tiel aan Van Andringa de Kempenaer.

,,De Heer N.van Everdingen Maire van Beusichem heeft zich aan mij geadresseerd en te kennen gegeven dat hij gedurende 44 Jaren het land in verschillende administrative en Justitiele betrekkingen heeft gediend, doch alnu wegens zijne klimmende Jaren, en het moeyelijke van de nieuwe administratie van zaken, wel wenschte van den post van Maire te worden ontslagen… .” Het bijgevoegd advies luidde: ontsla de goede man maar van zijn post.

En zo ging dat nog een tijdje door met al die weigeringen in het arrondissement Tiel. In de andere arrondissementen was het niet anders!

Een jaar eerder was alles, op papier tenminste, tot in de puntjes geregeld, hetgeen uit onderstaand archiefstuk blijkt. Er was alleen wel iets in dat jaar 1812 aan de hand. Napoleon begaf zich op het moment van bekendmaken met zijn Grande Armée naar Rusland om er snel een eind aan het tsaristisch rijk te maken én om zodoende één Europa te creëren waar zijn wil wet was of zou worden.

Rijks Archief Gelderland  Bataafs-Frans archief 0016 – 4624. Stukken over de vijf-jaarlijkse vervanging van maires, adjunct-maires en presidenten van kantonnale vergaderingen, 1812, 1813. 1 pak. N.b. Zie voor kantonnale vergaderingen ook de in het Bataafs-Frans archief aanwezige inventarisrubrieken 15.2.2.211 en 15.2.2.212

EEN. In “Fonctionnaires adminidtratifs No. 5″ een brief van de Minister van Binnenlandse Zaken, Comte de l’Empire Montalivet, ,,Parijs, de 1e Juli 1812″, ontvangen 8 juli 1812, vanaf ,,le 1re Division//Bureau du Personnel et des Nominations

(aanhef) Monsieur le Préfet, c’est au 1er janvier prochain que le second renouvellement quinquennal [vijfjaarlijkse] des Maires, Adjoints de Maires et Présidents de cantons, doit avoir lieu, conformément aux dispositions du decrét du 15 avril 1806….

Vous aurez à m’adresser six listes, lesquelles devront être absolument semblables aux modèles que je joins à cette lettre; cette forme vous a déja été indiquée dans le Mod`le général du 10 juillet 1810, modifications N.os 14, 15, 16, 17, 18 et 19. Veuillez vous y reporter.”

TWEE.  Een brief van Intendant d’Alphonse, Amsterdam, 16 september 1812, benadrukt nog eens de betekenis van bovenstaande brief en wijst er nogmaals op dat al de bestuurlijke/administratieve veranderingen binnen 14 dagen op orde moeten zijn.

En dit wijst er weer op dat toen Napoleon zich in Rusland bevond, er achter zijn rug om geen gedoe en bestuurlijke rompslomp mocht plaatsvinden. Alles diende naar voorschrift te functioneren en uitgevoerd te worden. Ik heb wel het idee dat er al verscheidene bestuurders waren die inmiddels de kat uit de boom begonnen te kijken en andere tijden verwachtten. Maar dat zou voor hen toch wat langer duren dan waarop ze heimelijk rekenden.

+++++++++++++++++++++++++

Hopelijk kunt u deze en eerdere blogs in goede gezondheid lezen

Dr. Elze Luikens

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

napoleon-info@hotmail.nl

Het leven van Napoleon. Deel 3. De jaren 1798-1799: Egypte

Om vooraf te lezen: Het leven van Napoleon. Deel 1: inleiding en Corsica en Het leven van Napoleon. Deel 2: Napoleon wordt officier en bewijst zijn kwaliteiten in Italië.

 ,,   Bonaparte bereidt zich voor, Engeland te onderwerpen.

Engeland was het enige land onder de vele vijanden van Frankrijk, dat nog waagde weerstand te bieden en dat met onverminderde strijdkrachten gereed stond om de slag te weren, die Frankrijk, na de overwinningen op Engeland’s bondgenoten, dit land wilde toebrengen. De Engelse vloot had op zee voortdurend gezegevierd, zijn troepen hadden de Franse koloniën stuk voor stuk veroverd. Onder deze omstandigheden was het voor Frankrijk een dwingende noodzaak zich met alle kracht tegen deze mogendheid te keren. Bonaparte zag terstond in, dat de zwakke Franse vloot zich op zee niet met Engeland kon meten en evenmin kon hij met die vloot Franse troepen naar Engeland brengen. Toch wilde hij al het mogelijke beproeven om de machtige vijand een slag toe te brengen. hij besloot daarom met de Franse vloot naar Egypte te zeilen, daar een Frans leger te doen landen en daarmee Azië binnen te dringen om de Engelse heerschappij in Indië te bedreigen.

De tocht van de Franse vloot verliep gunstig en kon door de Engelsen niet verhinderd worden. Onderweg nam Napoleon Malta in bezit, dat nog aan de Johanniterorde behoorde (uit de tijd van de Kruistochten). Met de overtocht over de Middellandse Zee meende Napoleon, dat het ergste voorbij was. Wanneer hij maar eenmaal aan land was, dacht hij, zou hij zijn plannen makkelijk ten uitvoer kunnen brengen en in het begin was vrouwe Fortuna hem dan ook inderdaad gunstig gezind. Aan de voet van de vierduizendjarige piramiden werd een beslissende slag geleverd tegen het daar verzamelde leger: de strijd ging hoofdzakelijk tussen de ruiterscharen van de Mammelukken en Bedoeïenen en de Franse infanterie. De Fransen stelden zich bij de aanval van de Egyptenaren op in een carré en de aanval werd volkomen afgeslagen. De tegenstanders moesten 10.000 doden op het slagveld achterlaten; de rest sloeg op de vlucht. Alles scheen volkomen te gaan volgens de berekeningen van Bonaparte.

Plotseling kwam het bericht, dat de Engelse admiraal Nelson de Franse vloot bij Aboukir volkomen had vernietigd. Bonaparte ontving rustig het bericht van de nederlaag en sprak: ,,De Engelsen willen ons dwingen, groter dingen te verrichten dan wij van plan waren.”

Hier in het zuiden van Egypte echter waar Napoleons hoofdmacht zich bevond zouden zich moeilijkheden doen gelden, die zelfs voor het dapperste leger te zwaar waren. De ergste vijanden waren nl. noch Mammelukken noch Bedoeïenen, maar het brandend hete klimaat en de typische tropenziekten. Ook mentaal werd men gekweld nl. door de onzekerheid, hoe het on Europa stond, want de weinige berichten, die men ontving, waren slechts vaag. Daar Bonaparte [uit Frankrijk] weg was, kon het Directoire [de gematigd revolutionaire regering van dat moment] de binnenlandse toestand niet meer beheersen. Het ergste was, dat Frankrijks vroegere vijanden zich gereed maakten de gelegenheid te baat te nemen door een nieuwe oorlog te beginnen, juist nu het land zijn grootste veldheer miste. Even schaars als de berichten uit Frankrijk waren de tijdingen, die uit het kamp van Bonaparte tot het vaderland doordrongen. Misschien niet zonder reden heeft men het Directoire ervan beschuldigd de tijding te hebben verspreid, dat Bonaparte dood was: zij begonnen te vrezen, dat hij zich op zijn overwinningen zou beroepen en zich tot dictator zou opwerpen.

Inmiddels deed Bonaparte, wat hij kon om de situatie in Egypte zoveel mogelijk te verbeteren; hij nam zowel list als macht te baat om zijn positie te versterken. Zo probeerde hij de Egyptenaren voor zich te winnen; hun nationale en religieuze gevoelens mochten door de Fransen in geen enkel opzicht worden gekrenkt: de tricolore en de halvemaan wapperden vredig naast elkaar. Bonaparte betoonde de grootst mogelijke eerbied tegenover de Islam, zelfs gingen een aantal Franse officieren tot deze religieuze leer over. Werd ergens oproer gemaakt, dan bedwong Bonaparte dat met alle kracht.

In het begin van 1799 meende Bonaparte, dat hij zonder voor een aanval in de rug te hoeven vrezen, Azië wel kon binnentrekken. Hij moest echter na enige overwinningen terugkeren. De Turkse kustplaatsen [de tegenwoordige Israëlische en Libanese kust] konden, geholpen door de Engelse vloot, de Franse aanvallen gemakkelijk afslaan. Bonaparte’s al de megalomaan plan, om Indië langs deze weg te bereiken was verijdeld en in mei 1799 moest hij de terugtocht aanvaarden. Tegelijk met deze bittere nederlaag kwam uit Frankrijk het bericht: ,,De oorlog staat voor de grenzen, Bonaparte moet terugkeren.”Goede raad was duur. De grote veldheer wilde niet in Europa terugkomen zonder Frankrijks positie in Egypte bevestigd te hebben, voor zover dit echter nog mogelijk was. Hij besefte, dat het niet gemakkelijk zou worden om er Frankrijks heerschappij staande te houden. Al twee maanden na de terugtocht van het Franse leger uit Syrië, landde de Turkse vloot, bemand met 12.000 soldaten, bij Aboukir. Zij werden echter door Bonaparte volkomen vernietigd.

Nu kwamen er uitvoeriger berichten uit Frankrijk. De Engelse minister William Pitt had verschillende Europese staten tot een machtige coalitie verenigd; behalve Engeland verklaarden ook Oostenrijk, Rusland en Napels Frankrijk de oorlog. Aanvankelijk streden de Fransen met succes, doch weldra keerden de krijgskansen. Russische troepen onder generaal Soewarow hadden Italië veroverd, al was hun aanval tegen Frankrijk zelf mislukt. ”

Enigszins bewerkt en hier en daar aangevuld, c.q. toegelicht: H. Brugman, H. Fischer, Geschiedenis der wereld, deel V, Amsterdam, Malmö, Kopenhagen, Berlijn, 1928, p. 61-63.

*********************************************************

Dr. Elze Luikens