Geldkwesties: wat merkte men in 1812 nog van het Continentaal Stelsel en welke bezwaren werden tegen belastingaanslagen ingediend.

Engeland werd sinds 1806 door Napoleon geweerd van het Europese vasteland. Maar na enkele jaren leken de strenge (douane)regels te verslappen. Daarom maar weer eens iedereen bij de les zien te krijgen, moet de bedoeling zijn geweest, van het onder andere in het RAG aanwezige Bataafs-Frans archiefdossier 0016-4781 Stukken over de uitvoering van Keizerlijke Decreten betreffende de beslaglegging op goederen van Engelsen en Spanjaarden, 1812, 1813. 4 omslagen en 1 pak (0016-4780,81,82,83,84). Uit 0016-4781 heb ik de volgende gegevens gevist: om iedereen nog eens de blokkade van Groot-Britannië onder ogen te brengen, liet de Minister van Financiën in een handgeschreven circulaire allereerst aan de prefecten van de departementen weten

,,3e. Division. Circulaire f Paris, le 28 Novembre 1812.

Les dispositions du Décrét Imperial du 21 Novembre 1806, Monsieur, concernant le Blocus des Isles Britanniques et la confiscation des marchandises Anglaises ayant été rendues applicables pas l’Art:4 du même Décrét aux propriétés de toute nature, possédées [bezittende] en france par des Sujets de l’Angleterre, Sa Majesté m’a ordonné de les faire mettre en vente sans delai. Je vous invité en conséquence à prendre les messures qu’exige [vorderen, vereisen] de votre pars l’exécution de ces ordre, en à m’en faire connoître le résultat. Le Directeur des Domaines dans votre département recesra(?) de son administration de Instructions conformes.

J‘ai l’honneur, Monsieur, de vous saluer. Le Ministre des finances.”

In een eerdere brief van 1 april 1812 [Napoleon was nog niet in Rusland!] liet de Minister van Financiën weten dat Napoleons herhaling van zijn decreet van de 28ste september 1810 ook voor het Departement van den Boven-IJssel gold [Van Andringa was er nog niet de prefect]. In voornoemd ‘herhaal’ decreet werd confiscatie van de [verboden Engelse] handel[swaren] en verdere Engelse bezittingen [van hen die ze bezaten, uiteraard] aangekondigd. Om ieder die dit aanging tegemoet te komen werd dit op 9 december 1811 al weer gewijzigd in een aanslag van 25% van de waarde die dergelijke eigendommen en goederen hadden, mits keurig aangegeven. Bovengenoemde brief, geschreven terwijl Napoleons Grande Armée grote verliezen in Rusland leed, is echter weer een verscherping van e.e.a. .

Om toe te lichten hoe in het Franse keizerrijk met bezwaren tegen belastingaanslagen e.d. werd omgesprongen volgt hieronder een door mij uitgezochte verkorte weergave van dit soort ingediende bezwaren.

R.A.G., Bataafs-Frans archief, 0016-4959. Stukken over de behandeling van de particuliere bezwaarschriften, 1812, 1813. 1 pak. N.b. Tijdens de inventarisatie ingedeeld per arrondissement levert het volgend beeld op:

Dit document sluit aan op archiefdossier 0016-4957; het bevat particuliere klachten, die R.J. Bouricius had verzameld en aan Prefect Van Andringa de Kempenaer had laten doorsturen. Beide dossiers 4957 en 4559 bevatten nagenoeg dezelfde inhoud en maken enkel melding van klachten. Meer niet; maar op zich zegt dat genoeg.

Het was de Prefectuurraad [Conceil de Préfecture] die de particuliere klachten via Bouritius dus onder de aandacht van de Prefect bracht, bijvoorbeeld….

Arnhem. 17 augustus 1812 [uit het Frans overgenomen]… de ‘reclamations’ van de heer P.L. Haes. Zij (de Prefectuurraad) bekeken de binnengekomen klachten altijd als eerste en gaven aan de hand van de gegevens die ze hadden verzameld advies aan de Prefect. In het geval van P.L. Haes, verwoordde het prefectuurraadslid G.H. Van Hugenpoth van Aerdt de weifelende gevoelens van de Raad.

In een ander geval ging het over de ingevoerde raambelasting. Hoe meer ramen iemands huis telde, hoe welgestelder iemand werd ingeschat, hoe hoger de belastingaanslag was die daarop volgde [Personele belasting]. E.A. Daendels, een niet onbelangrijk persoon voor het reilen en zeilen op de Veluwe ten tijde van Lodewijk Napoleon, beklaagde zich over zijn aanslag, die meer ramen telde dan hijzelf had geteld. Vaak was er eerst een belastingcontroleur geweest, waarop zo snel mogelijk een aantal ramen werden dichtgemetseld. Dat zal in dit geval ook wel zo zijn gegaan.

,,Arnhem le 19 Août 1812, Le Conseil de Préfecture du Département de l ‘ Issel Supérieur à Monsieur le Chevalier de la Légion d’Honneur, Commandeur de l’ordre Ompérial de la réunion, Préfet du même Département.

Monsieur le Préfet! Nous avons l’honneur de vous adresser ci joint la réclamation du Sieur A.E. Daendels en matière des contributions directes, sur la quelle nous avons decidé vous priant en même tems de vouloir bien agréer les nouvelles assurances de la haute considérations, avec la quelle nous avons l’honneur d’être ….” De Raad vroeg vervolgens aan de Prefect om gewezen baljuw E.A. Daendels met clementie te behandelen.

In het arrondissement Zutphen van hetzelfde laken een pak. Ook hier bezwaren tegen de ontvangen aanslag. Het dossier bevat in ieder geval een dik pak bezwaarschriften: interessant om ze eens door te neuzen! Het betreft hier een flink pakket bezwaarschriften die alle kanten van de verschillende kwesties behandelde (de aanslag, het bezwaar, de aloude rechten en plichten over bijvoorbeeld het aangeslagen stuk grond, het onderzoek [ter plaatse!], het voorlopig besluit, het eventuele vervolgbezwaar, het definitieve besluit). Bij de Sous-Préfet werd het bezwaarschrift in eerste instantie ingediend, vervolgens naar Van Andringa de Kempenaer gezonden, die het via zijn bureau van de divisie Financiën voor advies naar de Raden van Prefecture stuurde, enz., enz.

Het betrof soms ook kwesties over ‘foutieve’ aanslagen die wel eens een hele gemeenschap konden raken. Vaak ging het daarbij om gekwetste trots. Zoals bijvoorbeeld in Lichtenvoorde, 12 juni 1812. In een brief aan de Controleur der Directe Belastingen (divisie Lochem) van zowel de Maire als de voormalige Repartiteurs van de gemeente Lichtenvoorde werd kritiek geuit op de gang van zaken. Enkele citaten uit de brief: ,,Mijnheer de Controleúr! De willekeúrige en onregtvaardige handeling met welke men ons onschuldig ten toon heeft gesteld, hebben wij in un moment geredresseerd Sub. No.22 en 40….. wonen twee Boeren van een naam, aan Jan Berend Raben, ook Bosscher, waren abusifelijk de beide billitten overhandigd, had men ons, voor te klagen, de zaak verteld, dezelve waren even Spoedig geredemedieerd.” Zoals het werd verwoord, mogen we gerust aannemen dat er sprake was van veel opwinding en oplopende emoties…. toch geheel anders dan de rustige stijl die werd gehanteerd waar het om E.A. Daendels bezwaarschrift ging.

Foto door Szabu00f3 Viktor op Pexels.com

Soms woonde iemand niet eens in het gebied waarvoor de aanslag gold; zoals blijkt uit het volgende geval:

,,Le Recepteur der directe belastingen van de Gemeente Gorssel, … Aan den Heere Sous Prefect van het Arrondissement Zutphen…..

Door UWHgGEd: bij Apostille van den 19en juni ll. in handen van den Ondergetekende gesteld zijnde een Rekweste van Mr. A.G. Besier, Lid van den Departementalen Raad van’t Departement der Monden van den IJssel, wonende te Deventer/ zich voorgevende als Eigenaar van het Erve ’t Slag genaamd, gelegen in ’t Arrondissement Zutphen, Gemeente Gorssel, Buurschap Zuidloo/heeft bij dezen de eer UWHgEd. op het hiernevens gaande kortelijk te doen remarqueeren. Dat de Rekwestant daarbij te kennen geeft, dat gez: Erve alsnog abusivelijk is staande op den naam van Jan Slagman, en hij alzo verzuimt heeft ’t zelve binnen de bij de thands vigerende wetten bepaalde termijn ten zijne name te laten overboeken, aan wien dus, dien ten gevolge, de daaruit ontstaane confusien zelve zijn toeteschrijven.

Hiermede zoude de Ondergetekende dit zijn berigt kunnen eindigen, doch heeft vermeent UWHgEd: ter méerdere elucidatie omtrend den Bouwman op dat Erve Jan Slagman genaamt, ten dezen, nopens de ongegrondheid van des Rekwestrants sustenére te moeten avanceeren. Dat hij Percepteur, na het ontvangen der Rollen, ’t welk in ’t negin van de Maans April 1812 heeft plaats gehadt, de kennisgevingen gezonden heeft met de gewezen Bode van de Kring van Dorth Lammert Varenbrink genaamd, doch dat den Bouwman Jan Slagman verweigert hadt ’t zelve aanteneemen, dewijl zulks stond op den naam van Willem Slagman, die ook Willem Brink genaamd wordt, en Bouwman op voorn. Erve is, dan na herhaalde maalen gesommeerd te zijn, heeft hij zich bij den Repartiteur E. Beunk vervoegd, welke hem geantwoord heeft, dat het voor dat Jaar 1812 te laat zoude zijn te reclamereb, en hem dus aanried dat Billet te voldoen, doch dat het over ’t Jaar 1813 zoude geredresseert worden, en ’t geen hij over 1812 te veel mogte betaald hebben, restitutie hiervoor zoude erlangen, waaraan hij niet heeft willen voldoen, en dus is hij, ingevolge de wet, door een ingelegerde, hiertoe genoodzaakt geworden… .”

Dan volgt een verzoek om een oplossing, geschreven te Zutphen, 26 juni 1813 door B.J. Lulofs, de ontvanger.

Een brief gedateerd de 20ste mei 1813, bestemd voor de Prefect, ging nog eens op bovengenoemde kwestie in: ,,Dat in de Maand April van het afgeloopen Jaar 1812, evenals aan de overige eigenaren, ana den tegenwoordigen Meyer van dat Erve, Jan Brinks, of ook wel, naar het oude gebruik der landlieden, Jan Slagman genaamd, van wegen den Percepteur Lulofs is ter hand gesteld de hierbij overlegde Kennisgeving van den aanslag van dat Erve: in de ongebouwde eigendommen No.687, ter Sommen van 8 fr. 28 c. . En dat daarop ook nog in die zelfde maand en vervolgens maandelijks het verschuldigde is betaald geworden.” Maar toen de ontvanger in augustus 1812 met nog een aanslag aankwam (65 francs en 61 centîmes) bestemd voor Willem Slagman, weigerde Jan de aanslag te betalen. Het leek uiteindelijk Besier maar het beste om van het hele gedoe af te zijn door zelf de aanslag en de extra rekeningen te voldoen.

*************************

door: Dr. Elze Luikens (copyright)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

Reageren kan via ‘napoleon-info-hotmail.nl”; zelf adres intikken a.u.b.

Met R.A.G wordt het Rijksarchief Gelderland, gevestigd te Arnhem, bedoeld.

Het einde van Napoleon’s Grande armée en keizerrijk. Het leven van Napoleon. Deel 12 (slot)

,,DE VAL VAN NAPOLEON.

Ondanks de zware tegenspoed koesterde Napoleon nog hoop; zelfs het bericht, dat Pruisen naar de zijde van zijn vijanden [de geallieerden; Engeland, Rusland en Zweden] was overgelopen, deed hem de moed niet verliezen. Men moet Napoleon en zijn [aanhang] “bewonderen”, dat zij na de aderlatingen van de laatste tijd nog in staat waren in de zomer van 1813 opnieuw een leger van een half miljoen op de been te brengen. Het waren echter geen geoefende strijders en veteranen, maar een leger van jongelingen en knapen, het laatste wat Frankrijk aan mensenmateriaal had kunnen vergaren.

De Europese volken verhieven zich thans rondom. De Spaanse en Portugese vrijheidsstrijd werd ondersteund door Engeland. De Engelse generaal Wellington werd benoemd tot opperbevelhebber over alle tegen Frankrijk verzamelde troepen op het Pyrenees schiereiland, [een] leger dat zich niet graag op het open slagveld met de geroutineerde Fransen zou meten, maar in plaats daarvan een voor hun vijanden fnuikende guerilla-oorlog voerde. Allengs echter waagde Wellington meer openlijk op te treden. Al in 1812 heroverde hij Madrid; de Franse troepen werden teruggedrongen tot de noordelijke streken van Spanje. De strijd in centraal-Europa was eveneens in volle gang, toen een verenigd Spaans-Engels leger onder Wellington de Franse troepen onder Joseph Bonaparte en maarschalk Jourdan een zware nederlaag toebracht bij Vittoria (de 21ste juni 1813), waardoor het gehele Pyrenese schiereiland van de Franse heerschappij werd bevrijd.

Inmiddels hadden Pruisen en Rusland een groot leger op de been gebracht om de gehate tegenstander totaal te verpletteren. Vooral Pruisen had ondanks zijn afhankelijke positie zijn krijgsmacht voortdurend versterkt. Maar Napoleon verloochende zich niet, zelfs nu niet. Zijn energie was niet verminderd en nog altijd veel groter dan die zijner vijanden. Zo snel en onverwacht trok hij de grens over, dat Oostenrijk zich niet aan de zijde van Pruisen en Rusland durfde scharen. Napoleon wist zeer wel, dat dit land Frankrijks vijand was, maar om het aantal zijner tegenstanders te beperken ging hij voorlopig in op het voorstel tot een vernieuwd verbond met Oostenrijk. In een paar slagen versloeg Napoleon zijn vijanden, maar toen hij weigerde vrede te sluiten op de voorwaarden, die men hem aanbood, liep Oostenrijk naar zijn vijanden over met zijn gedurende de oorlog volkomen toegerust leger. Het verbond met Oostenrijk was dus niet bijster voordelig geweest voor Napoleon. Ongeveer 800.000 man stonden nu tegenover hem. In het noorden voerde de Zweedse kroonprins Karel Johan, de voormalige [Franse] maarschalk Bernadotte, het opperbevel over een groot leger. In Silezië stond Blücher, in Bohemen de Oostenrijker Schwarzenberg. Het gelukte Napoleon de laatste bij Dresden te verslaan., doch zijn poging het verenigde [geallieerde] centrum uiteen te drijven leidde tot de nederlaag bij Katzbach en in de strijd tegen Bernadotte [Karel Johan] moesten zijn maarschalken wijken bij Grossbeeren en Dennewitz. Napoleon slaagde erin te ontkomen uit de omsingeling van de vijandelijke legers, maar werd ten slotte gedwongen tot het leveren van een slag bij Leipzig, die duurde van 16 tot 19 oktober en die beroemd is geworden onder de naam van “de grote volkerenslag”.

In zekere zin was deze slag beslissend: Napoleon moest de hoop opgeven de oorlog op het gebied van de [tegenstander] te kunnen voortzetten. Zelfs de staten, die tamelijk hecht aan Frankrijk verbonden waren geweest, vielen nu af. Het koninkrijk Westfalen werd ontbonden en ook het Rijnverbond en Zwitserland zwichtten. Ondanks alle tegenspoed weigerde Napoleon nog steeds te geloven, dat zijn geluksster aan het tanen was. Hem, Gods wapendrager, kon immers slechts ongeluk van voorbijgaande aard treffen. De aaneengesloten vorsten boden hem dan ook tevergeefs een aannemelijke vrede aan; maar toen geschiedde iets, dat kort te voren nog een onmogelijkheid zou zijn genoemd: vijandelijke legers stonden op Franse grond. In het zuiden behaalde Wellington de ene overwinning na de andere, Wel was Napoleon onvermoeid in het inspannen van al’s lands krachten tot de uiterste weerstand. De soldaten vochten met de moed der wanhoop: ten slotte bleek hun […..] pogen ijdel.

Parijs viel en Napoleon werd zijn gehele familie van het recht van de troon beroofd. De elfde april 1814 moest hij de kroon neerleggen, die hij jarenlang gedragen had met meer overmoed en trots dan misschien ooit iemand vóór hem. Als onafhankelijk vorstendom kreeg hij het kleine eiland Elba aan de westkust van Italië.

Volgens de wens van de [geallieerden] huldigde de Franse senaat de broer van Lodewijk XVI tot koning onder de naam van Lodewijk XVIII, waarop de vrede met Frankrijks tegenstanders werd gesloten. Bij deze “eerste vrede van Parijs”(30 mei 1814) mocht Frankrijk zijn gehele gebied van voor de revolutieoorlogen behouden, a zelfs de Italiaanse veroveringen Savoye en Nizza. Ook zijn koloniën kreeg het, op enkele onbeduidende eilanden na, terug.

DE TERUGKEER VAN NAPOLEON. DE HONDERD DAGEN [WATERLOO]

Na de vrede van Parijs kwamen de vertegenwoordigers van alle mogendheden, die hadden deelgenomen aan de laatste oorlog, te Wenen bijeen om de politieke toestand van Europa, door Napoleon geheel ontwricht, opnieuw te regelen en om de landen, die Frankrijk had moeten loslaten, [onder elkaar] te verdelen. De rust die heerste in deze schitterende vergadering, waar vooral Frankrijks uitmuntende afgezant Talleyrand en de Oostenrijkse minister Metternich de aandacht in beslag namen, zou evenwel spoedig verstoord worden door het bericht, dat als een bom de bijeenkomst verschrikte, nl. dat Napoleon zich weer op Franse grond bevond en met nieuwe legers gereed stond Europa aan te vallen. de overweging, die Napoleon er toe had gebracht zo spoedig over te gaan tot de uitvoering van dit plan, dat hij al sinds het eerste ogenblik van zijn afzetting had opgevat, was het feit, dat de nieuwe Franse regering in gebreke was gebleven bij de uitbetaling van het jaargeld, dat hem bij de vrede van Parijs was toegekend. Een nog gewichtiger reden was, dat geruchten over misnoegen in Frankrijk jegens de nieuwe regering tot hem waren doorgedrongen en hij twijfelde of al zijn vijanden hem de positie, die hij terugwon, zouden gunnen.

De eerste maart 1815 landde Napoleon met 1000 man op de zuidkust van Frankrijk. ,,Mijn adelaars zullen van toren tot toren vliegen, regelrecht naar de Notre Dame.”, voorspelde hij en deze profetie zou inderdaad in vervulling gaan; binnen drie weken was Parijs bereikt. Alle troepen, die hem tegemoet werden gezonden, liepen naar zijn zijde over. Zonder een schot te lossen, hield hij zijn intocht in Parijs. Lodewijk was gevlucht naar België.

Opnieuw droeg Napoleon de keizerskroon, doch het noodlot scheen bepaald te hebben, dat zijn tijd van geluk voorgoed voorbij was. De grote mogendheden hielden geweldige legers gereed en daar zij Napoleon beschouwden als de rustverstoorder van Europa, zonden zij terstond na zijn terugkeer alle troepen, waarover zij beschikten, naar de Franse grenzen.

Napoleon verkoos zelf aan te vallen in plaats van aangevallen te worden. Met grote snelheid trok hij op naar België, waar hij Blücher versloeg bij Ligny (16 juni). Twee dagen later had te Waterloo een ontmoeting plaats tussen de Franse troepen en het Engelse leger onder Wellington, dat door hetzelfde lot zou zijn getroffen als kort te voren het Pruisische, wanneer dit de Engelsen niet te hulp was gekomen. Dit besliste de strijd in het voordeel der bondgenoten. Napoleon moest in allerijl terugtrekken. Toen hij besefte, dat het vruchteloos was, de oorlog voort te zetten, ded hij, eenmaal heelhuids in Parijs te zijn aangekomen, afstand van de regering ten behoeve van zijn zoon.

De “Honderd Dagen” waren ten einde. Voor de tweede keer van zijn kroon beroofd, besefte Napoleon heel goed, dat zijn vijanden hem niet zo mild zouden bejegenen, wanneer hij opnieuw in hun handen viel. Hij trachtte naar Amerika te vluchten, maar de Franse kust werd zo scherp door Engelse oorlogsschepen bewaakt, dat hij begreep langs deze weg niet te kunnen ontkomen. Hij voelde, dat hij zich evengoed vrijwillig aan de Engelsen kon overgeven. Hij werd [direct daarop] naar het rotseiland St. Helena in de Atlantische Oceaan gevoerd, vergezeld door een kleine schare getrouwen. In deze uithoek van de wereld moest de man, die altijd in het centrum van het wereldgebeuren had gestaan, zijn leven slijten. Hij werd goed behandeld, maar voortdurend streng bewaakt en nooit verliet hem het gevoel van gevangenschap. Oude en nieuwe kwalen plaagden hem meer en meer en op de 5de mei 1821 maakte de dood een einde aan dit leven vol lotswisselingen. Napoleon stierf als banneling, 51 jaar oud.

In Frankrijk begon het volk, dat de eisen, die Napoleon het had gesteld en de ellende, die hij veroorzaakt had, vergat, het aandenken van de gestorvene [postuum] te verheerlijken en terug te dromen [bij het voortschrijden van de negentiende eeuw] naar de tijd, toen zijn zegepraal glans wierp over de naam van Frankrijk.”

Deels bewerkte en aangevulde tekst uit: Geschiedenis der wereld, vijfde deel, p. 104-114, Brugmans en Fischer, 1928.

*********************************************

dr. Elze Luikens

De volgende serie blogs gaan over het wel en wee van Gelderland en Nederland zoals terug te vinden is in het Rijks Archief Gelderland. Anders dan u tot nu toe van mij gewend bent, zal ik hoofdzakelijk de directe bevindingen uit de dossiers en brieven aan u doorgeven, bevindingen waarvan ik meen dat ze een prima afsluiting zullen gaan vormen van tot nu toe ruim tien jaar blogs schrijven.

Napoleon trekt op tegen Rusland. Het leven van Napoleon. Deel 11

,,NAPOLEON EN RUSLAND.

Tot dusver had het verbond met Rusland stand gehouden, doch Napoleons voortdurende overwinningen en zijn willekeur tegenover de veroverde landen deden Alexander vermoeden, dat zijn land misschien hetzelfde lot tegemoet ging. Ten slotte stond dit geheel voor hem vast; hij verbrak het verbond met Frankrijk en sloot zich aan bij de onverzoenlijke vijand van dit land: bij Engeland. Aan de zijde van deze beide mogendheden schaarde zich ook Zweden. Napoleon en Alexander troffen beiden buitengewoon ernstige voorbereidingen tot de oorlog. Zo sloot Rusland in het voorjaar van 1812 vrede met Turkije en stelde zich tevreden met Bessarabië tot aan de [rivier] de Pruth, ten einde zo spoedig mogelijk tot vrede in het zuiden te geraken.

Napoleon zelf verwachtte blijkbaar grotere tegenstand dan hij ooit elders had ontmoet. Hij spande alle krachten, waarover hij beschikte, in voor de komende strijd. Met de hulptroepen van het Rijnverbond en uit Zwitserland verzamelde hij een half miljoen manschappen onder de keizerlijke adelaars. Zodra Frans van Oostenrijk vernam, dat Napoleon erin geslaagd was een zo reusachtig leger uit de grond te stampen, schaarde hij zich aanstonds aan de zijde van Frankrijk. Wel had Napoleon Oostenrijk diep vernederd, doch dit land zag toch [graag], dat Ruslands al te grote macht wat verminderde. uit deze overweging sloot Frans in maart 1812 een verbond met Napoleon. Oostenrijk verplichtte zich 30.000 man beschikbaar te stellen onder het persoonlijk commando van de Keizer. In ruil daarvoor zouden zij Galicië, Illyrië en, onder een bepaald voorbehoud, Silezië ontvangen. De Pruisen sloten zich aan bij de tsaar en beloofden Alexander 100.000 man, wat deze echter in zijn kortzichtigheid van de hand wees. De Pruisen zagen zich nu wel gedwongen, het voorbeeld van Oostenrijk te volgen. Met zeer gemengde gevoelens zonden zij 20.000 man onder de Franse adelaars.

In het midden van de zomer van 1812 hadden de gebeurtenissen een kritiek punt bereikt. De Franse troepen, 400.000 man sterk, trokken de Russische grenzen over en werden terstond door het fortuin begunstigd. [Althans die indruk had men van hoog tot laag]. De eerste slagen waren nl. beslissend [lijkende] overwinningen voor de Fransen en de verzamelde Russische krijgsmacht onder de generaals Barclay de Tolly en Bagration kromp door de geweldige verliezen ineen tot niet veel meer dan 100.000 man. De Fransen leden echter ook en het is niet te verwonderen, dat Napoleon naar een beslissende slag verlangde.

De tsaar was inmiddels ontevreden over Barclay wegens diens voortduren retireren. Hij benoemde in Barclay’s plaats vorst Koetoesov tot opperbevelhebber. Ook deze echter vond terugtrekken de beste tactiek; hij hield [pas halt] bij het dorpje Borodino, niet ver van Moskou [waar kort daarop een geweldige clash tussen beide legers plaatsvond]. Het was [nl.] in de eerste dagen van september, dat Napoleon met zijn sterk ingeslonken leger met de vijanden in contact kwam. Toen hij hun gelederen voor zich zag, riep hij luid:,,Wij zullen ze toch eindelijk krijgen. Voorwaarts mars. Laat ons de poorten van Moskou openen.” De zevende september 1812 werd dan ook op die plek een slag geleverd, zo bloedig als de geschiedenis in eeuwen niet gekend had. De overwinning was voor de Fransen, doch zij was niet zo beslissend als Napoleon had gehoopt. Wel konden de Fransen zonder uiterlijke tegenstand hun intocht houden in Moskou, de heilige stad van de Russen, waar Napoleon de tsaar de vredesvoorwaarden hoopte te dicteren. Terwijl hij een lange reeks roemrijke successen voor zich meende te zien, was in werkelijkheid het einde nabij. Slechts enkele uren, nadat de Fransen zich in Moskou hadden ingekwartierd, brak op verschillende plaatsen brand uit. De aanstichting daarvan komt ongetwijfeld op rekening van de Russen, die niet draalden hun heilige stad aan de vlammen over te leveren, ten einde daardoor de Fransen te vernietigen. De brand was inderdaad een slag voor het Franse leger, dat zich nu tevreden moest stellen met een veel slechter en moeilijker verblijf dan zij verwacht hadden.

Ongetwijfeld had Napoleon nu het verstandigst gedaan zijn troepen de terugtocht te doen aanvaarden, daar het gunstige jaargetijde zulks betrekkelijk gemakkelijk maakte. Eerst in oktober echter liet de Keizer zijn manschappen opbreken. Nog was de winter in al zijn strengheid niet ingetreden, maar de weg naar het vaderland – [la patrie] – was lang en met de dag werd de koude feller. De soldaten, in hun versleten uniformen, leden bitter.

Hun moed nam steeds [verder] af en dit verbeterde niet door het feit, dat de Russen herhaaldelijk aanvallen ondernamen [en dan met name de Kozakkenbenden die onder hun attaques “hura, hura (inderdaad door ons van hen overgenomen… ) riepen], op de Fransen, [waarvan hun] aantal in het begin van november was ingeslonken tot 60.000 man. Naarmate de Franse krijgsmacht afnam, werden de Russen stoutmoediger en toen het totaal uitgeputte leger eindelijk de rivier de Beresina had bereikt, ondernamen de Russen een vreselijke aanval, die de resten van de fiere armée, die eens naar Rusland was getrokken, bijna totaal vernietigde. Inmiddels was Napoleon vooruitgesneld naar Duitsland.”

Deels bewerkte en aangevulde tekst uit: Geschiedenis der wereld, vijfde deel, p. 99-104, Brugmans en Fischer, 1928.

****************************************************

dr. Elze Luikens

De serie “Het leven van Napoleon” zal in een wat snellere blogtempo dan u van mij gewend bent gaan verschijnen de komende weken, dit, omdat er ook nog een behoorlijke hoeveelheid archiefmateriaal over de Napoleontische tijd te wachten staat. Maar over het hoe en zo, later meer.

Over het onderwerp van deze blog vindt u allerlei leesadviezen in de rubriek: ‘boekbespreking’ via de rechterzijde van de blog [even scrollen].

Contact graag via het emailadres in OVER links bovenaan de blogpagina. Als u een eigen emailprovider hebt moet u het adres even zelf intikken.

Problemen met Spanje en opnieuw met Oostenrijk. Het leven van Napoleon. Deel 10

NAPOLEON EN DE STATEN OP HET PYRENEES SCHIEREILAND

,,Portugal had Frankrijk eenmaal veel moeten betalen om zijn neutraliteit te kunnen handhaven. De door Napoleon opgedrongen handelsoorlog met Engeland [het continentaal stelsel] prikkelde de Portugezen en toen Frankrijk nu trachtte het met geweld te dwingen Engeland de oorlog te verklaren [Portugal was evenals Nederland een vroegere grote zeemacht] , werd de verbittering natuurlijk nog groter, want de sympathie van Portugal was geheel aan de zijde van de Britten. Zij boden weerstand, waarop [in opdracht van de Franse keizer generaal] Junot met een sterk Frans leger het land binnenviel, dat in het najaar van 1807 bezet werd. De Engelsen antwoordden door zich van de Portugese vloot meester te maken.

Spanje betoonde geen neiging tot verzet, maar Napoleon vreesde toch, dat het bij de eerste de beste gelegenheid zou trachten zich van de druk [veroorzaakt door zijn staatkundige en militaire almacht zou proberen] te bevrijden. Deze vrees bleek niet ongegrond, want toen hij Spanjaarden aanwierf voor het Franse vaandel, lieten zij duidelijk blijken, dat zij zich hierdoor tot [slechts] een vazalstaat vernederd [beschouwden]. De eerst zo machtige [Spaanse] minister Godoy, [die het verwijt werd gemaakt het land in zo’n benarde positie te hebben gebracht] moest aftreden en kon slechts ternauwernood zijn leven redden. De zwakke koning Karel IV, werd tot abdicatie [troonsafstand] gedwongen; het volk bracht Karel’s zoon Ferdinand VII op de troon. Napoleon mengde zich echter in Spanje’s binnenlandse zaken en uit vrees voor hem lieten zowel vader als zoon zich op een samenkomst te Bayonne overhalen van hun rechten op het rijk af te zien, mits Spanje zijn zelfstandigheid [mocht behouden]. Van die zelfstandigheid kwam evenwel weinig terecht, want Napoleon, ‘wel wetend’ hoe weinig hij op de Spanjaarden kon vertrouwen, pleegde de grofste woordbreuk aan dit land, dat zich toch nooit een vijand van Frankrijk had getoond. Zo verhief hij zijn broer Joseph, wiens vroeger rijk Napels hij aan zijn zwager Murat schonk, tot koning van Spanje.

Joseph poogde ernstig het bewind te voeren volgens de oude nationale tradities, doch het Spaanse onafhankelijkheidsbesef had een knak gekregen, die [volgens hen] alleen met bloed kon worden vergolden. Priesters en monniken predikten de strijd tegen de [Franse] onderdrukker en het Spaanse volk kwam als één man in opstand [waarbij Napoleon als een duivelsgebroed werd afgeschilderd]. Deze vrijheidsstrijd zou de eerste worden in een reeks van nationale bewegingen, die Napoleon ten slotte ten val zouden brengen.

OOSTENRIJK WORDT OPNIEUW VERSLAGEN. NAPOLEON STAAT OP HET HOOGTEPUNT VAN ZIJN MACHT.

Oostenrijk was al in drie oorlogen door Napoleon overwonnen, maar nog had dit land de hoop niet opgegeven de Napoleontische heerschappij te kunnen afschudden. Men kon echter reeds van te voren verwachten, hoe de oorlog, die [keizer] Frans in het begin van 1809 aan Frankrijk verklaarde, moest aflopen; wel namen de onlusten in Portugal en Spanje een grote Franse krijgsmacht in beslag, doch Oostenrijk had slechts één bondgenoot: Engeland. Napoleon slaagde er in, een leger van 160.000 man op de been te brengen tegenover het ook in getal veel zwakkere Oostenrijkse [leger]. Hiermee trok hij met grote snelheid naar Wenen op; na enkele maanden trokken de Franse troepen de stad binnen.

Aartshertog Karel was evenwel een gevaarlijk tegenstander. Hij dreef de Fransen terug in de slagen bij Aspern en Esslingen, waar 50.000 van Napoleons mannen sneuvelden, o.a. zijn beste divisiegeneraal Lannes. De nederlagen van het Franse vaandel waren inmiddels van voorbijgaande aard; nadat Napoleon belangrijke versterkingen had gekregen, ging hij opnieuw tot de aanval over en won op 5 en 6 juli een duurgekochte, echter volkomen overwinning bij Wagram, die de gehele oorlog besliste.

In oktober kwam de vrede van Wenen tot stand. Frans moest zich aansluiten bij het continentaal stelsel en aan het hertogdom Warschau bijna al het gebied afstaan, dat Oostenrijk bij de laatste Poolse deling had gekregen; [in de achttiende eeuw hadden Rusland, Oostenrijk en Pruisen meerdere malen eigenmachtig en gezamenlijk stukken grondgebied van het zwakke Polen afgepakt, dat het verkleinde land nu deels terugkreeg]. Direct aan Frankrijk kwam het land tussen [de rivier] de Save en de Adratische Zee. Dit land vormde de “Illyrische provinciën” . Door dit gezichtsverlies werd Oostenrijk geheel van de zee afgesloten.

Napoleon stond nu op het hoogtepunt van zijn macht. Pruisen en Oostenrijk waren overwonnen en hun vrijheid beperkt tot een minimum. In het oosten bedreigde Rusland het rijk niet langer, daar het Frankrijks bondgenoot was geworden. [Voor zolang de Russische tsaar dit nodig achtte; ik denk dat de Franse keizer dit wel wist, maar de machtslacune tussen de twee landen voorlopig liet voor wat ze was. Om, wanneer volgens hem de tijd rijp was alsnog hard op te treden tegen de Russen, die hij, denk ik al weer, behoorlijk heeft onderschat: in de volgende aflevering komen we hier op terug]. In 1810 lijfde Napoleon [het Koninkrijk] Holland [nadat zijn broer Lodewijk zijn zelfstandige koers met dit Koninkrijk opgaf… verdrag van 9 juli te Rambouillet] en het noorden van West-Duitsland direct bij zijn [Europees] wereldrijk in. Oldenburg en de drie [Duitse] hanzesteden [Hamburg, Bemen en Lübeck] ondergingen hetzelfde lot; in Lübeck bezat Frankrijk een Oostzeehaven. Nu [pas] was in werkelijkheid het rijk, dat Napoleon beheerste een der machtigste, die de wereldgeschiedenis ooit gekend heeft.

Daar Napoleons huwelijk met Josephine [de Beauharnais] kinderloos bleef, liet hij zich van haar scheiden, waarop hij in het huwelijk trad met Maria-Louise, dochter van Frans van Oostenrijk. Zijn liefste wens werd vervuld: in 1811 werd hem een zoon geboren die evenals de oude Romeinse keizerszonen, al in de wieg de titel kreeg van “Koning van Rome.”

Ondanks zijn wereldmacht voelde Napoleon zich nooit volkomen zeker. Hij werd gestadig door onrust gekweld, wantrouwde iedereen en zag in allen afgunstigen. In het land zelf behoefde hij niettemin geen oppositie te vrezen; zelfs al moesten de Fransen hun vrijheid missen en werden hoge eisen aan hun opofferingsgezindheid gesteld, zij voelden zich toch gelukkig in het bewustzijn, dat zij deel uitmaakten van de machtigste natie ter wereld. Voor de onderworpen volken daarentegen was de heerschappij van Napoleon een waar juk, dat zij dan ook, zodra de gelegenheid gunstig was, zouden afschudden.”

[Wanneer we ons twee lijnen voor de geest halen, de ene is die van de macht van het Franse keizerrijk, c.q. die ene persoon Napoleon en de andere is die van de idealen (vrijheid, gelijkheid en broederschap) uit het begin van de Franse revolutie dan zien we dat de lijnen elkaar in 1809-1810 zeker moeten hebben gekruisd.]

Deels bewerkte en aangevulde tekst uit: Geschiedenis der wereld, vijfde deel, p. 95-98, Brugmans en Fischer, 1928.

**************************************

dr. Elze Luikens.

Zelf intikken, i.v.m. het voorkomen van allerlei aanbiedingen en gebleken erfenissen die mij wachten, indien, enz. : napoleon-info@hotmail.nl

Napoleons eerste tocht richting Rusland. Het leven van Napoleon. De jaren 1806-1807. Deel 9

Wat vooraf ging: Napoleon keert zich tegen Pruisen. Het leven van Napoleon. Deel 8

Na de verschillende door Pruisen verloren veldslagen ,,stonden nog enige zwakke Pruisische legerafdelingen in het oosten, doch keizer Alexander [de Russische tsaar] achtte nu voor zich de tijd gekomen: nu immers was de weg open voor de Franse legers. De Russen waren juist in strijd gewikkeld met de [Ottomaanse] Turken en Napoleon zond een boodschap naar de sultan, dat 300.000 man Franse troepen op het punt stonden Rusland binnen te marcheren. De sultan, die tot dusver de toestand niet al te gunstig had ingezien, was aangenaam verrast en trok met groter vertrouwen dan eerst voorwaarts. Om de Turken tegen te houden was Alexander gedwongen hun niet minder dan 80.000 man tegemoet te zenden.

Onder zijn voorbereidingen tot de Russische veldtocht verloor Napoleon Engeland geen seconde uit het oog. De 21ste november 1806 vaardigde hij te Berlijn een decreet uit betreffende het continentaal stelsel, een blokadesysteem tegen Engeland, waardoor dit land van alle verbindingen met het continent [Europa] werd uitgesloten. Hij ging nog verder en bepaalde, dat alle Engelse onderdanen, die zich bevonden binnen de grenzen van die landen, waar hij te bevelen had, tot krijgsgevangenen moesten worden gemaakt, terwijl hun bezittingen moesten worden verbeurd verklaard. Op deze wijze joeg Napoleon niet alleen het Engelse volk tegen zich in het harnas, doch ook de neutrale volken van Europa, die van onmisbare waren als suiker en koffie beroofd werden.

Er was slechts één land in Europa, dat Napoleon niet vijandig gezind was, daar het van de Franse veroveraar hulp verwachtte in zijn strijd voor vrijheid en onafhankelijkheid. Ja, het zag zelfs reikhalzend naar zijn komst uit, daar het alleen van zijn bemiddeling nog redding kon verwachten. Dit land was Polen, welks vrijheidlievende bevolking zuchtte onder onhoudbare toestanden. [Nu eens werd het vanuit het westen bedreigd door Pruisen, dan weer knabbelde Rusland van Polen’s oostgrens stukjes grondgebied af; om het maar niet te hebben over Oostenrijks opdringerige gedrag in het zuid(west)en.] Waarschijnlijk meer met de gedachte aan eigen voordeel dan aan de vrijheid van het Poolse volk, beloofde Napoleon aan de deputatie van Poolse edellieden, die naar zijn kamp in Berlijn was gezonden, met alle kracht te zullen streven naar het herstel van het vroegere Poolse koninkrijk. [In de Middeleeuwen was dat koninkrijk een belangrijke christelijke natie/voorpost in Oost-Europa.] Reeds einde oktober 1806 deed Napoleon zijn intocht in Polen, waar hij als de bevrijder werd toegejuicht. Zonder te eisen, dat de onafhankelijkheid van hun land zou worden erkend, schaarden de Polen zich aan zijn zijde; zo werd zijn leger versterkt door niet minder dan 60.000 vrijwilligers, die zich terstond aanmeldden. Oostenrijk, dat een groot deel van het oude Polen had veroverd, zag met stijgende onrust Napoleons tocht daarheen en de nationale beweging, die in dat land merkbaar werd. het bedwong zich echter om zijn neutraliteit niet te verbreken. De vorige oorlogen hadden zoveel van Oostenrijk gevergd, dat het nog tijd nodig had om zich te herstellen.

Napoleon trok inmiddels met de grootste snelheid oostwaarts; even snel trok de tsar hem tegemoet. De Russen concentreerden hun troepen in het noordoosten van Polen en Napoleon marcheerde eveneens daarheen, doch uiterst voorzichtig. De opmars werd door allerlei hindernissen bemoeilijkt. De wegen waren ontzettend slecht, de bodem was zeer moerassig. Brede, diepe rivierenlagen als hindernissen in de weg. Toen men de Russche afdelingen eindelijk ontmoette, waren de Franse soldaten uitgeput en niet in het bezit van hun gewone aanvalsijver en zelfbewustheid. Ook was de legersamenstelling niet als gewoonlijk. Vroeger had het uitsluitend bestaan uit Fransen, die bij de nekele gedachte aan het geliefde vaderland in vuur ontvlamden. De vele oorlogen hadden het Frankrijk echter onmogelijk gemaakt steeds nieuwe manschappen te leveren; zo had Napoleon een deel van zijn troepen elders moeten werven. Zo bestond op dat moment het Franse leger voor een groot deel uit Wurtembergers, Beieren, Zwitsers, Hollanders e.a., nu bovendien versterkt door de pas verworven Polen. Hets preekt vanzelf, dat al deze vreemde soldaten niet uitermate bezield werden bij de gedachte, dat zij streden voor de glorie van Frankrijk. Wat hen dreef was iets heel anders: de zucht tot plunderen.

[N.b. Hier zou ik willen opmerken dat Napoleon kundig van de toestand van de Russische wegen en rivieren, daarbij de winterperikelen zich herinnerend, tijdens zijn tweede en grote Russische tocht in 1812 zich toch moet hebben gerealiseerd dat dit een welhaast eenzelfde onbegonnen werk was. Toch viel hij dat jaar met zijn Grande Armée Rusland binnen. Omdat het op dat tijdstip zomer was, omdat hij meende te hebben geleerd van de gebeurtenissen van eind 1806, begin 1807, omdat hij in de veronderstelling was dat de Tsaar zou denken het niet tegen hem, Napoleon, te kunnen opnemen, omdat hij zijn leger bestaande uit allerlei nationaliteiten beter wist te mennen? Er zijn over dit thema artikelen en boeken in overvloed geschreven. Ik wil u lezer hier alvast enkele aspecten ervan onder ogen brengen om er zelf, al is het maar even, bij stil te staan.]

Ondanks dit alles fungeerde de militaire machine nog feilloos en de eerste slag, die bij Pultusk, werd, zij het geen beslissing, dan toch een overwinning voor de Fransen. Napoleons aanvallend leger telde ca. 114.000 man, doch hij eiste steeds verse troepen uit Frankrijk en kon dan ook weldra Lefébre aan het hoofd stellen van een nieuw corps van 23.000 man. De Russische opperbevelhebber was Bennigsen; de Pruisen werden aangevoerd door Lestocq. Deze had de beschikking over 150.000 man, terwijl de verzamelde Russische troepen 90.000 bedroegen. De verenigde legers trokken terug tot Oost-Pruisen. In januari 1807 trok Napoleon hun tegemoet. Hij had een prachtig aanvalsplan ontworpen, dat, indien het gelukte, met één slag een einde aan de oorlog moest maken. Bennigsen echter ontdekte alles en redde zich door een laatste wanhopige poging om de stad Koningsbergen te verdedigen. Lestocq en zijn Pruisen snelden hem te hulp en net bijtijds, want reeds naderde de Franse cavalerie en weldra stonden 80.000 Fransen tegenover de Russisch-Pruisische gelederen. Bennigsen gaf het sein tot de aanval; nu ontwikkelde zich een bittere strijd, waarbij geen der partijen zegevierde en die aan beide zijden evenveel verliezen veroorzaakte.

Maar in de loop van de zomer veroverden de Fransen Danzig, waardoor weer enige legerafdelingen vrij kwamen. Napoleon meende nu dat hij het offensief weer kon openen. Ook de Russen hadden nieuwe krachten verzameld na de vermoeienissen van de winter; ook zij trokken weer voorwaarts. De beslissende slag werd geleverd op slechts enkele mijlen afstands van het vroegere slagveld bij Eylau. Deze slag bij Friedland eindigde met een volslagen nederlaag voor de Russen. Om zijn persoon te redden ging [tsaar] Alexander een wapenstilstand aan (21 juni) en liet Pruisen aan zijn lot over.

Wat [koning] Frederik met de hulp van Rusland niet had kunnen bereiken, nl. zijn ernstig bedreigd rijk verdedigen, moest hij nu alleen trachten te volbrengen met een onbeduidende legermacht in de verste uithoek van zijn land. Natuurlijk waren zijn pogingen vruchteloos en toen Rusland en Frankrijk de vrede van Tilsit (8 juli) sloten, moest Pruisen zich schikken in een verdrag, da veel leek op een doodvonnis.

Terwijl de Russen geen land behoefden af te staan en Napoleon zelfs een bondgenoot kreeg in de tsaar, door de jonge Alexander uitbreiding van diens rijk in het vooruitzicht te stellen, moest Pruisen afstand doen van al het gebied ten westen van de Elbe. Van deze nieuwe aanwinst, gevoegd bij enige andere streken, die aan Hannover, Braunsweig en Hessen werden ontnomen, vormde Napoleon het koninkrijk Westfalen, waarvan hij de scepter aan zijn jongste broer, de lichtzinnige Jerôme, toevertrouwde. Ook het koninkrijk Saksen werd uitgebreid met een deel van Pruisen, en natuurlijk moest Pruisen afstand doen van de op Polen veroverde streken. Zo ontstond het groothertogdom Warschau, waarin de Polen de kern tot een nieuw Polen zagen. Inmiddels schonk Napoleon deze staat als erfland aan de koning van Saksen.

De vernedering van Pruisen was met dit alles echter nog niet ten einde. Een groot deel van de Franse troepen bleef achter in die streken, welke het ongelukkige land niet waren ontnomen. De overwinnaar legde steeds hogere oorlogsschatting op, waardoor het volk werd uitgezogen, doch tevens in hoge mate tot verweer geprikkeld.”

[Dit laatste werd nu niet bepaald een geschikte voedingsbodem voor een weliswaar getemperd enthousiast uitgedragen vrijheid, gelijkheid en broederschap. Dé leuzes van Frankrijk en zijn (volks)revolutionairen van het eerste uur. Trouwens als we bovenstaande tekst goed tot ons laten doordringen en daarbij in de gaten hebben dat de Polen slechts speelbal van de internationale politiek waren geworden in plaats van een vrij volk onder de banieren van een nieuwe, democratiserende beweging die zijn oorsprong vond in 1789, de Franse revolutie, dan is het beschamend te noemen dat Napoleon er bij sommige historici voor wat dit betreft er nog zo genadig van af komt. Juist hij, aanvankelijk voorvechter van vrijheid voor zijn geboorte-eiland Corsica had gewetensvoller moeten en kunnen handelen met de Poolse natie in plaars van zo’n halfbakken hertogdom Warschau. Maar ja, zoals ik al zei: internationale machtspolitiek en democratiserende bedoelingen gaan nu eenmaal moeizaam samen.]

dr. Elze Luikens

Deels bewerkte en aangevulde tekst uit: Geschiedenis der wereld, vijfde deel, p. 89-95, Brugmans en Fischer, 1928.

Ditmaal Arnhem

In onze vakantieserie “Ditmaal” heb ik een tweetal artikelen over de Gelderse hoofdplaats Arnhem voor u uitgezocht. Allereerst de blog waarin Arnhem onder de Gelderse steden welhaast automatisch naar voren wordt geschoven, omdat dààr de Prefect gaat wonen!. Het laat ons tegelijk zien hoe belangrijk de Franse keizer Napoleon het vond dat in zijn Keizerrijk alles geordend en gelijkgeschakeld wordt gemaakt; iets dat ook gold voor het pas ingelijfde Nederlan (9 juli 1810).

De geboorte van de Provinciale en Gedeputeerde staten, augustus 1811… wiens brood men eet, diens woord men spreekt. Stukken van algemene aard

In het tweede artikel gaat het over Napoleons flitsbezoek aan het departement Van den Boven-IJssel – oktober 1811 – , ofwel aan het Gelderland benoorden Waal en Merwede. Meerdere plaatsen worden hierin genoemd, maar de nadruk voor ons ligt ditmaal op Arnhem.

Het flitsbezoek van Napoleon aan Gelderland. De krant van toen. Deel 5

En hiermee sluit ik de vakantieminiserie “Ditmaal” af.

In de volgende blogs wordt de draad weer opgepakt van de biografische serie: “Het leven van Napoleon”. Deel 9″ en verder.

Tot slot: voor zover dat (nog) voor u geldt of gaat gelden: veel vakantieplezier en… à bientôt!

dr. Elze Luikens

Ditmaal Winterswijk

Opnieuw een vakantieaflevering. Ditmaal wordt het Achterhoekse Winterswijk in het (historische) zonnetje gezet met een tweetal artikelen die in eerdere jaren op deze webblog zijn verschenen; artikelen waarin het stadje min of meer een hoofdrol speelde. Een hoofdrol die voor de Winterswijkers bijna verkeerd afliep, omdat ze zich de toorn van Napoleon op de hals hadden gehaald. Veel leesplezier:

Feestelijkheden rond Napoleon

en

‘Onregelmatigheden’ tijdens de viering van Napoleons verjaardag (1812). Deel 1

Fijne vakantie gewenst en tot de volgende blog. En voor de thuisblijvers onder ons: een beetje scrollen en de verschillende onderwerpen en maandarchieven zijn in no time door te lezen.

En mocht het u interesseren: een gratis, vrijblijvend abonnement op deze blog kunt u met een paar muisklikken aanmaken. Zie hiervoor de rechteronderkant van de pagina: VOLG. Afmelden gaat net zo gemakkelijk als aanmelden.

Dr Elze Luikens

Ditmaal Voorst

Voor velen van ons breekt de vakantie aan of is de vakantie al aangebroken. Om deze zomer te voldoen aan de leeshonger van de vaste bezoekers, passanten en/of belangstellenden van deze webblog ga ik elke twee, drie weken een aantal blogs uit mijn archieven opduiken: één per kwartier/streek. Ditmaal een drietal artikelen waarin de mairie VOORST vallend onder het Kwartier Arnhem een rol van betekenis speelde.

Het enige wat u moet doen is ze één voor één aanklikken. Dat kunt u uiteraard ook met eerdere blogs doen: zie hiervoor de rechterzijde van de webblog (even scrollen).

De eerste twee artikelen gaan over de beginjaren van de Bataafs-Franse tijd (1795-1800). Twee schoutambten stonden op het punt te worden samengevoegd. Het gaat erom waardoor en waarvoor.

1795-1796. Voorst en Apeldoorn duiken de Bataafs-Franse tijd in. Deel XIX. Geschiedenis van Nederland.

1798. Theorie en praktijk. Deel XXI. Geschiedenis van Nederland

Een typisch Gelderland artikel is de volgende, waarin verteld wordt hoe Napoleon aan zijn Grande Armée kwam. Daarin speelde de hoogste ambtenaar van Twello, maire Evers, een niet onbelangrijke rol. Vandaar dit derde artikel.

Keuringsartsen voor de dienstplicht van Napoleons Grande Armée

Wilt u nog meer lezen over Voorst/Twello dan kunt u nog aantal andere blogs vinden via de OPZOEKEN-knop aan de rechterkant van de blog (Even scrollen); intikken Voorst of Twello.

Allen een hartelijke groet: dr Elze Luikens.

En reageren kan nog steeds. Graag zelf het onderstaande adres intypen:

napoleon-info@hotmail.nl

Napoleon keert zich tegen Pruisen. Het leven van Napoleon. Deel 8

,,De toestand in Pruisen was in deze tijd allesbehalve rooskleurig. De geest, die onder (koning) Frederik II had geheerst, was sinds lang verdween en de man, die thans het bewind voerde, kon in genen dele met de grote koning vergeleken worden. Frederik Willem III was ongetwijfeld persoonlijk een achtenswaardig man, doch hij miste alle hoedanigheden, waarover een vorst in deze tijd, waarin oorlog regel en vrede uitzondering was, moest beschikken. Een ander kwaad ding was de inwendige tweespalt. De nationale eenheid, die Frankrijk sterk maakte, was hier niet te vinden. Slechts weinigen beseften, dat Pruisen al zijn krachten moest inspannen om de gevaren te trotseren, die dit land ongetwijfeld binnenkort zouden bedreigen, ja zelfs ’s lands vrijheid en zelfstandigheid. Dit kleine groepje had echter het voordeel, gesteund te worden door de eerste persoonlijkheid van Pruisen: koningin Louise, aan wie het vooral gelukte de docenten van de universiteiten en de studenten te winnen. Aanvankelijk hadden deze vaderlandsvrienden geringe invloed, doch door de steeds zwaardere druk van buiten kregen zij meer succes in hun streven, het nationaliteitsgevoel op te wekken en aan te wakkeren. In de zomer van 1806 deden zich ook gebeurtenissen voor, die het volk sterkten in de langzamerhand algemeen geworden opvatting, dat de pessimisten gelijk hadden in hun kijk op de buitenlandse politiek. De invloed van de vredesvoorstanders nam af naarmate de slagen, die het land troffen, zwaarder werden.

Wat Pruisen in de eerste plaats tot het besef bracht, hoe zware eisen de komende tijden aan het land zouden stellen, waren de voortdurende uitdagingen van Franse zijde. De Franse generaals waren natuurlijk min of meer op de hoogte van Napoleon’s krijgsplannen en enige van hen konden niet nalaten hun overmoedige opvattingen, hoe een oorlog voor Pruisen zou aflopen, te uiten.

Een Duitse burger, Yelin geheten, schreef te Anspach een geschrift, waarin hij schetste “Duitsland in zijn diepste vernedering”. Dit werd uitgegeven door de boekhandelaar Palm te Neurenberg. De Franse overheid kende de schrijver niet, doch Palm werd voor een krijgsraad gedaagd en gefusilleerd. Verbittering en verzet verhieven zich van alle zijden. De weinigen, die nog goedertierenheid van Frankrijk verwachtten, dorsten die mening niet meer hardop uitspreken. In Berlijn scherpten de jonge officieren van de oorlogspartij hun degen aan de trappen van het Franse gezandschapsgebouw. Ook de (Pruisische) koning besefte, waar het heen moest, doch hij was te besluiteloos om iets te ondernemen. Toen hij echter bericht ontving van de oprichting van het Rijnverbond, meende hij toch, dat dit te ver ging. Hij trachtte, als tegenwicht een Noordduits verbond tot stand te brengen. Hier was Napoleon natuurlijk niet over (te spreken), doch toch waagde hij niet de oorlog te verklaren daar Rusland tegenover Frankrijk een steeds dreigender houding aannam.

Terwijl Napoleon elk ogenblik van de vrede gebruikte tot het treffen van voorbereidingen tot een nieuwe oorlog, betoonden de Pruisen lang niet die energie, die zij toch zo hard nodig hadden, want het leger was zwakker dan ooit. De gehele organisatie was verouderd. De helft van de manschappen moest uit Pruisen bestaan, doch de rest (soldatenvolk), bijeengezameld uit alle uithoeken van Europa. De officieren moesten in dienst blijven, totdat zij wegens ouderdom werden ontslagen.

De Franse daden van willekeur gingen voort, Hoewel er feitelijk nog vrede heerste. Zo bezetten de Fransen het grensgebied van het groothertogdom Berg en beantwoordden de protesten van Pruisen met de honende uitdaging, dat zij zich schadevergoeding konden verschaffen door Pommeren aan Zweden te ontnemen. Tot Berlijn drong het bericht door, dat de Fransen reeds in opmars waren. Frederik Willem eiste, dat zij (zich) zouden terugtrekken en toen zij niet aan die eis voldeden, besloot hij eindelijk tot de oorlog. Hij verwachtte nu niet meer, dat de Fransen rekening zouden houden met zijn ultimatum, dat ze Duitsland terstond moesten ontruimen.

Dit ultimatum ontving Napoleon in Bayreuth en toen waren zijn troepen reeds op mars naar het noorden. Ondanks alles was de Keizer bang voor Pruisen. De glorie, die de Pruisische troepen had omstraalt in de dagen van Frederik de Grote (gedurende een deel van de achttiende eeuw), was nog niet geheel voor hem verbleekt. Hij nam dan ook maatregelen, die weldra overbodig zouden blijken. Zo liet hij enige zeer sterke legerafdelingen als verdedigingsposten aan de Rijn achter. Het aanvallend leger, dat onder zijn persoonlijk bevel stond, was ca. 100.000 man sterk. Koning Frederik Willem en de hertog van Brunswijk stonden bij het uitbreken van de oorlog te Naumberg met het Prusische hoofdleger, dat 50.000 man sterk was. Vorst Hohenlohe stond bij Chemnitz met 19.000 man en wachtte elke dag op de hem yoegezegde versterking van 20.000 Saksers. Hij wachtte echter tevergeefs. Generaal Rüchel lag in Thüringen met een even grote krijgsmacht, doch nog waren al zijn troepen niet verzameld. Er was een geweldig verschil in opmars tussen de Franseen en de Pruisen. Als tekenend voorbeeld dient het feit, dat de Pruisen geen kaart van hun eigen land bezaten, terwijl de Fransen uitstekende kaarten van het vijandelijk gebied hadden.

Napoleon trok met zijn gewone snelheid voorwaarts. Toch konden de Pruisen nog ten noorden van het Thüringer woud hun troepen verzamelen. Brunswijk stond bij Erfurt, Hohenlohe en Rüchel ieder apart, de een meer in het zuidwesten, de ander in het westen. In overeenstemming hiermee verdeelde Napoleon zijn troepen in drie colonnes, onder bevel van de veldheren, die jarenlange ervaring bezaten. Zo commandeerde Lannes de linkervleugel; achter hem stond het corps van Augereau. Het centrum werd aangevoerd door Murat, Bernadotte en Davout. De rechtervleugel stond onder Soult en Ney. [Waarmee u de namen hebt van Napoleon’s voornaamste legeraanvoerders]. De eerste, die in het vuur kwam, was Bernadotte, tegen het leger van Hohenloge (9 oktober). De strijd tussen beide veldheren duurde twee dagen; toen moesten de Pruisen zich terugtrekken. De linkervleugel der Fransen trok voorwaarts tot Jena, doch daar zij nog steeds niet op een krachtig vijandig leger waren gestuit, begrepen de Fransen, dat de Pruisen hun troepen meer westwaarts hadden geconcentreerd. Zij veranderden van richting en de 14de oktober ontmoetten de vijandelijke hoodlegers elkaar bij Auerstädt. Daar en bij Jena werden slagen geleverd en binnen enkele uren was het Pruisische leger zo goed als vernietigd. Wel kon een deel van hen op het laatste ogenblik de vlucht nemen, doch zij werden al spoedig door de infanterie van Lannes ingehaald. De cavalerie van Murat omsingelde Hohenlohe, die zich met al zijn mannen moest overgeven. De (later) beroemde Pruisische veldheer Blücher, generaal van de cavalerie, wist ondanks talrijke gevaren Lübeck te beriken, doch ook hij moest zich overgeven. Reeds 27 oktober kon Napoleon met alle mogelijke pracht en praal zijn intocht in Berlijn houden.

In het (nagenoeg) vernietigde Pruisen traden de Franse soldaten allesbehalve ridderlijk op. De generaals waren weinig beter en schaamden zich niet, zich geld en kostbaarheden uit de kastelen (van de Pruisische adel) en huizen van de rijke burgers toe te eigenen, terwijl hun soldaten de mindere bevolking uitplunderden. [Dus niets van al die ‘hoge’ idealen van de Franse revolutie]. Het volk was volkomen machteloos en de ellende, die het in deze tijd moest doormaken legde de grondslag tot de grote haat, die de Fransen zo noodlottig zou worden en die het streven naar nationale eenheid van het Duitse volk een stap verder zou voeren”.

[Uiteindelijk is door dit ondoordacht en risicovol handelen – ook in de andere napoleontische oorlogen – in feite de basis gelegd voor aan de ene kant de nog steeds waardevol geachte revolutionaire idealen van gelijkheid, vrijheid en dan pas broederschap: het liberalisme en nog wat strikter het socialisme kwamen hier mede uit voort.

Anderzijds was hier het begin van het ontstaan van het streven van zich verbonden wetende grote groepen , c.q. (een deel van) de bevolking van een godsdienstige stroming, of een land of groep landen met een door allen zo diep gevoelde identiteit: de nationale staat. Wat verderop in de negentiende eeuw leidde dit tot een almaar enger wordend nationalisme. Wat op zijn beurt weer heeft geleid tot een misplaatst gevoel van superioriteit tegenover de ander; rassenleer en nationaal-socialisme/fascisme zijn hiervan de meest extreme uitingen geworden.]

Dr Elze Luikens

Contact kan via: napoleon-info@hotmail.nl (Wilt u het emailadres zelf even intikken?)

Bewerkt en aangevuld, Geschiedenis der wereld, vijfde deel, p. 83-89, Brugmans en Fischer, 1928.

Napoleons almacht dringt door tot in de vezels van de Europese samenleving. Het leven van Napoleon. Deel 7

De Bonapartische familiemacht.

Om zijn positie in zijn uitgestrekt rijk te handhaven en niet te vrezen voor mededingers, verhief Napoleon zijn broers tot heersers over de veroverde landen. Na de Vrede van Presburg meende hij het zich te kunnen veroorloven eigenmachtiger dan ooit te kunnen optreden. Zo aarzelde hij niet Napels door Franse troepen te laten bezetten; hij verklaarde het vorstenhuis Bourbon afgezet en bevestigde er zijn oudste broer Joseph tot Koning van Napels. Nederland oftewel de Bataafse Republiek zag zich veranderd in het koninkrijk Holland onder Napoleon’s jongere broer Lodewijk.

Zijn betrouwbaarste veldheren, die onder het Keizerrijk weer de oude titel van maarschalk hadden gekregen, meende hij zonder enig risico dikwijl zeer belangrijke landstreken te kunnen schenken. Maar dit waren vaak sinds kort onderworpen landen, waar de gedurige aanwezigheid van een krachtig, waakzaam generaal zeer gewenst waren.

Wanneer hij zonder geweld voordelen kon behalen, nam Napoleon gaarne zijn toevlucht tot list. Zo wist hij te bewerken, dat de staten en staatjes in het westen van Duitsland zich van het Duitse Rijk losmaakten en het door hem hiervoor in het leven geroepen Rijnverbond sloten. Het spreekt vanzelf, dat dit verbond afhankelijk van Frankrijk was en dat Napoleon niet aarzelde het ook als zodanig te behandelen. Zo gaf hij zijn vrienden streken binnen het verbond ten geschenke. Natuurlijk vergat hij ook hierbij zijn naaste bloedverwanten niet: het groothertogdom Berg, dat de Keizer aaneen had gesmeed uit enige verspreide gebieden ten oosten van de beneden-Rijn, kwam onder zijn zwager te staan, de ‘vermaarde’ cavalerie-generaal Murat. Talleyrand, de minister van Buitenlandse zaken, en Bernadotte, gewaardeerd generaal van Napoleon’s Grande Armée kregen bezittingen in Italië. Bernadotte werd voortaan Prins van Pontecorvo genoemd.

Door Napoleon’s versplintering van het oude Heilige Römische Reich (het Duitse Rijk) was de Oostenrijkse Keizer Frans II door de veranderde situatie reeds in 1806 gedwongen de Duitse keizerskroon neer te leggen. Zo was het Napoleon gelukt door zijn niets ontziende politiek een rijk van meer dan duizendjarige traditie ten val te brengen. Frans II had reeds twee jaar tevoren de titel aangenomen van “Frans I, erfelijk keizer van Oostenrijk”.

Napoleon als heerser

Nadat de Vrede van Prsburg met grote plechtigheid was gesloten, hadden Napoleon’s gedachten zich dag en nacht bezig gehouden met het vraagstuk, hoe hij het best de volgende oorlog kon voorbereiden. Geen ogenblik dacht hij aan rust of ontspanning, slechts in de arbeid vond hij bevrediging. Vóór alles was zijn zorg steeds aan het leger gewijd. Met de grootste belangstelling nam hij deel aan de kleinste bijzonderheden betreffende kleding en proviand. Zo goed was hij op de hoogte van alle details, dat hij de bevelhebber van afdeling vaak tegenover diens soldaten terecht wees. En dit, terwijl het Franse leger feitelijk over de gehele wereld verspreid lag.

Ook aan de financiën wijdde Napoleon veel aandacht, omdat hij besefte, dat een land zonder sterke economische basis niet met succes kon oorlog voeren. maar zeer zeker niet, een oorlog als die welke hij bezig was voor te bereiden en waardoor hij hoopte zichzelf en zijn land de wereldheerschappij te kunnen verschaffen. Een werkelijk financier was Napoleon eigenlijk niet, echter hij deinsde voor geen inspanning terug, wanneer het hem kon opleveren zich enigszins wegwijs te worden in het economische leven zoals dat zich toentertijd zich ontwikkelde. Evenals op militair terrein wilde hij ook van het burgerlijke alledaagse leven alle details kunnen overzien. Zijn buitengewone werkkracht maakte het hem mogelijk. Hij stond altijd in levendig contact met de leidende financiers en hield voeling met hen omtrent de beurs, de banken en de koersen.

Ondanks al zijn arbeid viel het Napoleon moeilijk, alles naar zijn wens geregeld te zien. Zijn oude schatkistminister [hieruit ontwikkelde zich het Ministerie van Financiën], Barbé Marbois, die hij niet krachtig genoeg vond, kreeg zijn ontslag. In zijn plaats benoemde de keizer François Mollien. Deze gaf lang na Napoleon’s dood een boek uit, getiteld “Herinneringen van een oudminister van financiën”, waarin ons een goed beeld wordt geschetst van Napoleon als hoofd van de staatshuishouding en in het algemeen van de binnenlandse toestand uit die tijd. Mollien was werkelijk de juiste man aan Napoleon’s zijde en verrichtte verdienstelijk werk bij de regeling van de Franse financiën.

Nog een moeilijkheid van ernstige aard had Napoleon te overwinnen: de onderdrukking van elke oppositie. Het schijnt bijna, alsof hij berouw kreeg van zijn welwillendheid tegenover de door de gevolgen van de Franse revolutie verjaagde emigranten [gevluchte adellijke families en hun medestanders, die hij vrij had laten terugkomen; want deze vertegenwoordigers van het oude Frankrijk zagen in Napoleon slechts een parvenue. Er was dan ook de k racht van een Napoleon voor nodig om te vernietigen, wat hun vergiftige tongen veroorzaakten. [Napoleon toonde zich daarbij een zij het superindividualistische voortzetting van de Revolutie van 1789] . Nu trad de Keizer inderdaad met de uiterste gestrengheid op tegen de adel, de gehele stand zowel als enkele van zijn leden. Hij stelde de poltie, die onder leiding stond van de bekende Fouché, in nog strengere waakzaamheid en de vele maatregelen die hij trof, overtuigden zijn tegenstanders, dat zij verstandig deden hun kritiek voor zich te houden. Zo volkomen was de overwinning van de Keizer op de adel van vóór de Revolutie, dat menig aristocraat uit vrees zijn dochters uithuwelijkte aan generaals uit het leger van Napoleon. Op deze wijze versmolt de nieuwe Napoleontische adel meer en meer met de trotse aristocratie van het ancien regime [het vroegere bewind gevormd door de adel, geestelijkheid en Koning].

Maar ook andere Franse burgers kregen te voelen hoezeer bij Napoleon het belang van de Staat boven dat van de enkeling ging. Op universiteiten en scholen werden de studierichtingen geschiedenis en filosfie vervangen door die der militaire wetenschappen. ‘s-Keizers ijdelheid en hoogmoed kwamen steeds meer aan het licht. Hij overstraalde een Oostenrijks monarch in schittering en etiquette. Zelfs poogde hij zijn regering tot een soort theocratie, een gods-heerschappij te maken. Zijn brieven eindigden met de formule: ,,Ik bid God, dat Hij U in zijn heilige bescherming moge nemen”. Een staaltje van zijn hoogmoed was, dat hij in de algemene Franse catechismus [kerkelijk leerboek] liet invoegen, dat hij, Napoleon, was , “de uitvoerder van Gods macht en zijn evenbeeld op aarde”.

[Uit eigen onderzoek komt steeds weer naar voren dat bij iedere officiële staatsaangelegenheid in de kerken voor Napoleon een Te deum moest worden opgevoerd: zie onder meer mijn artikel : Te Deum voor Napoleon . E.L.]

Hij ging zelfs zover, dat hij elke ongehoorzaamheid jegens hem zelf betitelde als een vergrijp tegen de door God ingestelde orde, dat tot eeuwige verdoemenis moest leiden.

De Franse natie echter schikte zich gedwee in deze inbreuk op persoonlijke vrijheid en elk teken van misnoegen werd overstemd door nog onstuimiger klinkende lofuitingen. Men wedijverde in het uitdenken van erenamen voor de Keizer en het is dan ook geen wonder dat de vergoding Napoleon naar het hoofd steeg, toen benamingen als “Gods ridder” , de “gezalfde des Heren” en “Zijne heilige Majesteit” weldra gemeengoed werden.

************************************************

Dr Elze Luikens

Bewerkt en aangevuld, Geschiedenis der wereld, vijfde deel, p. 76-82, Brugmans en Fischer, 1928.

Naschrift: dit gedeelte uit Geschiedenis der wereld geeft denk ik een niet onbelangrijk inzicht in de werkwijze van willekeurig welke (dictatoriale) machthebber: wie dan ook, waar dan ook, wanneer dan ook. Bedenk dat de oorspronkelijke tekst uit 1928 stamt. E.L.