Het begraven van de gestorvenen

De Intendant van Binnenlandse Zaken, d’Alphonse, wilde, en dat liet hij weten middels een brief dd. 6 juni 1812, geïnformeerd worden over de verschillende gebruiken en gewoonten bij begrafenissen die plaatsvonden in de verschillende rangen en standen van het Gelders departement. De Prefect stuurde dit verzoek door aan de Onderprefecten die op hun beurt de door hen verzamelde gegevens over het onderwerp naar Arnhem stuurden.

De Onderprefect van Zutphen had voor de Prefect een verrassing (13 juli 1812). Hij had namelijk een Plakkaat van het gewest Gelre opgedoken waarin stond dat tegen de gewoonte van bedelaars en zwervers werd opgetreden om bij een begrafenismaal aan te schuiven, zonder de overledene ook maar een beetje te kennen. De Actum van het Plakaat waarover hij het had was van 3 november 1741, maar was voordien ook al eens aangekondigd, zij het, zo bleek, telkens zonder resultaat. De eerste keer dateerde al van 28 april 1712. Dat onderprefect Van der Borch van Verwolde het opnieuw onder de aandacht bracht gaf maar eens aan dat het aanschuiven van de bedelaars een niet uit te roeien gewoonte bleek.

Het Plakkaat luidde:

,,Placaat, Wij Stadholder en Raaden in naame van die Edele Mogende Heeren Staaten des Furstendoms Gelre en Graafschaps Zutphen; DOEN TE WEETEN: Alsoo niet tegenstaande het Verbod bij Placaat van Hooggemelde Heeren Staaten van den 28. April 1712, gedaan/sig bevind/ dat hier en daar ten platten Lande binnen deese Provintie veele onbeschaamde Schoiers en Stoute bedelaars haar niet ontsien in eene groote meenigte van alle oorden als te samen te rotten/ en haar te vervoegen aan de huysen/ waaruit de Dooden ter Begravinge worden gedragen/ en de Erfgenaamen of overgeblevenen als te dwingen tot ’t uitreijken van den overschot der Rouwmaaltijden/ en ook wel van een stuk gelds. “

Dit soort zaken (samengevat) werden door de dorpelingen overwegend als onverdragelijk en lastig ervaren. Het was de bedoeling overlastgevers op te pakken en zo nodig een enkele van hen op te sluiten tot afschrikwekkend voorbeeld voor de overigen.

De Onderprefect stelde eigenlijk, gezien de situatie in zijn arrondissement 4,voor de oude maatregel per direct opnieuw in te voeren.

Wat voor ‘kwalijke zaken’ zich verder zoal voordeden na iemands overlijden, weten we uit een brief, dd. 25 juni 1812, geschreven door één van adjunct-maires van Winterswijk, in eerste instantie bestemd voor de Zutphense onderprefect..

,,Het was hier zints lange Jaaren de gewoonte, zoo dra er iemand is gestorven, dat alles uyt de Buurt word opgeroepen tot getuigen van den doden, dan begint het zoo min volgende bij een Sterf-geval, men beschinkt elkanderen, en zelden dat niet iemand beschonken Huiswaards inkeert.

,,Het appart overluijden van den Afgestorvene besteld een tweede Zamenkomts waarop niet minder word gedronken, en die in een drinkpartij ontaardt. Daarna volgt het nog meest buitensporige gebruik, het geeven van het zogenaamde groevenmaal, waartoe genodigd worden, al na dat de overledene was bemiddeld, een gansche Buurschap niet zeer zeldzaam meerdere te zamen, of ook wel eens, wanneer een rijken sterft, het gansche Kersspel Winterswijk gebeurde stukken , dat zoms twintig, ja meer als dertig tonnen bier, behalven zoveel Sterke dranken als dan gedronken worden, en dan geen wonder, gelijk de ondervinding heeft bewezen, dat reets menige Familie door slegt geplaatsten ijver opgespoord, daar door zig in schulden gestoken, en haar ondergang bespoedigd heeft, men zou het Jaarlijks kunnen toonen, dat de kosten van een groeve maal zom tijds loopen boven vier honderd Guldens. Behalven zulke nuttelooze kosten, zijn het juist die parteijen die in dronkenschap het meest ontaarden en die gewoonlijk duuren tot in den laten nagt. Dit zijn de reden Mijn Heer waar om wij toen de besmettelijke Ziekte in’t voorleeden Jaar alle zamenkomsten moest verbieden bij ons arrèté van 12e October 1811………. W.J. de Haes adjoint.”

+++++++++++++++

Dit artikel is tot stand gekomen via samenvattingen en letterlijke citaten van gegevens ontleend aan: Rijks Archief Gelderland, Bataafs-Frans archief, inv.nr. 0016-5962. Stukken over de aan de Intendant van Binnenlandse Zaken verstrekte opgave van bestaande plaatselijke begrafenisgebruiken, 1812, met als bijlage een plakkaat van het gewest over het verbod aan bedelaars en zwervers zich te vervoegen bij rouwmaaltijden, 1741. Gedrukt. 1 omslag

+++++++++++++++

dr. Elze Luikens

+++++++++++++++

Het is niet de bedoeling om de blogserie voort te zetten. Deze blog zorgt er enkel voor dat WordPress, waar alles bij is ondergebracht, niet de hele boel uitzet. Dat zou toch jammer zijn, gezien de vele informatie over de Bataafs-Franse tijd die hier ‘for free’ te vinden is.

Een blik op de benoemingen van schoolmeesters in de Franse tijd

Een voorbeeld van hoe in de Franse tijd (1810-1813) gehandeld werd, wanneer er een onderwijzersvacature ontstond:

Een.

,,26 februari 1812, no. 266

De Sous Prefet van Zutphen

aan den Heer Prefet van het Departement van den Boven-IJssel.

Hoog Edel Gestrenge Heer!

De Kerkenraad van Vasseveld mij geadieerd hebbende, bij de Missive welke ik de Eer heb bij deze aan UWEdG optezenden; oordeelde ik de consideraties voor deze zaak van de Schoolopziener van het District te moeten in nemen, welke de vrijheid neeme bij deze insgelijk aan UWEdG te doen toekomen. Deze consideratien met den vereischten aandagt overwogen hebbende, kan ik mij hoovdzakelijk met dezelve vereenigen, daar het mij voorkomt dat inhet Stuk van het lagere Schoolweezen alles tot dus ver beschouwd moet worden, nagenoeg op den ouden voet gelaten te zijn.

Waaruit egter mijns inziens mede voortvloeit, dat wegens de vacature behoorlijke annonce moet geschieden, terwijl hoezeer de aanmerking van den Schoolopziener in abstracto waarheid moge bevatten, daarin geene Grond tot eene Dispensatie ligt, die zoo zij nodig ware, alleen door hogere magt zoude kunnen worden verleend, waartoe instantien te doen, mij in dit geval even ongepast als overbodig voorkomt.

Ik verzoek weegens deze anvraag met UWEdG goedvinden te worden vereerd en verblijve met verschuldigde hoogachting

Hoog Edel gestrenge Heer

UwEdg. onderdanige en Gehoorzame Dienaar

APRC v.d. Borch”

TWEE.

,,Schouwenburg, 8 december 1812

Van de Maire van Oldebroek aan de Prefect.

Daar met de nieuwe organisatie van de Primairen Commune Schoolen, de Schoolonderwijzer van mijnen Gemeente, welke geen excamen heeft kunnen doen, waarschijnlijk niet gecontinueerd zal worden, zo neeme ik de vrijheid bij deze den persoon van Hendrik Jacobs de Hen welke reeds als schoolonderwijzer te Oosterwolde fungeerd, en voor eenige maanden een zeer goed examen heeft ondergaan, aan UHoogEdGestr. goedgunstige Protectien te recommenderen tot het bekomen van den post van Schoolmeester te Oldenbroek; het zoude mij zeer aangenaam zijn, gemelden persoon alhier geplaatst te zien, daat zijn zedelijk gedrag mij bekend is, en zijnen capaciteiten van groot nut voor den jeugd alhier zoude zijn.

J.H. van Spaen.”

DRIE.

Zoelen, 28 juli 1813. De maire aan de Prefect.

Kort samengevat: in het Staatkundig dagblad van het [Gelders] Departement (dinsdag 13 juli, 1813, no. 84) stond een advertentie waarin te Wadenoyen een schoolmeester/koster werd gevraagd en men zich moest melden bij de plaatselijke predikant J.H. van Hulstein om op 11 augustus a.s. een examen te komen afleggen. Deze advertentie, hoewel niet ondertekend, zou afkomstig zijn van A.G. van Borselle, die in het bezit gekomen was van de goederen van de ,,Gewezene dagelijksche Heerlijkheid Wadenoyen… en ‘gedacht heeft’ dat dit aloud benoemingsrecht” ook aan hem was toegevallen. De maire was vierkant tegen deze gang van zaken, ,,Dat, daar het in het algemeen, als UHoogEd. Gestr. kennelijk, een waarheid is, dat de Heerlijke regten zoo wel bij het voormalig Hollandsch Gouvernement, als bij de Fransche Regeering zijn afgeschaft, en vernietigd geworden.” Bovendien stond de Schoolonderwijzer op het budget van de gemeente, en wel voor 40 gulden… en zijn woning en schoolvertrek zijn eigendom van de gemeente, want , ,,na de Watervloed in 1809 uit de Kas der Gemeente gebouwd.”

Als mocht blijken dat Van Borssele alle benoemingen (onderwijzer, koster, predikant) zijn toegevallen na de aankoop van de voormalige heerlijkheid, wil de maire hiervan wel graag op de hoogte worden gebracht. En dat gold ook voor alle kwesties die de gebouwen aangaan. En de boomgaard en het betalen van de onderwijzerstractementen.

Uit onderzoek bleek echter dat de heer Van Borssele inderdaad ook de collatierechten had ‘op’gekocht, ma.w. de geplaatste advertentie was terecht geplaatst.

+++++++++++++++++

Bovenstaande gegevens, citaten, c.q. samenvattingen zijn ontleend aan: Rijks Archief Gelderland, Bataafs-Frans archief, inv.nr. 0016-5903. Stukken over de benoeming van schoolmeesters te Laren, Oldebroek, Varsseveld en Wadenoijen en over het ontslag van J.D. Brakenburg als schoolmeester te Putten, 1812, 1812. 1 omslag

+++++++++++++++++

dr. Elze Luikens

H. Luikens-de Kruif

Bovenstaand artikel is niet bedoeld als voortzetting van de blogserie, maar wel om de blogpagina’s bij WordPress ondergebracht ‘in de lucht’ te houden, zodat veel onderzoekmateriaal over Nederland en België in de Franse tijd beschikbaar blijft.

Nog één slotaccoord: het einde van Napoleon (in beeld)

Dit was na 334 blogs het voorlopig, beste mensen. De bloginhoud zal alleen dan blijven bestaan, zolang ik eenmaal per half jaar een nieuwe blog schrijf. Dus dat zullen we dan maar doen. En natuurlijk, bedankt voor het al die jaren volgen van mijn website.

Au revoir!

dr. Elze Luikens en H. Luikens-de Kruif

Oranje-Snuifjen, oftewel: Napoleon aangeboden door de Nederlandsche Maagd.

Op de wijze van: De wereld is in rep en roer.

,,O, groote Koopman in Tabak! Vrees niet voor mij, ‘k ben geen Kozak,

Mijn spies zal u niet deeren: Laat door de Nederlandsche Maagd,

Eens door u uit haar Tuin verjaagd, Een Snuifje’ u presenteeren.

’t Is gloed-Oranje van coleur, Maar ’t heeft den ouden lekkren geur,

Uw neus hoeft niet te schromen; Die kleur draagt elk op hoed en borst

In Neêrland thans; – gij niest? o Vorst! Het moge u wel bekomen!

Een Telg van ’t echte Oranjebloed Beschermt nu weêr mijn bloed en goed:

Hij heeft zijn recht hernomen; Mijn Nederland is weder vrij; –

Gij niest alweêr? Ik wensch u blij: Wel moog’ het u bekomen!

De Rus, de Pruis, de Brit, de Zweed, Zij weren van mijn Tuin al ’t leed,

Waarvan gij licht mocht droomen; Gij niest? wel man! wat ik u biê,

Is beetre, waar toch dan Regie; – Wel moog’ het u bekomen!

Het Rijnverbond is naar de maan; Jeroenbroêr is naar huis gegaan;

Hoe kwelt men thans de vromen! Het Hammenrijk, dat is hij kwijt;

Gij niest? ’t Is immers niet van spijt? Wel moog’ het u bekomen!

Of wilt gij liever Spaansche snuif? Broêr Jozef, tam gelijk een duif,

Is kroon en land ontnomen; Hij heeft den Droes van Wellington; –

Gij niest alweêr, Napoleon? Het moog’ u wel bekomen!

Uw stiefzoon, voor uw rijk beducht, Ziet reeds den vijand, wijl hij vlucht,

Itaalje binnenstroomen; Hij schreeuwt om hulp, eer hij ’t verliest:

Ei, zend hem volk… Maar hoe, gij niest? Het moge u wel bekomen!

Uw Zwager Jochem kijkt, heel vroom, Aan huis het katjen uit den boom,

Maar zit toch niet te droomen: Dra volgt hij ’t spoor van Karel Jan,

Dien dappren Held… Gij niest ‘er van? Wel moog’ het u bekomen!

Nu nog een snuifjen? … Wilt gij niet? ’t Is of het niezen u verdriet,

Ik zal u niet meer deeren; Stel Nederland slechts uit uw kruin,

Laat me onverhinderd in mijn Tuin, En Willem ’t Volk regeeren.

Ei, ga dan heen, maar kom nooit weêr, Of vrees voor mijn geduchte speer;

Pak voor altijd uw biezen, Of wacht, zoowel van klein als groot,

Een krachtig Snuifje kruid en lood, Waaraan ge u dood zoudt niezen.”

,,V. Loosjes. Geb. te Haarlem in 1786, en daar later als boekhandelaar gevestigd tot hij den 4en Maart 1827 overleed. Een bundel “Dichtproeven” gaf hij in 1817, een deeltjen “Zedekundige Uitspanningen” in 1822 uit” Zie hiervoor: dr. J. van Vloten, Keur uit Neêrlands Dicht en Ondicht der negentiende eeuw.

++++++++++++++++++++++++++++++

dr. Elze Luikens

H. Luikens-de Kruif

Napoleons straf.

,,Waarde vrienden! ’t is dan zeker, Nap is eindlijk in de val,

En een ieder vraagt nieuwsgierig, Wat er van hem worden zal?

,,Hij moet voor den kop geschoten”, Is schier ’t algemeene woord,

,,Hij, die millioenen menschen, ,,Om zijn heerschzucht, heeft vermoord”.

Vrienden! zou ik twijflen kunnen? Neen, ik houd het voor gewis,

Dat dit ook, zooals wij hier zijn, Onzer aller meening is,

Maar moet ik u toch vertellen, Welk een straf een geestig man,

U niet onbekend, Mijn Heeren! Uitvond voor dien Aartstyran.

,,Laat hem”, sprak hij, ,,voor zijn zonden, ,,In een schamel kruyers-pak,

,,Torschen, slepen, kruyen, hijschen ,,Koffij, suiker en tabak.

,,Maar hij moet geen snuifjen nemen, Dan van Amersfoortsche waar;

En men maak’hem voor zijn koffij ,,’t Lekker chicorei-nat klaar.

,,Suiker? daar’s niet aan te denken: ,,’t Stelsel van het vaste land

,,Duldt het niet; men geeft hem somtijds ,,Slechts een beete-kroot in hand.

,,Laat hem zuigen, laat hem drukken, ,,Laat hem likken aan die knap,

,,En, bij’t zuchtend binnen-slikken, ,,Vraag’ men: is ’t niet lekker, Nap?

,,Zoo doorleef hij vele maanden ,,In een welverdiende straf,

,,Hij, die ons voor suiker kroten, ,,Chicorei voor koffij gaf.”

,,J. ten Brink. Geb. te Amsterdam in Sept. 1771, student in de Godgeleerdheid en Oude Letteren daar en te Leiden, toen een poos op Staatsgebied werkzaam, in 1796 Praeceptor, in 1799 Rector, in 1804 Professor te Harderwijk; daarna in 1812 Rector te Haarlem, en sedert 1815 Hoogleeraar in de Oude Letteren te Groningen, waar hij den 2en Oct. 1839 overleed. Zijn ‘Gedichten’ zagen in 1823 het licht.” Uit: dr. J. van Vloten, Keur uit Neêrlands Dicht en Ondicht der negentiende eeuw.

+++++++++++++++++++++++++

dr. Elze Luikens en H. Luikens-de Kruif

Schermpost napoleon-info@hotmail. nl [zelf intikken]

Stukken over de opheffing van de academie van Harderwijk en de inbezitneming van de goederen der voormalige academie door de Prefect t.b.v. de Keizerlijke Universiteit, 1812, 1813. 1 omslag (R.A.G., Bataafs-Frans archief 0016-5889. Het onderwijs; deel 1

Napoleon besloot tijdens zijn rondreis door Nederland (september-oktober 1811) dat het in zijn ogen verouderd academisch onderwijs op de schop moest en gelijkgeschakeld worden aan het Franse systeem. Dit trof ook de universiteit van het Gelderse Harderwijk. Iemand die de teloorgang van de Harderwijker Academie wil beschrijven heeft aan dit dossier meer dan genoeg. Ik ga in deze blog in op het persoonlijke, financiële aspect. Het was dan ook niet niks dat een aantal mensen ineens hun baan en roeping kwijt raakte.

Een. Het belangrijkste document, ongedateerd en niet geadresseerd, maar van de professoren die het aanging is tekenend voor hetgeen zich aan de Academie heeft afgespeeld.

,,(1811) Concideratien concernerende het bijzonder belang der Professoren aan de Academie te Harderwijk.

Ten opzichte van het voorledene: betaling te mogen ontvangen van het nu sedert November 1810 verstreken traktement.

Voor het tegenwoordige: Het traktement te mogen behouden zoolang hunne werkzaamheden voortgaan. En wel 1e. voor de laatste maanden van dit jaar 1811; want het Decreet van Z.M. bepaald wel de toekomstige nieuwe vestiging van twee nieuwe academien [Leiden, Groningen, E.L.], maar niet de vernietiging der bevorens bestaan hebbende. Deeze zijn reeds vernietigd, door het organiek Decreet van Wijnmaand 1810, waar in bepaald is, dat zij tot ultimo December in werking zullen blijven. Tot daar aan toe vertrouwen dus Professoren hun traktement te zullen behouden. En 2e. voor de eerste maanden van 1812, indien Professoren gechargeerd worden den cursus te voltooijen, hopen zij ook dat daar bepaald worde, met het behoud van hun traktement. Voor het toekomende hopen Professoren en verwagten aan de nieuwe akademie te zullen worden geplaatst, in dezelfde betrekkingen. Immers bevorens door het gouvernement beroepen en met het zelve hebbende gecontracteerd, hebben zij aan dit contract andere en voordelige engagementen opgeofferd. Deze gelegenheden zijn voorbij gegaan en nu zoude, zonder nieuwe plaatsing, voor hun en hunne huisgezinnen, niets overblijven dan behoefte. Deze plaatsing hopen zij dat zijn zal in dezelfde betrekkingen, daar dezelve aan mindere etablissementen voor hun niet minder vernederend zoude zijn als voor de Profesoren der Leidse universiteit als hebbende de zelfde rang en dezelfden diensten aan den staat bewezen.”

Tot zover de professoren.

Twee. Nu de stad Harderwijk.

,,(1811) Ideen concernerende het behoud van hoger publiek onderwijs te Harderwijk.

Onderscheidene takken van publiek hoger onderwijs zouden na Keizerlijk Decreet zelfs, waar bij de oprigting van 2 nieuwe academien bepaald is, in Harderwijk gevestigd kunnen worden. 1e. Harderwijk zou grootlijks reden hebben te hopen dat het geheele hoger onderwijs niet wierd vernietigd, als zijnde dit de genoegzaam eenige bron van bestaan op welks vernietiging de zekere ondergang der stad volgen zal.”

Waarop een opsomming volgt van al het goeds dat de stad bood voor hoger onderwijs. Gewezen werd op de ligging, de gebouwen, de kwaliteit van de professoren, de enige academie in het departement Van de Boven-IJssel, enz. Wellicht zou een specialistische vorm van onderwijs er voor in de plaats kunne worden gevestigd? ,,Zoo is bijvoorb. te Straatsburg eene geneeskundige school.”

Drie. De ontmanteling van de gebouwen – blijkens een schrijven dan 27 maart 1812 – werd alvast in werking gezet. De maire van Harderwijk, J.C.F. de Vries, probeerde onmiddellijk uit alle macht de door de Inspecteur der Domeinen uit te voeren inventarisering en een erop te volgen verkoop tegen te houden. Hij schreef aan de Prefect dat het wel eens best zo zou kunnen zijn dat er alsnog de een of andere vorm van hoger onderwijs in de stad zou blijven of komen. Het zou dan toch zonde zijn al die spullen in de verkoop te doen? De Prefect echter besloot desondanks en tot zijn spijt een voorlopige toestemming voor verdere inventarisatie en vervolgens de verkoop van die inventaris te moeten verlenen. Hieruit blijkt maar weer eens dat de prefecten van de departementen niet veel meer waren geworden dan uitvoerders van Napoleons decreten. Waar de Trias Politica [Montesquieu], ofwel de Wetgevende, Uitvoerende en Rechterlijke macht in het begin van de Franse en later ook de Bataafse revolutie uit elkaar werden gehouden – althans dat werd met veel ijver geprobeerd; vooral in het begin – werd het onder de Franse keizer een door hem persoonlijk beheerste almacht, waarvan prefecten, ministers, maires en rechters slechts de uitvoerders dienden te zijn. Het zou nog decennia duren voordat de scheiding der machten niet enkel een theoretische maar ook een praktische uitvoering kreeg. In ons land was het met name J.R. Thorbecke die deze staatsombouw wist te realiseren. En wat zien we nu, anno 2021?

Vier.

,,Harderwijk den 30 Maart 1812.

De Professoren der Universiteit van Harderwijk

aan

den Heer Prefect van het Departement van den Boven-IJssel.

Mijn Heer de Prefect!

Wij achten ons verpligt, U bij dezen kennis te geven, dat wij op den 26 dezer eene missive ontvangen hebben van Zijne Excellentie den Groot-Meester der Keizerlijke Universiteit, waarbij Z.E. ons uitnoodigt, om onze werkzaamheden voort te zetten tot het tijdstip van de installatie der nieuwe Akademien, van oordeel zijnde, dat de suppressie der oude etablissementen van openbaar onderwijs niet vroeger behoort plaats te hebben. Ons verbonden rekenende, om aan deze uitnoodiging te voldoen, zullen wij eerlangs onze werkzaamheden weder beginnen, die wij sedert den 25. der vorige maand gestaakt hadden.

Wij verzoeken en vertrouwen, Mijn Heer de Prefect! dat Gij gaarne alle middelen, die in uw magt zijn, zult in het werk stellen, ten einde ons tractement voortdurend te verzekeren.”

Het resultaat was vooralsnog dat wat er in Drie beschreven staat.

Vijf.

En zo liep de kwestie nog een tijdje door. Echter: de sluiting was en bleef definitief en onomkeerbaar. Alhoewel Harderwijk in de jaren daarna werd toegezegd dat het zou worden gecompenseerd met de oprichting van een Latijnse school, zoals Deventer er ook één binnen haar stadsmuren had.

Omdat de Prefect wilde weten, hoe hij dan wel een en ander moest afwikkelen (gebouwen, meubilair en bezittingen) schreef hij hierover een brief aan de onderwijsman, van enige betekenis in Nederland, Van den Ende. Deze liet weten eerst met een inspectieronde bezig te zijn; hij zou pas nà zijn terugkomst kunnen antwoorden op de prangende vragen van R.L. van Andringa de Kempenaer.

Op 16 oktober 1812 was het zover. Er arriveerde in Arnhem een brief van de Inspecteur Generaal van de Keizerlijke Universiteit in Holland (geschreven in Haarlem). Allereerst werden excuses aangeboden voor het late antwoord. Wat bleek verder: er was veel geëmotioneerd gedoe om niks, want in het schrijven werd erop gewezen dat de Prefect ongetwijfeld al een missive van de rector van Leiden, de heer Brugmans, in zijn bezit moest hebben waarin stond dat de staat van de Harderwijker academiegebouwen, de beschreven bezittingen enz. zouden overgaan naar een op te richten Latijnse school [een soort gymnasium]. ,,Wat bijzonder het behoud der gebouwen en verdere eigendommen tot het gesupprimeerde [ingetrokken] Universiteit van Harderwijk behoord hebbende, ten dienste van het aldaar opterigten Collegie aanbelangt, Geern zal ik, Mijn Heer de Prefect, uit overtuiging van de billikheid van dit verlangen van den Heere Maire dier Stad, daaraan van mijne zijde trachten bevorderlijk te zijn, en er bij gelegenheid van het algemeene rapport wegens geheel deze zaak, Z.E. den Groot-Meester inteleveren, de noodige voordragt omtrent te doen.”[w.g. Van den Ende]

Hiermee leek de zaak opgelost. Veel gedoe om niets zou je zo zeggen, ware het niet dat we wel op het eind van Napoleons heerschappij over de Nederlanden zitten. Het was dan ook koning Willem I die de Harderwijkers enige zekerheid gaf. Maar tijdens dit touwgetrek was al wel een deel van de Universiteitsbibliotheek van het Zuiderzeestadje richting Deventer Latijnse school gegaan wat op haar beurt nog een (eigendoms)staartje kreeg.

+++++++++++++++++++++

dr. Elze Luikens (c)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

Schermpostadres: zie in de tekst OVER bovenaan de blogpagina.

Foto door Todd Trapani op Pexels.com

Bomen vellen en vervoeren. Deel 2

Het dossier dat in deze blog uitvoerig wordt besproken wordt benaderd vanuit degenen die het allemaal persoonlijk aanging. We zien ook een confrontatie tussen hen die leiding gaven aan het noodzakelijk geachte bomentransport en hen die het onmogelijke ervan inzagen en begonnen tegen te werken. Niet in de laatste plaats vanwege het feit dat er berichten uit Duitsland binnen sijpelden die duidelijk maakten dat Napoleon wel eens bezig zou kunnen zijn met zijn laatste veldslagen. In het Rijks Archief Gelderland is e.e.a. terug te vinden in inventarisnummer 0016-5879. Bataafs-Frans archief. Stukken over het vellen en vervoeren van bomen uit de (kroon)domaniale en gemeentelijke bossen voor de verdediging van Deventer, 1813. 1 pak. De bespreking ervan is een vervolg op mijn vorige blog en kan als één geheel worden gelezen.

Eén. De voorbereiding ter armering [in staat van verdediging brengen] der stad Deventer. Hoogbuurlose Bosch. April 1813. ,,Op Order van den Heere van de Wall Inspecteur Verificateur der Keizerlijke Kroon Domeinen, in het Zuiden van Holland, is door mijn Ondergetekende Bosch-Wachter van de Keizerlijke Kroon-Domeinen Loo en Hoog Zoeren, in de maand April 1813 het volgende werk gedaan, Teweten… In het Hoogbuurlose Bosch de Bomen die tot het armeeren der Stad Deventer moeten dienen uitgenummert met Witte Verf. Daartoe gebruikt van de Baas J. Dekkers, op het Loo, 18 Pond verf ad 7 Stuivers per Pond f.6;6;- Een arbeider tot hulp genomen 2 1/2 dag tegens 12 Stuivers daags f1;10.” Ondertekend door G: Berends Eikendal.

Een enkele tussenopmerking: in het tijdvak april-juni 1813 was het nog ongewis hoe de zaken er voor Napoleon voor zouden komen te staan; toch was er sprake van enige haast. Het blijkt echter uit de aanwezige brieven dat de uitvoering van de strategische plannen zich voorlopig in alle stilte dienden te voltrekken. Alleen de direct betrokkenen wisten ervan maar zullen wel een zekere zwijgplicht hebben moeten naleven.

Twee. Uit een kladbrief dd. 27 april 1813 aan de Gelderse prefect blijkt dat de logistieke [vervoer] routes van het houttransport over Dieren en Het Loo naar Deventer zullen gaan.

Art.2 luidt: ,,Les maires d’apeldoorn et Dieren fourniront les voitures necessaires pour faire transporter chaque jour les Bois coupés la veille.” En in art. 3 staat dat indien er door de burgemeesters van genoemde plaatsen niet voldoende wagens beschikbaar kunnen worden gesteld ze de omliggende mairies Beekbergen, Vaassen, Loenen, Twello, Doesburg, Angelo, Steenderen en Brummen moeten verzoeken onmiddellijk bij te springen. De algehele leiding van de nog geheime operatie kwam op de schouders te liggen van de Apeldoornse maire Gunningh en zijn Dierense collega.

Drie. Sous-préfet Sullivan de Grass deelde 29 april 1813 mee dat er door Dieren 1327 boomstammen tegen een kostprijs van 4447 francs moesten worden geleverd, inclusief mannen, kapwerk, transport, paarden, wagens en menners. Voor Apeldoorn zijn de gegevens minder duidelijk, maar wel staat het bedrag voor de verschillende werkzaamheden vast: 1500 guldens oftewel 3150 francs. [minder bomen?]

Vier. Apeldoorn, 2 mei 1813, maire Gunningh aan de Prefect [lees hiervoor ook de vorige blog]. Er woedde, zo blijkt uit dit schrijven, ook nog een discussie over de vergoedingen.

,,Ik heb heden om te voldoen aant Art.4 van UHEG besluit [zie Twee.] d:d: 27 April ll. enige daghuurders tot’t omhakken der Boomen en Boeren om dezelve te transporteeren doen bij mij komen, om met hun over de prijsen der daghuuren te spreeken, dezelve hebben mij als uit eenen mond verklaart, dat, indien vervoering niet binnen 8 dagen was afgesloten Zij’t dan niet konden doen uit hoofde van de zaaying der Boekweit waaraan hun alles hing, voor een geheel jaar, dat men door geweld alles kon gedaan krijgen, maar dat zij dan ook meer als halfgeruineerd waaren, dat zij volstrekt niet wilden of konden rijden nog werken, indien zij niet de verzekering hadden dat ’t geld in mijne handen was… .” [m.a.w. boter bij de vis]

Een enkele tussenopmerking: uit de verschillende brieven die na april 1813 werden geschreven komt bij mij het beeld naar voren dat op lokaal niveau niemand echt haast maakte de besluiten van hogerhand te willen uitvoeren. Zo blijkt uit de langdurige correspondentie tussen Commandant Morles van de Deventer genie en prefect Van Andringa de Kempenaer dat het enkel ging over: hoe en wanneer en waarvoor en door wie en hoeveel. Er is hieruit een stroperigheid waar te nemen, die de legerleiding wanhopig en tegelijk ook woest moet hebben gemaakt. Het had er allemaal veel van weg dat iedereen zijn best deed zo weinig mogelijk te willen doen. Niemand wilde zich zo lijkt het een buil vallen.

Vijf. 19 mei 1813. Rentmeester A. van Rheemen, uit Dieren, schreef aan de Gelderse prefect dat er f. 400 in de kas van de Keizerlijke Domeinen moest worden teruggestort. Volgens de zich ermee bemoeiende heer Intendant d “Alphonse dan, omdat deze de verrichtingen van de rentmeester niet goedkeurde. Het precieze ervan wordt niet helemaal duidelijk, maar in zijn verweer tegen de bemoeizucht van de Intendant schreef hij aan de Prefect dat hij, de rentmeester van de Kroondomeinen, juist meende te hebben gehandeld. Uit het schrijven komt vooral naar voren dat hoe langer de belangrijke bestuurders met de bomentransportkwestie te maken hebben hoe zenuwachtiger ze ervan worden. En wel helemaal wanneer er zich ook nog een hooggeplaatst iemand als de Intendanter zich mee gaat bemoeien.

Overigens: in de meimaand dat jaar viel de uitvoerige correspondentie over de kwesties nagenoeg stil [Bautzen?] om begin augustus weer volop verder te gaan.

Zes. 9 september 1813, Apeldoorn, een brief van de Apeldoornse maire. Hij liet de Prefect weten dat hij pas dan kon overgaan tot het laten rooien van de bomen in de Keizerlijke Kroondomeinen, wanneer de heer Van der Wall, de Verificateur, hiervoor van diens superieuren toestemming had gekregen. [Wat een gospe]. Mij lijkt het erop dat er een spel gespeeld werd met de autoriteit van de Prefect, ondanks dat diens artikelprogramma uit april niets aan duidelijk te wensen overliet.

Zeven. De problemen spitsten zich nu helemaal toe op de in Apeldoorn ontstane situatie. Nog eenmaal trachtte de Prefect zijn gezag er te doen gelden: ,,De Ridder enz. …. vernomende hebbende dat het requireren van wagens ten behoeve der vervoeringen van hout voor de vesting van Deventer in de Gemeente van Apeldoorn eenig oponthoud ondervind….. In aanmerking nemende de groote onheilen welke hieruit zoo voor’s Rijks dienst, als voor dit Dep.t zouden kunnen ontstaan….. Besluit… Den Maire van Apeldoorn te gelasten om zorg te dragen, dat te beginnen van morgen vroeg den 25 dezer zich dagelijks ten behoeve van de aannemer der houthakking in het Hoog Buurlosche Bosch klaar bevinden, het aantal wagens door denzelve gerequiereerd wordende en zulks tot agttien ingesloten makende alzoo voor de heen en weder reize naar Deventer zes en dertig wagens; wordende aan gem. Maire de faculteit gelaten om ten einde de onwilligen te contrineren de noodige adsistentie der Gendarmerie te requrerern en dezelve voor alle verzuim in dezen persoonijk verantwoordelijk gesteld, terwijl eter de Prefect vertrouwd dat de billijke prijs in gevolge tarif voor het gebruik der wagens betaald wordende en de ijver voor’s Lands dienst van gez. Maire in deze allen verdere dwang onnodig zullen maken.”

Eenmaal op transport wilde het [na de Volkerenslag bij Leipzig, 16-18 oktober] wel eens gebeuren dat er per abuis een of meerdere boomstammen kwijtraakten. Boze tongen beweerden dat lokale boeren deze boomstammen in hun schuren opborgen; in ieder geval aan het oog onttrokken. De afgedwongen gedisciplineerdheid tot dan maakte geleidelijk aan steeds vaker plaats voor burgerlijke ongehoorzaamheid. In no time verdween het Franse militaire gezag in deze streken. Dit tot grote frustratie van de Napoleonaanhangers. Toch bleef er een algehele onzekerheid hangen over de kansen die konden keren ten voordele van Napoleon.

Tot zover het militaire gedeelte. Nu komen onderwerpen als onderwijs, landbouw, visserij, wonen, wegen, tijdschriften entc. aan de orde. Meer en meer het leven van alledag dus.

++++++++++++++++++++++++++

dr. Elze Luikens (c)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

emailadres: even zoeken in Over, bovenaan de blogpagina.

De IJssellinie wordt in de loop van 1813 in gereedheid gebracht. Deel 1

Zoveel was Napoleon begin 1813 al wel duidelijk geworden: hij deed er, wanneer in de loop van het jaar de slag om Duitsland en de toegang tot zijn Keizerrijk zou plaatsvinden, verstandig aan om op nog een tweede verdedigingslinie te kunnen terugvallen. Zijn keuze voor allerlei eventualiteiten viel al tijdens zijn rondreis door Nederland (september-oktober 1811) op de rivier de IJssel en een op te richten verdedigingslinie die zou kunnen bestaan uit de steden Zwolle, Deventer, Zutphen, Doesburg en ook Arnhem. Uiteindelijk viel de keuze op Deventer dat zoals we zullen zien in grote haast hiervoor in gereedheid werd gebracht. En omdat het om uitgebreide archiefinfo gaat, heb ik me voorgenomen het gebeurde in twee artikelen te behandelen. Vandaag deel 1. Het was dan ook een niet onbelangrijke kwestie.

De titel van archiefstuk 0016-5878. Stukken over de versterking en de bevoorrading van Deventer, 1813. 1 omslag, Bataafs-Frans archief, berustend in het Rijks Archief Gelderland dekt niet helemaal de lading. Het had ook de titel ‘wie mag nog bevelen geven en naar wie wordt niet meer geluisterd’ kunnen krijgen.

De kwestie was dus -in hoofdlijnen – hoe regelt het lokaal bestuur het de steden die hiervoor in aanmerking komen direct om te bouwen tot verdedigingsbolwerken, wanneer de Grande Armée zich onvermijdelijk zou moeten terugtrekken richting het (zuid)westen. Ook diende de bevoorrading op orde te zijn voor zowel voor de manschappen als de paarden. Gedacht moet worden aan vlees, aardappelen, tarwe, hooi en stro. Voldoende munitie was een zorg van het leger zelf.

De steden die in aanmerking kwamen waren onder meer Den Helder, Delfzijl, Culemborg én Deventer. Rondom laatstgenoemde stad zouden, zo was het plan palissadepalen worden aangelegd. Het hout hiervoor was voldoende aanwezig op de Veluwe, zo was de gedachte. Maar voordat de lading in de IJsselstad zou aankomen moesten de boomstammen eerst worden vervoerd, iets waarvan de regionale legerleiding vond dat ze daarbij geholpen diende te worden door lokale boeren samen met hun paarden en wagens. En dat terwijl de oogsttijd was aangebroken. De boeren kregen een geldelijke vergoeding toegezegd, maar de uitbetaling ervan stokte, zo bleek al gauw, voortdurend. Daarnaast werden ze door (Waalse en Franse) begeleiders meerdere malen uiterst grof bejegend en regelmatig onder zware bedreigingen aan de pittige klus gezet. In deze blog leg ik allereerst en vooral de nadruk op de worsteling van het (lokale) bestuur met de plots ontstane situatie, vooral zoals die in november 1813 zich voordeed.

Een. Een kladoverzicht van 8 september 1813 bevat de volgende inhoud: naar aanleiding van een brief van Z.E. de Minister van Binnenlandse Zaken, dd. 30 augustus 1813 moest vanwege de omstandigheden onverwijld begonnen worden met het rooien van bomen “pour l’armement de la ville de Deventer sur le font de ce Dep.t” Dit zou al besloten zijn in 1812. [Denk aan Napoleons rondreis: Napoleon in Gelderland; eind oktober 1811 (deel 3)] Zoals geschreven: de rol van het departement Van de Boven-IJssel was in dit plan die van houtleverancier.

Twee. In een moeilijk te dateren brief (oktober?) 1813 liet de Prefect aan zijn onderprefecten weten dat ze gelet op de huidige buitengewone omstandigheden wel benieuwd zouden zijn hoe hij over de hele situatie dacht. Welnu, hij hamerde erop dat het hun taak was de ‘administratie’ te laten blijven functioneren zoals ze tot dan functioneerde en dat gold evenzeer voor alle maires. Het ging toch vooral om ‘continuïteit van bestuur’ en ‘trouw/loyaliteit aan de Keizer’, als eerste vereiste. Ook al zou er in de regio wanorde kunnen ontstaan: het Gelders bestuur mocht niet wankelen in zijn trouw en vertrouwen aan en in de Keizer.

Drie. Een andere kladbrief (van wie?) aan de maire van Zutphen liet weten dat hij moest blijven meewerken en in de door de (Franse) troepen verlangde spullen blijven voorzien. Hulp mocht niet worden geweigerd. Een soortgelijke brief ging richting Nijbroek: ,,Vous ne pouvez vous refuser à faire les fournitures de vivres, fourages et combustibles.” De vraag is, of dit schrijven niet op allerlaatst van de Franse Inlijving is verstuurd.

Vier. De problemen die de boeren in de mairie Apeldoorn (en Beekbergen) hadden met het leveren en vervolgens transporteren van boomstammen kwamen maire Gunningh in de vorm van klachten en ernstige beschuldigingen aan het adres van de begeleiders ter ore. Hij stond achter zijn mensen en schreef de 17de en de 18de oktober hierover een brief aan prefect Van Andringa de Kempenaer. Een citaat hieruit luidt: ,,Daar den Heer Colenbrander ofwel zijnent wegen zedert Ca 3 weken de Boeren in deze Gemeente zodanig heeft overladen, dat veele hunner Paarden reeds geheel bedorven en deWagens gebroken zijn, ja zelfs zo erg dat zij onder weg voorspan hebben moeten neemen, waardoor die ongelukkige menschen, nu in’t ongeluk zijn gebracht waaruit veele zich niet zullen kunnen redden, en dit alles gepaart met brutale bejegeningen, bedreigingen ja ja, zo hebben mij de Boeren als uit eenen mond verklaart, dat zij niet in staat zijn verder terijden, dat zij’t uitersten zullen afwagten; en zoo men het verkiest hun alles maar moet ontnemen.” Vervolgens blijkt de transportorganisator Colenbrander doodleuk voor de volgende dinsdag opnieuw achttien wagens te hebben ‘besteld’. Gunningh vroeg zich daarop vertwijfeld af hoe het nu verder moest. Zo te zien gelukkig voor zijn boeren: een maand later stond een detachement Kozakken/geallieerden in het dorp de lakens uit te delen. Het bleek echter een gevalletje ‘regen… drup’ , omdat deze bevrijders zware fourage-eisen aan de inwoners en dan met name weer aan de boeren stelden, die ze amper wisten op te brengen. En ditmaal kon de maire ze niet helpen, want hij was inmiddels op gevangentransport richting Utrecht en vervolgens Parijs gezet, omdat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan allerlei financiële malversaties.

Vijf. Uit een brief van de 24ste november van de maire van Dalem, ontvangen de 25ste die maand, blijkt dat de Heer Langlois, Commandant van Gorinchem bij hem de maire een ‘binnen 24 uur-eis’ had neergelegd. Er dienden hem onmiddellijk 40 ossen, 40 varkens, 160.000 pond hooi, 20.000 pond stro, 290 kilo haver en 500 hectoliter aardappelen worden bezorgd. De maire van Dalem vroeg zich vertwijfeld af hoe hij in vredesnaam aan de verlangde spullen kon komen.

Zes. Een brief van 18 november 1813 van de maire P.P. Everts uit de mairie Twello aan de Prefect had het over de eis van ce Commandant van het bezettingsleger in Deventer, waarin hij, Everts, met spoed werd opgeroepen op transport naar de IJsselstad te sturen: 200 hectol. tarwe, 12.500 kilogram hooi, 10 vim hout, 10 varkens, 1200 kg aardappelen , ,,zonder ons daartegen te opposeren, zijn wij begonnen met aan dezelve te voldoen, en ik denk dat reeds vandaag alles zal geleverd zijn, uitgenomen de tarwe, welke wij alhier zeer weinig verbouwen en thans in het geheel niet meer hebben. “ De vraag van de maire aan de Prefect luidde: kunnen wij hiervoor een schadeloossteling tegemoet zien? En of hij niet kon regelen dat de Commandant van Deventer Twello voortaan zou willen ontzien, want met zijn 998 zielen en slechts vijf gegoeden op de buitenplaatsen zullen er toch elders voor het gevraagde rijkere boeren te vinden moeten zijn. Deze kwestie had Twello inmiddels al f(r.?). 600, – gekost.

U ziet het: we lezen hier in feite over het ineenstorten van Napoleons imperium, eind 1813.

++++++++++++++++++++++++

In het volgende deel spitst de kwestie zich toe op de houtleveranties, het ‘verliezen’ van boomstammen tijdens de transport, eisen en tegeneisen en de paniekerige rol die verschillenden bestuurders speelden toen hun ingezetenen al maar ongehoorzamer werden

dr. Elze Luikens (c)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

Smeekbedes van ouders (indirect) gericht tot Napoleon. De Garde d’Honneur

Ook al wilden de hogere en lagere overheden de betrokkenen aanpraten dat dienen in het leger van Napoleon een eer was, die enkel leidde tot glorieuze momenten… er waren genoeg ouders die daar anders over dachten. En wat voor de Grande Armée gold, gold evenzeer voor de Garde d’Honneur, het door Napoleon opgerichte corps bestaande uit jongemannen uit gegoede kringen.

Door het op schrift stellen van smeekbedes bestemd voor onder meer de prefect of maire/burgemeester richtten de bezwaar makende (welgestelde) ouders zich in feite tot de Franse keizer zelf. Het Bataafs-Frans archiefstuk 0016-5818 dat berust in het Rijks Archief Gelderland maar ongetwijfeld ook in een of andere vorm terug te vinden is in de overige departementale archieven elders kreeg de titel mee Stukken over ingediende bezwaren tegen de aanwijzing, 1813 en bestaat uit 1 pak

De door mij doorgenomen stukken liggen in dit inventarisnummer keurig op alfabetische volgorde; van A tot Z op de geslachtsnaam van de reclamant. Enkele er door mij uitgelichte bezwaren, c.q. verzoeken illustreren een en ander afdoende, maar het loont voor andere onderzoekers-historici dit dossier eens in zijn geheel door te nemen. Het nodigt uit om er een scriptie en/of werkstuk aan te wijden. Hierbij is het nog altijd geschikte en lezenswaardige boek van dr. W.F. Lichtenauer, De Nederlanders in Napoleons Garde d’Honneur, 1971 goed te gebruiken! Praktijk naast theoretische beschouwingen.

Een. Zo schreef, behalve de reclamant M.J. van Aldenwerelt, ook zijn moeder D. van Aldenwerelt, geb. Van Leijden aan prefect Van Andringa de Kempenaar van het departement Van den Boven-IJssel: ,,Hoog Edele Gestrenge Heer……daar tot hiertoe alle aangewende en billijke pogingen door mijn man en zoon te vergeefs zijn geschied om dissignatie van G.D.H. op mijn zoon uitgebragt te wille vernietigen zoo zult UHEG: een diep bedroefde moeder niet ten kwade duijden, dat zij de vrijheid neem om UHEG nogmaals te versoeken mijn zoon van de hem opgedrage erepost te willen ontslaan, daar dit volkomen in UHEG magt is…. .” Als reden noemde ze zijn leeftijd (30 jaar) en het niet hebben kunnen vinden van een geschikte remplaçant/vervanger.

Twee. Voor Arend van der Borch kwam onder meer de Medic.Docter J.F. Rive in actie: ,,De ondergetekende verzogt zijnde eene Opgave omtrent de gesteldheid van den Heer Arend van der Borch te doen verklaart bij derzelven het volgende opgemerkt te hebben: Kortademigheid welke met drukking en benauwdheid op de borst verzeld is, opzetting van het aangezigt, deze symptomen houden alleen door het nemen van rust op. bij het voortzetten van beweging egter word de Kortademigheid sterker, zodat de Heer van der Borch genoodzaakt werd stil te staan om adem te haalen. bij mistig weder, koude vallen aan de voeten, te paard rijden en andere buitengewoone Lighaamsoefeningen vertoonen zich reeds aanwezig zijnde, verheffen zich de bovengenoemde toevallen, zo dat men dit een Asthma noemen moet… .” De geneesheer stelde dat ‘zijn patient’ al van zijn jeugd af ziekelijk was.

Drie. Op 23 mei 1813 schreef J.T. Cremer zelf zijn bezwaarschrift, die “pour note” (voor kennisgeving) ter Prefecture werd aangenomen. De inhoud ervan luidde: ,,Hoe zeer ik mij niet anders dan Vereert kan gevoelen, door mij gedesigneert te zien, tot de gùarde d’Honneúr, van Zijne Majesteit den keizer en koning, vinde ik mij echter in de onvermijdelijke verpligting, voor deze designatie beleefdelijk te bedanken. Door dezelve aantenemen, zoude ik mij zelven in de onmogelijkheid stellen, om te eenigen tijd te voldoen aan eene zeer teedere verpligting, welker vervulling mij wagt, en in het volbrengen van welke UHEG mij gewisselijk niet zal willen hinderlijk zijn. Uit het talrijke huisgezin mijner ouders ben ik de eenige zoon, op wien in het kort het bedrijf van mijnen vader gaat rusten, en op wien, uit dien hoofde koomen moet de gehele zorg, voor het bestaan mijner Moeder, Zusters en jongeren Broeder; een stuk van te hoger belang, uit hoofde mijn Vader, den ouderdom van 60 Jaren heeft bereikt, engelijk elk weet, van eene zeer wankele gezondheid is.” Vervolgens trachtte hij in het vervolg van zijn schrijven de Prefect, die toch ook vader is, op het gemoed te werken. Tot slot wees hij de ontvangers(s) van zijn epistel erop dat het soldatenleven hem wel eens ongeschikt zou kunnen maken het bedrijf van zijn vader voort te kunnen zetten. Maar zoals we al zagen: het werd voor kennisgeving aangenomen.

Vier. Soms probeerde men het niet via de prefect, maar via bijvoorbeeld de maire het voor elkaar te krijgen niet in de Garde d’Honneur te worden opgenomen, zoals blijkt uit een brief die de maire van Wageningen op de 17de april 1813 ontving: ,,Aan den Heer Maire der Stad Wageningen. Hijman Jacobs, oud ongeveer 60 Jaren, wonende binnen deze stad, in’t zekere geinformeerd zijnde dat hij op eene door den Heer Prefect dezes Departements aan U ingezondene lijst van de zes notabelste of meest gegoedste persoonen voorkomt, ten einde uit derzelver Huisgezinnen eerlangs mede de Gardes d’honneur te ligten ter oprichting van de vier Regimenten (volgens het senatus consult van den 3e dezer maand) voor zooverre de manschappen de bij het decreet van den 5 daar aan volgende voorgeschreven vereischten bezitten.

Zoo komt de Requestrant, ten gevolge van de gedane oproeping ter inschrijving, in’t Register, op heden zeer eerbiedig aan U Mijn Heer! voordragen: Dat hij zich met fidútie laat voorstaan, dat zijn oudste zoon Jacob Hijman Jacobs, in den loop dezer maan den ouderdom van 19 jaren bereikt hebbende, niet aan die conscriptie onderworpen is, en dat hij alleen daarom, als vader en ligitime voogd dezen zijnen zoon op heden niet ter enregistratie komt aan te bieden: als vrezende, dat hij daar mede eene daadzaak zou plegen die zijne sustenú geheel en al wedersprak, en eene erkentenis involveerde dat zijn voorm.de zoon in de termen van voorz. organiek decreet viel.

De Requestrant, die er roem op durft dragen, dat hij ten alle tijden met de strikste gehoorzaamheid aan de wetten en verordeningen zijner overheid als onderdaan voldaan heeft, acht het nodig MijnHeer! dit zijn gedrag te verantwoorden op dat men niet denke dat hij wegens de non registratie van zijn zoon zich tegen de maatregúlen des Gouvernements zou willen aankanten. Neen alleen zijn waren vaderhart doet hem alzoo denken, handelen, en spreeken, om een hem waardigen zoon die geen genie of aanleg voor den militaire stand heeft, en die hij dus voor af kan berekenen dat onder het pijnigend gevoel van zich, zijnes ondanks in een militaire loopbaan geplaatst te zien zou wegkwijnen aan een gewissen dood te ontrukken.” En dan brengt de vader nog te berde dat Napoleons ‘Garde d’Honneur”-decreet het heeft over ‘geboren Franschen’ , en dat is zijn zoon niet ,,Het zijn derhalven Ingezetenen van’t Departement Gelderland, dat door inlijving ter later tijd onder de Fransche monarchie gekomen is, en zij zijn mits dien niets meer dan genaturalizeerde Franschen.En om het voor hem, denk ik, nog erger te maken, citeerde hij Napoleon zelf ook nog maar eens, dit, om zijn betoog ‘sterker’ te maken. ,,Seront admis a faire partie de ces Régiments pou vu qu’ils soyent nés Français.” hij sloot zijn bezwaarschrift af met: ,,Indien Z.M. had gewild dat die Regimenten ten deele bestonden uit Gelderschen of Hollanders, dan zou Hoogstdezelve voorzeker in andere minder bepaalde woorden zijne mening of bedoeling geúit hebben.” De vader, en met hem verscheidene anderen, hadden in 1813 nog niet begrepen, dat vanuit het Franse standpunt ons land al sinds zomer 1810 onderdeel was geworden van het Empire Français en dat wat daar gold ook hier was gaan gelden.

En zo bevat dit lijvig dossier vele familietragedies in het klein, die zoals gezegd nader bestudeerd kunnen worden.

++++++++++++++++++++++++++++++

dr. Elze Luikens

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

contact: napoleon-info@hotmail.nl [wilt u in uw emailadresbalk dit zelf a.u.b. intikken]

Wie er voor de Nationale Garde in aanmerking kwam. En een mogelijk fraudegeval. Militaire kwesties

Terwijl Napoleon met veel moeite bezig was zijn keizerrijk in 1813 te verdedigen tegen de geallieerden, trachtte hij het thuisfront kalm te houden met de (her)oprichting van zijn nog steeds niet perfect werkende Nationale Garde. Ingrijpen zijnerzijds was derhalve geboden.

Over het hiervoor gebruikte dossier 0016-5683. Bataafs-Frans archief (Rijks Archief Gelderland). Minuten van besluiten en van brieven over de vorming van compagnieën grenadiers en jagers van de Nationale Garde in het departement en over daarmee samenhangende maatregelen, met een aanschrijving van de Minister-Directeur van de Administratie van Oorlog over de Nationale Garde in het algemeen, 1813. 1 omslag kan in zijn algemeenheid gezegd worden dat de verordeningen hierin opgenomen in het laatste jaar van Napoleons heerschappij over Nederland hebben geleid tot het vormen van allerlei cohorten en compagnieën grenadiers en jagers. De basis hiervoor kon men halen uit het keizerlijk decreet van 5 april 1813, no. 493.

Al op 15 april dat jaar had prefect Van Andringa de Kempenaer hierover informatie ontvangen en een en ander artikelgewijs verwerkt voor zijn ingezetenen. Het schrijven hierover opende met ,,Gezien het Keizerlijk decreet van den 5 dezer loopende maand April, waarbij formatie van Compagnien Grenadiers en jagers van Nationale Gardes. Overwegende dat het Contingent door dit Departement te leveren is bepaald op 1800 man, waarvan 144 in werkelijke Dienst zullen worden gesteld. Besluit.

Art. 1. Alle mannelijke inwooners van dit Departement welke den ouderdom van volle 20 Jaren tot de volle 40 Jaren ingesloten bereikt hebben, zijn verpligt zich op de eerste oproeping voor den Maire van hunne Gemeente te vertoonen, ten einde op de daartoe te houden Registers te worden ingeschreven.

Art.2. Die Gene der ingezetenen, welke ten tijde hunner oproeping zich niet in hunne Gemeente mogten bevinden, zullen door derzelven bloedverwanten vertegenwoordigd worden, welke de noodige verklaring tot deze inteekening bij de Maire hunner Gemeente moeten afleggen.

Art.3. Ofschoon men zich gerustelijk op de welwillendheid waarin de goede ingezetenen van dit Departement altijd hebben uitgemunt, kan verlaten, en er geen twijfel is of dezelve zúllen met bereidvaardigheid op komen, zij nogtans een ieder gewaarschúwd, dat diegenen, welke zich niet laten inschrijven, en alzoo zouden trachten zich aan hunne Verpligtingen te onttrekken, strengelijk achtervolgd en naar de wetten voor deconscriptie bepaald zullen gestraft worden.

Art.4. Het aan dit departement toegewezene Contingent, zal uit Kracht der bepalingen bij het Keizerlijk Decreet vervat, uit de de meest gegoede ingezetenen, die het minst bij húnne familien noodig zijn, worden zamengesteld.”

En zo nog 3 artikelen. Het Napoleontisch legersysteem spaarde, het zij gezegd, geen enkele rang of stand.

Dat het systeem lekken kende blijkt al uit een dossier, een jaar eerder: R.A.G., Bataafs-Frans archief, inv.nr. 0016-5676. Brief van de Onderprefect van Arnhem over een fraude begaan door de “préposé aux convois militaires”in Apeldoorn, met bijlagen, 1812. 1 omslag. Er zou door een ambtenaar, die de militaire konvooien onder zijn hoede had, fraude zijn gepleegd.

De onderprefect werd door een op 17 april 1812 geschreven brief van een bij de kwestie betrokken officier op de hoogte gebracht, via een door deze opgemaakt proces-verbaal van een te Apeldoorn gepleegde fraude door een ‘dienstdoende’ ambtenaar. Het proces-verbaal was door zes mannen (Onis, Smits, Guinand, Saillou en twee anderen) mede ondertekend. Een verkorte weergave van het verbaal luidt: van de keizerlijke Gendarmerie, 32e legioen, 1e eskadron, compagnie van de Boven-IJssel, brigade van Apeldoorn: op de doortocht door Apeldoorn van een detachement marine-militairen had ene Jan Brasken geen 40 maar slechts 36 hamen of halsketens geleverd. Hij beweerde dat dit volgens de regels was. En ook het aantal te leveren wagens klopte niet.

Het geeft maar weer eens aan dat allen onder hoogspanning leefden en stressvol op allerlei futiliteiten en/of op te lossen situaties reageerden.

De maire van Apeldoorn, J.H. Gunning mocht een en ander schriftelijk uitleggen aan de onderprefect (wsn. op dat moment Sullivan o’Grass). Dit is de weergave van zijn brief, dd. 22 mei 1812:

,,Weledel Gestreng Heer!

In voldoening aan Uwen geeerde van 1.dezer gaat hier bij terug ’t Proces verbaal der klagten te gene de Préposé J. Braskamp waarop ik de Eer heb UWEG: te berichten dat het een waarheid is dat ’t mandaat spreekt van 11 wagens met 4 Paarden doch daar de Wagens hier van dien aart zijn dat ’t onmogelijk is om op 11 wafens 130 man& 3 officiers te kunnen vervoeren; Zo heeft hij zo veel wagens genomen, als nodig waren tot’t ordentlijk vervoeren dier manschappen intusschen krijgt de Préposé altoos maar 11 wagens met 4 Paarden betaald waar voor hij minder krijgt als voor 22 wagens met 2 paarden, zo is’t mijns inziens onder verbetering niet onbillijk dat hij zo veel wagens met 2 Paarden minder neemt, als om en de bij met ’t geld van 11 wagens met 4 Paarden gelijk staat, mitsdat de manschappen maar goed vervoerd kunnen werden en waar over ik nog nimmer klagten heb gehad. Met de oprechtste hoogachting heb ik de Eer mij te noemen UwEG.DW. Dienaar Gunning.”

Fraude? Nou nee, plaatselijke gewoonten en gebruiken die in conflict kwamen met het uitgedachte ergens op een bureau militaire konvooien in Parijs.

++++++++++++++++++++++++++++++

dr. Elze Luikens (c)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

Contact graag via napoleon-info@hotmail.nl (zelf intikken om spam te voorkomen)