De laatste maanden van Lodewijk’s koningschap met zijn wanordelijk leger. Stukken van algemene aard

We waren nog niet helemaal klaar met Lodewijks laatste maanden als Koning van Holland, zijn (vrijwilligers)leger en de naderende directe invloed van keizer Napoleon op de staatszaken van wat eens de zelfbewuste Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden was. Hiervoor maken we wederom gebruik van het in het Gelders Archief berustende dossier, inv. nr. 0016-2582, vallend onder het Bataafs-Frans archief.

De Minister van Oorlog  Van der Heim was inmiddels voor de tien maanden die het Koninkrijk Holland nog restten opgevolgd door Cornelis Rudolphus Theodorus Krayenhof (1758-1840). Om een wat meer dan oppervlakkige indruk te krijgen van hoe het in deze laatste maanden eraan toeging voor wat de militaire aangelegenheden betreft, volgt hieronder een weergave van wat dossier 0016-2582 voorts nog aan ‘geheimenissen’ daaromtrent bevat. De aangehaalde correspondentie werd door Krayenhof vanuit Amsterdam met de verschillende landdrosten gevoerd.

Amsterdam, Krayenhof, 15 juni 1809: er hebben zich op de openbare weg in verscheidene dorpen (dit werd gesignaleerd/waargenomen door  ‘koninklijke gendarmen’ ) deserteurs in hun volledige uniform aan de dorpsbewoners getoond zonder dat de lokale autoriteiten hen naar hun doorreispas hebben gevraagd.  De Koning laat weten dat dit niet nog eens weer mag gebeuren en gaat hiervoor eerdaags instructies uitgeven.

Amsterdam, de 18de Hooimaand 1809, Krayenhof aan de landdrost: het opzenden van jongelingen uit Godshuizen en Armengestichten naar Utrecht mag niet meer onder een militaire escorte plaatsvinden. Dit vanwege felle kritiek uit het land. Ook dient voortaan dit transport op kosten van en door de betreffende gemeenten geschieden.

De inval van de Engelsen in Walcheren (Zeeland)…. Amsterdam, de vijfde Oogstmaand 1809:…..

…..De Ministers van Marine en Colonien en Oorlog Aan Den Heere Landdrost van’t Departement Gelderland……

Mijn Heer de Landdrost! In het ogenblik, waarin de vijanden van het Rijk, den Oorlog tot in een van deszelfs departementen hebben overgebragt, zal voorzeker geen regt geäard Hollander den nood van zijn vaderland met onverschilligheid aanzien; hij zal zich niet te vergeefs de groote daden zijner voorvaderen herinneren, en hij zal vooral niet dulden, dat diezelfde Britten, die hij in vroeger dagen zoo menigmalen heeft vernederd, thans den grond zijner geboorte verwoesten.” …………. De Koning weet dat zijn onderdanen hem goed gezind zijn en zij hebben ‘niet aan zijne liefde te twijvelen.” Wie mee wil helpen het land te verdedigen zal een gepaste beloning ontvangen.

Dezelfde dag arriveert in Arnhem ook nog een missive van de Minister van Oorlog: er komt, zo is de verwachting, een legereenheid uit Duitsland onder leiding van generaal Gratien, die niet door het Gelders departement op Amsterdam mag trekken. Het waarom en hoe dat zo van dit bericht blijft onduidelijk. Onecht nieuws?

Amsterdam, de 9de Oogstmaand, 1809: de secretaris-generaal aan de landdrost (Krayenhof is absent): in 1806 heeft vooral Gelderland zich van zijn goede kant laten zien toen de nieuwe koning Lodewijk Napoleon opriep om paarden en mannen te sturen om het leger mee te helpen – op vreemde bodem weliswaar – toen Napoleons Keizerrijk dat jaar bedreigd werd. Nu wordt er wederom door de Koning vooral toch een beroep op de Gelderlanders gedaan om nu het land in Zeeland in gevaar is 500 paarden en 100 berijders (van Gelderland werden er resp. 74 paarden en 37 berijders verwacht) naar het Veldleger in oprichting te sturen. Gaarne allemaal in Zutphen verzamelen.

Amsterdam, 12 augustus 1809, de secretaris-generaal aan de landdrosten: de Koning heeft het land gevraagd om 12 bataljons vrijwilligers. Ook Gelderland, zo blijkt, doet mee. De gepensioneerde kolonel Raaff komt een en ander in goede banen leiden. De Gelderse landdrost werd ,,aangezocht” om op kosten van het departement aan de vrijwilligers een voorschot te overhandigen. Over het Gelders aandeel in de toestroom Nederlandse vrijwilligers verscheen al eens eerder een blog:  Koning Lodewijk doet oproep: vrijwilligers stromen toe.

Amsterdam, 31 augustus 1809, Krayenhof aan de landdrost(en): door de omstandigheden menen sommige legeronderdelen dat de nieuwe marsorderreglementen nu niet meer gelden en laten ze de lokale besturen en particulieren voor van alles en nog wat dat het leger aangaat betalen.

Amsterdam, 19 september 1809, Krayenhof aan de landdrost(en): het blijkt dat sommige vrijwillige soldaten hun huisgezin hebben meegenomen. Dit moeten binnen de perken blijven door af te spreken dat per 100 manschappen-vrijwilligers niet meer dan 7 of 8 getrouwd mogen zijn. De rest zal op kosten van het departement worden teruggestuurd.

img006

Op 4 oktober blijkt uit een brief van Krayenhof verzonden vanuit Amsterdam dat het hierboven gesignaleerde probleem nog steeds niet afdoende is opgelost, het  ,,volstrekt onbestaanbaar zijnde met de instandhouding der Militaire discipline en goede orde en dus tot groot nadeel verstrekken van Zijner Majesteits Dienst.”

Amsterdam, de 14de Bloeimaand 1810, namens de Minister van Oorlog: de twee compagnieën Huzaren onder bevel van generaal Van Goes behorend bij de Mobiele Divisie van de Hertog van Reggio [generaal Oudinot, die Napoleon ‘onversaagt’  bijstond tijdens diens Tocht naar Rusland] zijn van Zutphen naar het schoutambt Voorst gedirigeerd en kosten de lokale gemeenschap (te) veel. Vandaar dat ze nu naar Arnhem worden gedirigeerd. Tijdens hun vertrek uit Voorst is het in Brummen tot ongeregeldheden gekomen vanwege allerlei (onbewezen) diefstallen. Toch is de zaak van te weinig belang geacht om er nog verder aandacht aan te besteden; een zogeheten bedrijfsrisico?

Amsterdam, de 17de Grasmaand 1810, de Minister Vice-president van de Staatsraad (Cambier?), gechargeerd met de Portefeuille van Oorlog aan de landdrost: volgens het jongste Tractaat [afspraak tussen Napoleon en zijn broer Lodewijk om laatstgenoemde slechts een romp Koninkrijk over te laten] vloeit hieruit voort dat eerdaags 6000 Franse soldaten het grondgebied van het Koninkrijk Holland zullen betreden op kosten van dat Rijk. …. ,,Ik acht het ten eenemale overbodig, U, Mijn Heer de Landdrost, onder het oog te brengen, hoezeer het welbegrepen belang des Rijks gebied, dat opgemelde Troupes met welwillendheid ontvangen worden en allerwege een heusch onthaal ontmoeten – ” Ze zullen op kosten van de departementale gemeenschap hebben te ontvangen: brood 1 1/2 pond, vlees 1/2 pond, zout 1/30 pond, azijn 1/20 pint Franse maat.

Amsterdam, de 4de Hooimaand 1810, Cambier: de aan de kusten te stationeren douaniers zullen op dezelfde wijze moeten worden gekaserneerd, etc. als dat ook met de inmiddels gearriveerde Franse soldaten is gebeurd.

*************************************************

dr. Elze Luikens (copyright)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

correspondentie graag via: napoleon-info@hotmail.nl

Advertenties

De volgende week weer een nieuwe blog.

In tussentijd staat hieronder nog steeds een heel groot aantal artikelen te lezen. Even naar beneden scrollen. U kunt ook al scrollende gebruik maken van de diverse onderwerpblogs of de maand- en jaaroverzichten rechts van de blogpagina.

35. Op St. Helena, 1816

dr. Elze Luikens

Stukken van algemene aard: perikelen rond het Nederlands (vrijwilligers)leger, 1808-1809

Uit de stukken van ‘algemene aard’ is een dossier bewaard gebleven dat ons een gerichte inkijk geeft voor wat betreft de periode dat er in Nederland voor Napoleons militaire doeleinden nog kon worden volstaan met een vrijwilligersleger. Wij waren, begin negentiende eeuw, maar eigenlijk ook daarvoor niet zo gesteld op vechten voor welke militaire mogendheid dan ook. Dat lieten we liever over aan huurlingen, die voor ons dienst deden. Met de toenemende invloed van keizer Napoleon op onze gewesten, was het een kwestie van tijd dat daar een einde aan zou komen.

In deze blog, gebaseerd op gegevens uit het Rijks Archief Gelderland, Bataafs-Frans archief, 0016-2582. Missiven van de Minister van Oorlog, 1807 juni-1810 6 oktober, 1 pak heb ik die gegevens gedistilleerd die ons een beeld geven van de ‘hoe komen we aan goede soldaten’ – toestand in het Koninkrijk Holland zo vlak voor de invoering van de conscriptie, ofwel de dienstplicht.

Het begint met een brief  (3 juli 1808) van de minister van Oorlog ad interim, Van der Heim (1753-1823), namens Lodewijk Napoleon en bestemd voor de Gelderse landdrost. In dit schrijven maakte Van der Heim de landdrost duidelijk dat het maar eens afgelopen moest zijn in Gelderland met het publiceren (en becommentariëren) van openbaar nieuws in allerlei courantjes die hier verschenen. Voortaan dienden alle officiële afkondigingen alleen gepubliceerd, gelezen en verspreid te worden via de Koninklijke Courant. Dit naar aanleiding van het op zee verloren gegane fregat Gelderland waarover de vreemdste verhalen de ronde deden.

Op 9 juli 1808, een kleine week later, is het Ministerie van Oorlog ter ore gekomen dat in het departement Gelderland in ‘nieuwsbladen’  het bericht heeft gestaan dat burgemeesters en plattelandsbestuurders een open inschrijving hebben ingesteld ten einde te voldoen aan het leveren van dekens voor de ‘gekazerneerden’, dit zijn de in een kazerne verblijvende soldaten. Dat was, volgens het schrijven, allemaal wel mooi en aardig, maar beter was het dat dit voortaan vanuit één punt werd geregeld. De minister dacht hierbij aan Leiden, dat na de Buskruitramp, begin 1807, wel een steuntje in de rug kon gebruiken. De voorschriften voor de aldaar te bestellen dekens voor de vrijwilligers  waren als volgt: er dient door elke deken een zwarte streep te lopen.

Op 4 januari 1809 werd in een volgende brief aan de Nederlandse departementen meegedeeld dat het oude reglement voor de huisvesting en voeding van de landmacht, daterend van 29 augustus 1799, onmiddellijk per Koninklijk Decreet was ingetrokken. Voortaan gold hiervoor een nieuw reglement. Enkele artikelen hieruit ademden de nieuwe tijd: bijvoorbeeld artikel 1: Zodra een legeronderdeel zich naar een andere plaats begeeft, moet de dienstdoende Commissaris van Oorlog dit aan de ontvangende burgemeester etc. meedelen met opgaaf van getalsterkte, paarden, wagens en karren,……artikel 6: Als de aannemer van de Vivres en Fourages in gebreke is gebleven zal de commanderende officier bonnen uitgeven aan gemeentebestuur en/of particulier, die overeenkomen met de algemene voorwaarden Vivres en Fourages.

Wat dit laatste betreft… voor Apeldoorn werd hiervoor de belangrijke papierfabrikant en latere maire J.H. Gunning aangesteld. Hij diende, dit ter verduidelijking, er zorg voor te dragen dat de Apeldoorn (oost-west… west-oost) passerende troepen en paarden op bepaalde plekken in het dorp hun voedselrantsoen en hooi/stro konden afnemen. Of wat ook gebeurde, Gunningh moest ervoor zorgen dat de troepen bij een aantal hiervoor speciaal geselecteerde inwoners werden ondergebracht. Dat onder andere zijn vivres en fouragewerk goed door hem waren uitgevoerd, bleek uit zijn benoeming in september 1811 tot maire van de mairie Apeldoorn. Dat de inwoners en de nieuwe lokale bestuurders anders over hem dachten bleek weer uit de wijze waarop ze na 1813 van hem probeerden af te komen; mede door wat gedoe om geld. Zie ook leestip: Acute geldproblemen verergerd door eigenmachtig handelen. Deel XXV. Geschiedenis van Nederland

Maar dit terzijde. Bovengenoemde brief toont aan dat vanaf toen alles, van vervoer tot kazernering via reglementen en aanplakbiljetten tot in detail werd geregeld en geen burger van het land kon zeggen van niets te hebben geweten. Dat was ook Lodewijk Napoleon. Kort na dit schrijven ontstonden in het land meningsverschillen over de vergoeding aan voerlieden. Daarom diende er onder meer in Gelderland een tabel te komen die de afstanden tussen de plaatsen nauwkeurig aangaf, zodat daarover geen misverstanden meer konden bestaan.

38.Napoleon gaat zelf naar Spanje

Op 25 februari 1809 liet Van der Heim vanuit Amsterdam aan onder meer de Gelderse landdrost weten dat er in de loop der jaren het een en ander aan munitie, geschut, affuiten, vaartuigen, geweren, sabels, kogels, bommen etc. ergens waren blijven liggen of ergens waren opgeslagen. Spullen die voortaan aan het Rijk en aan Waterstaat toebehoorden, volgens de nieuwe voorschriften. De landdrosten dienden onverwijld uit te zoeken waar de genoemde spullen lagen. Dit aanschrijven had in het departement Gelderland als resultaat dat bleek dat onder andere Arnhem vier veldstukken met voorwagens had, Harderwijk twee veldstukken met toebehoren, Wageningen 48 patroontassen en 15 sabels, Hattem beschikte, zo bleek, over 20 jagersbuksen, 75 geweren, twee kistjes met kogels, Bommel had ‘drie ijzeren stukken kanons’  die inmiddels naar Dordrecht waren getransporteerd. En zo gaat de opsomming nog even door; een interessant archiefstuk dat nader onderzocht zou kunnen worden.

En dan nu dat vrijwilligersleger zelf en hoe het aan manschappen kwam. In een brief vanuit Amsterdam, dd. 15 maart 1809, van Van der Heim aan de Gelderse landdrost komt het volgende beeld naar voren: [samengevat] Het is de Koning bekend dat de Ingezetenen van zijn Rijk liever huurlingen uit het buitenland dienst  laten verrichten, dan zelf vrijwillig in dienst te gaan, terwijl dit laatste een veel beter leger ‘creëert’. Ook weet de Minister van Oorlog dat er in verschillende gemeenten bestuurders en inwoners zijn, die de wervers van soldaten tegenwerken door bijvoorbeeld hun aankondigingsplakkaten niet op plakken of ze op afgelegen, als onguur bekend staande plekken hun werk te laten doen. Ook heeft het leger de naam ruw en zedeloos te zijn. Welnu, de tijden zijn veranderd, en er moet nu echt vrijwillig dienst worden genomen. De zeden zijn verbeterd,; voor voeding, kleding en soldij wordt gezorgd, er kan in het leger (van Napoleon) deugd, eer en aanzien worden verworven. En mochten er gemeenten zij die nu nog wensen tegen te werken… laat dit dan weten, mijnheer de Landdrost, eveneens wanneer als er nog onbetrouwbare wervers [dus toch nog!] hun kwalijke praktijken uitoefenen:

,,Een leger uit zulk eene Klasse van Menschen zamengesteld, bij het welk men voorts geen moeite spaart, om beschaafdheid en zedelijkheid, zoo veel maar mogelijk te bevorderen, endat bij gevolg, uit de Koninklijke kwekelingen, met Jongelieden wordt aangevuld, voor wier opvoeding het Gouvernement zelf  de zorg heeft op zich genomen, zal ongetwijffeld alleen in staat zijn den voorouderlijken roem te handhaven. Zulk een Leger moet noodzakelijk tot eer van vorst en volk verstrekken, en dan ook zal geen vader des huisgezins zijne zonen van den krijgsdienst behoeven terug te houden, gerust dat hunne zeden er niet bij zullen lijden, en dat zij, door een goed gedrag, in dezen eervollen stand, bevordering  te hopen hebben.”

Tot zover deze brief, die niet rept over het slagveld, invaliden, verminkten, trauma’s enz. Het is een typisch tijdsdocument gebleken waarin de hogere overheden probeerden het kwalijk imago dat het leger aankleefde zodanig om te buigen dat het zelfs verstandig kon heten dienst te nemen in het leger van koning Lodewijk, dat weer een onderdeel was van keizer Napoleons Grande armée. Ruim een jaar later werden in Parijs verstrekkende plannen gesmeed om ook in het Noordelijke deel van het Keizerrijk de in principe voor alle jongemannen bedoelde dienstplicht onverwijld in te voeren.

***************************

In de volgende blog gaan we ons verdiepen in de maanden dat Kraijenhof minister van Oorlog werd en er in Nederland (1810) vergaande veranderingen op stapel stonden.

dr. Elze Luikens (copyright)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

emailadres: napoleon-info@hotmail.nl

Stukken van algemene aard: godsdienstkwesties,1808

De scheidslijn juli 1810,  de Franse tijd (1810-1813) tegenover de jaren ervoor (1806-1810), ofwel het Koninkrijk Holland met Lodewijk Napoleon als Nederlands eerste koning, is vind ik een te stellige. Op de achtergrond immers van al datgene wat zich in ons land in die jaren afspeelde bevond zich het Franse keizerrijk en dan vooral keizer Napoleon Bonaparte. Ook al voerde zijn broer Lodewijk hier een te persoonlijke koers, hij werd hierdoor wel regelmatig gekapitteld vanuit Parijs en zelfs persoonlijk door de Keizer hierover tot de orde geroepen. Tot zover deze ontboezeming.

Over deze overgangsjaren 1809-1811 gaan deze en de komende blogs, die voor wat deze aflevering betreft in het RijksArchief Gelderland terug te vinden is in het Bataafs-Frans archief, 0016-2576, Missiven van de Minister van Eredienst, later Minister van Eredienst en Binnenlandse Zaken, 1808-1809; 1808, mei 1808 -1809 augustus.

Het is met name Lodewijk Napoleon die zijn tijd, althans wat de Nederlandse situatie betreft, in godsdienstzaken ver vooruit was. Hij geloofde dat protestant en katholiek Nederland in zijn door Napoleon hem opgedrongen koninkrijk er goed aan deden met elkaar samen te werken om in de nabije toekomst ook gezamenlijk door één deur te kunnen. Hieronder enkele voorbeelden die dit illustreren.

I. Allereerst: in een brief uit Utrecht, dd. 21 mei 1808, no. 2 van de Minister van Eredienst (een op voorstel van Lodewijk Napoleon in het leven geroepen ministerie om gelijkschakeling van de christelijke stromingen te vergemakkelijken) aan de Landdrost van Gelderland, Jan Arend de Vos van Steenwijk, wordt hem meegedeeld dat bij decreet van 11 mei, no.4 is besloten tot de aanstelling van een ,,Minister van Openbaaren Eeredienst”. Zie ook het artikel hierover uit 2014: Ministerie van Eredienst

II. Utrecht, 26 juli 1808, de minister van Eredienst Mollerus aan de Gelderse landdrost over het teruggeven van kerken van de protestanten, of waarvan het kerkgebouw een andere bestemming had dan die van de kerkdienst, aan de katholieken, waarbij werd bepaald: ,, 1e dat de oude Collegiale Kerk van St. Walburg in vollen eigendom wordt afgestaan aan de Catholijke Gemeente van Arnhem; 2e dat de Minister van Eeredienst Zijne Majesteit zal aanbieden een ontwerp ten einde de noodige fondsen te vinden, om dezelve Kerk in staat te stellen, om in het onderhoud te voorzien; 3e dat de daar in zich bevindende Arsenaal en Magazijn Goederen naar Doesburg zullen overgebragt worden; 4e dat de Ministers van Oorlog, Eeredienst, Finantien, en Binnenlandsche Zaken aan dit decreet accuratie zullen geven.” Het eerste punt werd door de Minister van Eredienst aan de ‘Katholieke gemeente’ per  brief meegedeeld. De Landdrost diende een inventaristatie van de situatie op te maken (inkomsten, fondsen, bezittingen) en te overleggen om het onderhoud hieruit te kunnen gaan bekostigen.

III. Ene Jacobus Teunissen diende bij de Koning het verzoek in om ,,onderstand ten einde in staat te worden gesteld om voor Roomsch Catholijk Geestelijke te studeeren.” Hiervoor diende hij te worden geplaatst aan het RK-seminarium te Zevenaar. Lodewijk Napoleon gaf zijn minister de opdracht uit te zoeken hoever het ermee stond (Utrecht, 27-7-1808).

IV. Tijdens zijn koningschap maakte Lodewijk Napoleon diverse rondreizen door het Koninkrijk Holland om mensen, gewoonten, gebruiken en problemen die ter plaatse golden te leren kennen. Tijdens zijn verblijf te Buren vernam de Koning, met ongenoegen, dat de Hervormde predikanten aldaar, die tot voor kort uit opbrengsten van de Domeinen hun traktement ontvingen, sedert zeven maanden hieruit niets meer hadden ontvangen. Ter plekke gelastte hij de rentmeester hierover per onmiddellijk tot betaling over te gaan. De predikanten die, en dat werd de regel, voortaan hun inkomsten uit de staatskas of iets dergelijks zouden ontvangen kenden op dat moment landelijk hetzelfde probleem: de plannen waren mooi, maar werden slechts mondjesmaat uitgevoerd. Men weet het aan kinderziekten. (Utrecht, Mollerus, 28 augustus 1808).

V. Nadat Lodewijk Napoleon het voormalige stadhouderlijke lusthof Het Loo had aangewezen als zijn (zomer)paleis, 1807, werden niet alleen gebouw en tuinen gerenoveerd, maar werd ook de plaatselijke godsienstige situatie zoals deze – in vrede- bestond tussen de katholieken en de protestanten betrokken bij een door de Koning noodzakelijk geachte geestelijke opknapbeurt. Alle zaken, zowel de bestuurlijke als de religieuze dienden goed geregeld te zijn tijdens zijn aanwezigheid op Het Loo:

Utrecht, 31 augustus 1808. Mollerus aan de Landdrost: ,,Ontvangen hebbende: Vooreerst: Een Koninklijk Decreet gegeven op het Loo den 25 dezer no.8 houdende:

1e. dat met primo Jan, 1809 het Schoutambt Apeldoorn het Schoutambt van het Loo zal genaamd worden.

2e. dat van gelijken datum het voornoemde Schoutambt bestaan zal uit de Dorpen Loo, Apeldoorn, Bekbergen, Loenen en Vaassen.

3e. dat Zijne Majesteit in het kleine Dorp van het Loo een gereformeerde en een catholieke Kerk willende stichten de Minister van den Eeredienst daartoe de nodige voordragt zal doen; zullende de fondsen nader bestemd worden; waaruit deze kosten zullen gevonden worden, zijnde de Minister van Binnenlandsche Zaken en van den Eeredienst belast, met de executie van voornoemd Decreet ieder voor zoo veel hen aangaat.

Ten tweeden. Een Koninklijk Decreet gegeven op het Loo den 25 dezer no.9 houdende:

1e. dat met primo January 1809 het Dorp Vaasen met het schoutambt van Apeldoorn zal vereenigd worden, en volgens bovengemeld Decreet no.8 de naam van Schoutambt van het Loo voeren.

2e. dat het gehugt het Loo een Dorp zal uitmaken alwaar een Roomsch Catholique en gereformeerde Kerk door Zijne Majesteit zal gesticht worden, zijnde de Minister van Binnenlandsche Zaken met de executie van gedacht Decreet belast.” 

Verder moest de landdrost ,,te dienen van rapport en consideratien, en speciaal omtrent de plaatsen in’t kleine dorp van het Loo; waar dezelve ’t best zouden kunnen worden gestigt, omtrent de groote, welke zij naar evenredigheid der zielen van beide kerkgenootschappen zouden behoren te hebben, en omtrent de gelden, die tot ’t stigten van gemelde Kerken, volgens eene calculateive begroting zouden benodigd zijn. ” Het was de bedoeling dat beide kerkgenootschappen in één gebouw, gescheiden door een wand voortaan hun diensten  zouden houden.

V. Verder bevindt zich in dit archiefdossier een heel groot pak brieven, die handelen over het (niet) betalen van tractementen en pensioenen.

26.de buskruitramp te Leiden, jan.1807

Van belang is voorts de instelling van een Dank- en Bededag: ,,Het is niet alleen de wil en begeerte van den Koning, welke grootelijks behagen schept om den Godsdienstige geest en gevoelens bij zijn Volk te onderhouden, – , maar Zijne Majesteit heeft ook in de omstandigheden, waar in het Land zich bevindt, beweegredenen gevonden om het houden van zoodanigen Dank- en Bededag voor dit jaar [1809] niet langer uit te stellen.” En dan somt de opsteller van dit epistel op de rampen, zoals de Buskruitramp te Leiden en de rampzalige overstromingen der grote rivieren, die het land intussen hebben getroffen, ook al is het tot nu toe gespaard gebleven voor de grote oorlogen die Napoleon elders voerde ,,zal het de pligt zijn van alle derzelver Leeraren om aan hunne Gemeenten in te boezemen die gevoelens van boetvaardigheid, welke moeten ontstaan uit het besef van schuld, en de overtuiging dat wij de zegeningen en weldaden, welke dit Land onder Gods albesturende Voorzieningen zoo langen tijd en zo zigtbaar heeft mogen genieten, verbeurd hebben:”

**********************************

dr. Elze Luikens (copyright)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

napoleon-info@hotmail.nl

Nagekomen:  dr. Jan Postma maakte me attent op een van zijn hand verschenen artikel over Johan Melchior Kemper, verschenen in: J.K.T. Postma, Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman, 41 (2018), p. 122-135, Johan Melchior Kemper, oud-patriotse wegbereidervan de constitutionele monarchie.

Over Kemper laat Jan Postma me in een email plus het artikel (waarvoor mijn dank) in het kort weten, dat deze opereerde vanuit zijn in de Bataafs-Franse tijd opgedane overtuiging ‘verzetsstrijder’ te zijn. Volgens Kemper had Nederland op enig moment nodig dat het zich voor een goed functioneren diende los te maken van de oude partijschappen.

Gelderland maakt zich gereed voor de komst van Napoleon Bonaparte; gedoe met paarden

Eind oktober 1811 is keizer Napoleon Bonaparte enkele dagen in Gelderland geweest (ofwel het toenmalige departement Van den Boven-IJssel). Via Voorthuizen werd de reis voortgezet richting paleis Het Loo, waar werd gedineerd en overnacht. De volgende dag bracht het kleine gezelschap een bliksembezoek aan Zwolle en werd de (latere) IJssellinie ter hoogte van Deventer geïnspecteerd, om na een nieuwe overnachting in Apeldoorn spoorslags af te reizen via Arnhem naar Nijmegen. Zo snel als ik dit opschrijf, zo snel is eigenlijk het bezoek ook geweest. De inwoners, de lokale, regionale en departementale bestuurders hadden zich een en ander eigenlijk anders voorgesteld.

Al in september van het jaar 1811, toen Napoleons voornemens bekend waren geworden om zijn nieuwe aanwinst, de voormalige Republiek der Vereenigde Nederlanden met een (inspectie)bezoek te vereren, werd er koortsachtig gewerkt om alles op orde te maken. Vervelend was alleen dat nog niemand op de hoogte was van het exacte reisschema; laat staan dat de Franse keizer dat zelf ook al in detail wist.

Desalniettemin werd, aldus blijkt uit ingezonden rapporten, duidelijk dat bijvoorbeeld in Velp de bruggen en wegen na inspectie ‘op orde’ bleken te zijn. Voorthuizen deelde 10 oktober de Gelderse prefect Van Andringa de Kempenaer mee: ,,Op het horen van de eerste berichten over de naderende reis van Napoleon naar Holland … heeft de maire [J.W. Roschet] alles in het werk gesteld om alles te verbeteren en op goede orde te brengen.” Maire G. Ockerse van Wageningen liet weten (14 september) dat er in zijn mairie niets hoefde te worden gedaan, omdat alles zich in een goede staat bevond. ,,De bruggen voor de beide stadspoorten waren met klinkers bevloerd en alles zal in gereedheid zijn gebracht voor de komst van Zijne Majesteit den Keizer en Koning.”  Uit Westervoort eenzelfde verhaal (20 september): de grote route van Arnhem naar Elten is in orde gemaakt voor zover ze voor rekening van Westervoort komt en dit geldt ook voor de overige wegen en bruggen. Er is hierover overleg met Zevenaar geweest. Ook de pont verkeert in een goede staat. Zevenaar liet al de zeventiende september weten dat wat hen betreft Napoleon kon komen, want ondanks het ‘droge weer van de afgelopen tijd zijn de wegen zoveel als mogelijk is hersteld’; ook is er hier en daar op wegen met gaten grind gestort, iets dat wel veel geld kostte! Onderprefekt Van der Borch van Verwolde liet de 24ste september voor wat zijn  Onderprefektuur Zutphen betrof weten dat de weg op Bocholt goed op orde is gebracht. Hij voegde aan zijn brief twee opmerkingen toe. Ten eerste bleek hem uit onderzoek dat de brug op de scheiding tussen Hummelo en Zelhem momenteel niet voldoet (is een zaak van Waterstaat) en ten tweede: er heerst in het ambt Bocholt momenteel een epidemische loopziekte of dysenterie, aldus berichten hem toegezonden door de maire van Winterswijk. Tot zover een boeketje berichten over de ‘toestand van de wegen’ in Gelderland van dat moment.

En dan is het keizerlijk gezelschap in Nederland. Zeeland, Gorinchem, Utrecht, Amsterdam, Rotterdam, Den Helder en Haarlem werden met hun aanwezigheid vereerd, terwijl elders de bestuurders en andere belanghebbenden zich zenuwachtig begonnen te maken over de presentatie van het onder hen vallend gebied bij een eventueel bezoek aan mairie of streek. Dit had veelvuldig onzeker contact met de Prefekt  en/of zijn medewerkers tot gevolg. Waar bevindt Napoleon zich; komt hij nou hier naar toe of toch niet? Slechts vierentwintig uur van te voren was er meer zekerheid. Echter de Keizer en zijn gevolg hadden het departement al weer verlaten toen de ceremoniemeesters en hun gemeentebesturen zich nog een allerlaatste keer stortten op het goed uitspreken van hun zelfgeschreven lofredes.

Op de dag voordat Napoleon en na hem de Keizerin zich over de Woeste Hoeve naar Arnhem begaf klonk ineens de noodkreet: er zijn onder meer bij de halte Woeste Hoeve niet voldoende paarden en ‘conducteurs’ (menners) aanwezig. Kom onmiddellijk helpen. Welnu, dat hebben ze geweten. Enkele dossiers uit het Rijksarchief Gelderland getuigen van de chaotische taferelen die dat moet hebben opgeleverd. Het werd een slepende kwestie die pas een jaar later moeizaam werd opgelost. Want direct na de noodkreet die verrassend genoeg in korte tijd vele Gelderlanders bereikte, kwamen van alle kanten mannen met hun paarden naar de Veluwe om ‘hun’ Keizer te komen helpen. Tegen betaling uiteraard. En dat laatste vooral maakte er een hele affaire van. Archiefstuk 0016-2603, Bataafs-Frans archief, is er één in een reeks over dit onderwerp. Uit de arrondissementen Arnhem en Zutphen kwamen al snel de eerste gegevens binnen over het aantal geleverde paarden. Om een paar cijfers te noemen: uit Zevenaar 14, Brummen 10, Vaassen 7, Twello 9, Arnhem 1, Dieren 11, Oosterbeek 3; uit Zutphen 1, Warnsveld 2, Doetinchem 9, Eibergen 7, Groenlo 6, enz. Uit het arrondissement Tiel werd geen enkel paard geleverd.

16. Napoleon temidden van de ruïnes van Smolensk

Maar vervolgens bleek uit andere naar Arnhem gestuurde rapporten weer iets anders. Zo wist maire Van Eck van de departementale hoofdstad aangenomen te krijgen dat er door zijn mensen daadwerkelijk 42 paarden zijn gebruikt voor Napoleon en zijn eega, dat er verder een aantal karren naar De Woeste Hoeve zijn gestuurd, beladen met etenswaar, maar omdat een en ander niet op tijd werd bezorgd stelde dezelfde maire voor om de voerlieden dan ook maar niet te compenseren. De maire van Brummen, P.D. du Bois liet weten, ,,wij hebben 155 paarden, Waarvan drie in gereedheid gebleven, en de overige alle tot den dienst gebruikt zijn.”  Maire Verhuell uit Doesburg meent gedetailleerd genoeg te zijn met de mededeling dat er door zijn mairie 64 paarden voor de koetsen zijn geleverd plus 18 paarden voor alleen al de 30ste oktober 1811. Groenlo leverde volgens eigen zeggen 1 man en 1 paard en drie dagen fourage naar Zutphen. Uit Herwijnen kwam het bericht via de onderprefekt van Tiel dat toestemming was verleend paarden ter beschikking te stellen aan de stad Gorinchem (12 paarden, 11 dagen lang, waarvoor inmiddels 139 gulden en 7 stuivers zijn vergoed. De maire van Dieren liet weten: wij hebben 43 paarden en mannen geleverd welke ,,twee dagen en twee nagten aldaar gestaan hebben en als toen twaalf daarvan voor de Rijtuigen van hunne Keijzerlijke Majesteijten naar Arnhem zijn gespannen geworden het welk op drie uur distantie wordt berekend.” Kosten: 66 gulden en 30 gulden… samen 96 gulden. En zo staan er in dit pak gegevens nog een aantal andere betrokken mairies inclusief gemaakte kosten vermeld.

Interessant is nog de verrassend nauwkeurige opgaaf van oOnderprefekt Van der Borch van Verwolde, arrondissement Zutphen. Hij noemt een aantal bedragen die ons een idee geven van de werkelijk gemaakte kosten, bv. 25 francs en 20 cent wegens geleverde acht schepel haver, 25 francs en 20 cent verteringskosten voor de meegeleverde knecht, 8 francs en 40 cent betaald aan twee koeriers, 172 francs en 50 cent voor de 23 postillons voor twee en een halve dag à 3 francs per dag en 25 francs en 20 cent voor dertig paar touwen aan de paarden à 8 stuivers of 84 cent het paar.

Ene Boulanger werd belast met het uitbetalen van de gemaakte kosten, terwijl Napoleon op dat moment bezig was zich met grote verliezen aan manschappen terug te trekken uit Rusland. We kunnen uit bovenstaande een aantal zaken destilleren: ten eerste, indien nodig, ging een bericht, c.q. hulpverzoek sneller dan gedacht door de regio. Ten tweede heeft een aantal mannen gemeend persoonlijk aan het keizerlijk paar en de rest hun hulp te komen aanbieden om zodoende een glimp te kunnen opvangen van hun Held van Europa. Ten slotte, toen Napoleon al hoog en breed het land had verlaten, probeerden allerlei partijen geld te verdienen aan hulp die ze al of niet daadwerkelijk hadden geboden. De gemaakte kosten probeerden ze in eerste instantie te verhalen op het departementaal bestuur. Toen dat niet een twee drie lukte werd Parijs erbij gehaald. In de eerste hoofdstad van het Keizerrijk werd gewoon berekend wat men altijd voor dat soort zaken berekende. De rest staat deels in detail hierboven vermeld.

**************************************

Met bovenstaande blog sluit ik de ‘inleiding’-artikelen af, die de afgelopen maanden exemplarisch verzameld zijn uit diverse archiefstukken, die terug te vinden zijn in het Bataafs-Frans archief, R.A.G., Arnhem. Een inleiding die een eerste indruk geeft over de jaren 1809-1813. De blogs worden voortgezet met een beschrijving van het departementaal bestuur met eerst enkele algemene notities, vervolgens een gedetailleerder weergave van bijvoorbeeld, landbouw, onderwijs, eredienst en militaire zaken; waarbij uiteindelijk steeds meer en meer de stem van degenen doorklinkt die met dat bestuur van bovenaf te maken hadden, c.q. kregen. En de rest is geschiedenis.

dr. Elze Luikens (copyright)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

contact: napoleon-info@hotmail.nl.  Info: zie o.a. OVER , links bovenaan de beginpagina of de GRAVATAR (klik op het statieportret rechtsboven)

Napoleon in Nederland; ook in Gelderland

Allereerst allemaal een goede start van het jaar 2019 toegewenst.

Op 4 januari 2019 start omroep Max op NPO 2 een vierdelige serie over Napoleons aanwezigheid in Nederland gedurende de september- oktobermaanden 1811. Ik heb in 2011 hieraan een viertal speciale artikelen gewijd waarbij de nadruk is komen te liggen op het Gelderse deel van de reis. Omdat het voor velen een zoeken is naar die betreffende artikelen heb ik hieronder een viertal links geplaatst, zodat u de tv-serie én die eerdere blogs gelijkelijk kunt volgen:

EEN: Napoleon in Gelderland: geen sprookjesreis* (1)

 

TWEE: Napoleon in Gelderland: geen sprookjesreis (deel 2)

 

DRIE: Napoleon in Gelderland; eind oktober 1811 (deel 3)

 

VIER: Napoleon in Gelderland: het waarom (deel 4)

In de eerstvolgende blog gaan we dieper in op de rondreis. Aan de hand van archiefmateriaal over de paardenleverantieproblemen gedurende de rondreis van de Franse keizer krijgen we een inkijkje over het verloop van een en ander.

dr. Elze Luikens (copyright) / emailadres: napoleon-info@hotmail.nl (zelf even intikken om spam en zo te voorkomen)

 

Was Napoleon Bonaparte een Fransman of een Europeaan? Een volgende tussenbalans

,,Ziet u dat? Daar staat het weer: God bescherme de Koning. Wat ik liet drukken was: God bescherme Frankrijk!”** Woorden van Napoleon, enige tijd nadat hij had moeten capituleren (voorjaar 1814) en vervolgens werd verbannen naar het eilandje Elba, tegenover Italië en ver genoeg weg van Frankrijk; dat werd tenminste aangenomen. Hij sprak deze woorden nadat hem was verteld dat een Bourbontelg als koning Lodewijk XVIII de Franse troon van hem had overgenomen en het eerste nieuwe geld met diens afbeelding daarop in Frankrijk begon te circuleren. Hoe anders was de tekst op het circulatiegeld met Napoleons portret op de keerzijde.

Als we dit Napoleon-citaat sec nemen, zoals het daar staat, dan is bovenstaande vraag hiermee lijkt het al beantwoord. Maar laat ons dan in ieder geval dat begrip Fransen breder nemen dan enkel het Franse volk. Als we dit doen: dan moeten we ook al die aan Frankrijk toegevoegde  landen en landjes erbij rekenen. Tot voor kort deelden zij, dankzij de er ingevoerde wetten, decreten en het opnemen van een groot aantal jongemannen in de Grande Armée, eveneens rechtstreeks mee in het wel en wee van dat inmiddels zeer uitvergrote Frankrijk: Napoleons keizerrijk.

32.een stuk brood voor hun keizer

Napoleon geboren te Ajaccio groeide op het eiland Corsica op, het eiland dat juist in zijn jonge jaren  en pubertijd (1769-1789) onder rebellenleider Paolo zich probeerde te bevrijden van de pas over het eiland uitgerolde Franse overheersing. De Franse koning en zijn regering hadden het eiland met alles erop en eraan gekocht. Een onafhankelijkheidsstrijd overigens die moeizaam verliep. En ook nog eens extra gedwarsboomd werd door de Engelsen die juist hun British empire in de Middellandse Zee aan het opbouwen waren: ik doel op al die steunpunten voor de Engelse marine en de groeiende Britse handelsvloot. Ook al was de jonge Napoleon in Valence – Frankrijk op jeugdige leeftijd inmiddels begonnen aan een militaire opleiding tot (onder-)officier en werd hij als een Fransman met een rare tongval beschouwd, aanvankelijk bleef zijn ziel en zaligheid toch sterk verbonden aan Corsica.

Maar wanneer de maatschappelijke onrust uit de jaren tachtig van de achttiende eeuw tot een geweldige explosie komt (de Franse revolutie, 14 juli 1789), de revolutieprincipes luidkeels gepredikt worden en de leuzen vrijheid-gelijkheid en broederschap de beweegredenen van velen worden om diezelfde Franse revolutie over de Franse grenzen heen te dragen naar vorstendommen en koninkrijken elders,…  en juist wanneer rebellenleider Paolo Napoleon inpepert dat hij wat hem betreft op Corsica niets te zoeken heeft, … wordt de eilandbewoner Napoleon van het ene op het andere moment een echte Fransman, maar wel een van revolutionaire snit. Niet dat hij de inmiddels Europees aandoende Franse beweging een en al toewijding toont. Maar de indirecte gevolgen van een en ander weet hij wonderwel steeds doelbewuster en nauwkeuriger te benutten. Hij wordt na eclatante militaire successen de meest populaire aanvoerder van het volksbevrijdingsleger in Noord-Italië en blijkt tevens over strategische en tactische talenten te beschikken. Van hem wordt dan ook verwacht dat hij zich weldra zal gaan bemoeien met de leiding in het nog steeds revolutionnaire Frankrijk.

Maar dan trekt hij zich terug uit het machtsspelletje dat in Parijs wordt uitgevochten, laat zich op een legerexpeditie naar Egypte sturen om zodoende de Engelse machtsuitbreiding in dit gebied tegen te gaan en is binnen de kortste keren niet alleen de legeraanvoerder van dit expeditieleger, maar gedraagt zich eveneens als een Europese sultan in dit Arabisch land. Hij maakt er wetten, probeert de Egyptische samenleving op een westers niveau te brengen; en passant voorbijgaand aan de daar eeuwenoude gebruiken en gewoonten en de principes van de islam. Wanneer het er zowel  militair als politiek een fiasco dreigt te worden, pakt hij zijn koffers, laat het expeditieleger er voortmodderen en beseft dat zijn kans is gekomen om in Frankrijk de macht te grijpen. En dat terwijl hij kort te voren meende dat hij à la een Alexander de Grote kon doorstoten naar (Brits-)India. Wat we inmiddels aan hem ontdekken is dat opportunisme hem niet vreemd was; pragmatisme evenmin. Hij speelde de rol die de gelegenheid hem bood, met verve en allure.

In Frankrijk aangekomen wordt hij eind achttiende eeuw er eerst consul en op 2 december 1804 Keizer van alle Fransen ( lees ook: 2 december 1804 ). Let wel, in tegenstelling tot de andere vorsten van zijn tijd beriep hij zich op het feit dat hij niet voortkwam uit een vorstengeslacht, maar uit het Franse volk en hij één van hen was; de gevolgen van de Franse revolutie waren immers gelijkheid voor alle burgers en vrijheid voor iedereen om zich onder zijn banier – de adelaar – te scharen. Laat duidelijk zijn dat Napoleon de Franse revolutie en al wat erna kwam niet verafschuwde, maar zag als een onwillig paard dat door hem moest worden getemd en vervolgens door hem alleen mocht worden bereden. Hiervoor wilde hij wel weer rust zien in diezelfde Franse samenleving én in de landen om Frankrijk heen. Om dat te realiseren achtte hij het raadzaam om het kernland Frankrijk heen een gordel van hem getrouwe landen en volken aan te leggen. Omdat eenheid en gelijkschakeling (zijn opvatting over gelijkheid!) vereisten waren voor een welslagen van deze onderneming voerde hij in al die gebieden waar Fransen het bestuur overnamen zijn verschillende wetten, maatregelen, conscriptie, belastingen en bijvoorbeeld dezelfde maten en gewichten en muntgeld in.

15. Aan de Berezina 1812

In 1812, op weg naar Rusland om er een van zijn laatste tegenstanders uit te schakelen om dit Europees plan te voltooien trokken tezamen met zijn Grande armée mannen uit allerlei landen mee oostwaarts. Gezamenlijk op weg naar de eindoverwinning. We weten hoe dit afliep of lees anders nog even dit artikel terug: ( Napoleon verklaart Rusland eenzijdig de oorlog. De krant van toen. Achtste deel  ). Kort hierna was het gedaan met zijn Europees project dat zo is achteraf wel gebleken meer gebaseerd was op de macht van grote legereenheden en pas daarna op wetten, belastingen en gelijke rekeneenheden.

In een tijd waarin aan de ene kant vanuit Brussel (het nieuwe Parijs) wordt geprobeerd de Europese eenwording meer en meer te realiseren en aan de andere kant nationale tendensen in opkomst lijken, mist men een aansprekende leider die het hele project goed van de grond kan krijgen. Napoleon was er wel zo een, die ook nadat zijn macht allang was gebroken de hoofden en harten van zijn getrouwen, de door hem geraakten, heeft weten te bewegen tot aan onze tijd toe. Dat hij voor zijn Europees plan zonder aarzeling mensenlevens opeiste, was iets dat in de tijd waarin het zich het heeft afgespeeld een gewonere zaak blijkt dan tegenwoordig. Ik noemde zojuist de nationale tendensen van onze tijd als een blokkade op weg naar een mogelijke Europese eenwording. En juist daar begon de Franse keizer op het laatst ook last van te krijgen: Spanje verkeerde in een burgeroorlog, in Duitsland begonnen studentenverenigingen en pre-nationalistische groeperingen zich van het grote Napoleon-project af te keren en in ons land begon de onverschilligheid tegenover het Franse bestuur (sinds 1810) toe te nemen.

Was Napoleon een Europeaan of een Fransman? Ik denk, dat we het Europa van nu niet kunnen projecteren op het Europa van toen. In dat opzicht was hij een Fransman-Corsicaan die met visie en toewijding, doorspekt van militair geweld, Europa zijn wil meende te mogen opleggen om dit continent van de volgens hem achttiende eeuwse teloorgang te redden.

Saillant detail is dat na Bonaparte’s definitieve nederlaag (Slag bij Waterloo) de Europese vorsten en ministers, bijeengekomen op het Congres van Wenen, hebben gedacht een op een op christelijke grondslag nieuw Europa, vol van samenwerking en eendracht, op hun tekentafels te moeten ontwerpen.

Tot slot Napoleon nog even aan het woord – op St.-Helena: ,,… Mijn dictatuur was noodzakelijk, het bewijs daarvoor is, dat men mij steeds meer macht aanbood dan ikzelf wilde… .”**

**citaten ontleend aan: Napoleon, Emil Ludwig, Berlin 1931

*********************************************************

Al mijn blogvolgers, abonnees (gratis!) en passanten een gezegende Kerst gewenst en een goede start van het Nieuwe Jaar 2019,

dr. Elze Luikens (copyright) en H. Luikens-de Kruif (tekstredactie)

Nog een klein verzoek: deel deze blog ook met anderen.

25. ....