Ook de prefect moet toestemming vragen om te mogen reizen

In een eerdere blog (Votre passeporte s’il vout plaît) liet ik u al weten dat reizen zonder meer in het Franse keizerrijk aan allerlei strikte regels was verbonden. Maar ook de prefecten van de departementen hadden aan hún meerderen op te geven waar ze verbleven tijdens een ‘dienst’-reis buiten hun departement, nadat ze eerst om toestemming hiervoor moesten vragen.

In dossier RAG, Bataafs-Frans archief 0016-4598. Briefwisseling met de Minister en de Intendant van Binnenlandse Zaken over (de goedkeuring van) een verblijf buiten het departement van de Prefect, 1812, 1813. 1 omslag komt de afhandeling van een en ander goed naar voren.

Een. Prefect Andringa de Kempenaer van het departement Van de Boven-IJssel gaf in een brief aan de Intendant van Binnenlandse Zaken d’Alphonse aan (de man was de plaatselijke vertegenwoordiger van de Franse minister De Montalivet, maar dan voor het Nederlandse deel; een soort toezichthouder) dat hij voor privézaken enige tijd buiten zijn departement wenste te verblijven…

Twee. ….maar d’Alphonse accepteerde dit niet (Amsterdam, 21 maart 1812). Hij motiveerde dit als volgt: ,,C’est Sa Majesté seule qui accorde des congés à M.M. les Préfets.”…. slechts de Keizer in eigen persoon kon hiervoor toestemming verlenen en heel soms de minister van Binnenlandse Zaken. Dus meneer de Prefect… uw reisje naar Friesland (daar had Van Andringa de Kempenaer zijn werkelijke domicilie) is niet zo maar even geregeld. Dus wacht allereerst hiervoor de goedkeuring van Binnenlandse Zaken af. (vrij vertaald!)

Regnerus Livius van Andringa de Kempenaer (bron: Iconografisch Bureau, Den Haag)

Drie. Op 13 april 1812 werd aan de Gelderse prefect een reisvergunning verleend en wel door ‘Le Chef de la 1re Division du Ministre de l’Intérieur’  : voor 15 dagen en niet meer.

Opmerking a. Wat daarna volgde was een stapel brieven over de vervanging, zijn terugkomst, enz. die de Prefect in hoogst eigen persoon vóór zijn vertrek had te regelen. Omdat Van Andringa de Kempenaer de reis wist te bekorten, werd hem in een brief hiervoor dank gezegd via de Intendant.

Opmerking b. Daarna volgde een uitvoerige correspondentie met d’Alphonse over een derde reis van de Gelderse prefect, ditmaal naar prince Le Brun. Ik vermoed dat dit de gewone procedure moet zijn geweest voor dergelijke dienstreizen, wanneer een prefect zijn departement voor enige tijd verliet.

Vier. Parijs, de 6de april 1813, Le Ministre de l’Intérieur, Comte de l’Empire: toen Van Andringa de Kempenaer op 6 maart 1813 opnieuw een verzoek indiende om zijn familie in Friesland om privéredenen te mogen bezoeken, werd dit door de minister in eigen persoon van de hand gewezen, omdat de huidige situatie [het spande er op dat moment om of Napoleon de grenzen van het Keizerrijk nog effectief genoeg kon verdedigen] verlangde dat iedere prefect op zijn post diende te blijven: ,,Les Circumstances actuelle exigaut que vous restien à votre poste… .”

Vijf. Een volgend verzoek om wegens familieomstandigheden naar Friesland te mogen afreizen gedaan op 3 augustus 1813 werd door Intendant d’Alphonse op de lange baan geschoven ( 16 augustus 1813, Amsterdam, no. 2736), omdat de Prefect er eerst voor had te zorgen dat een nieuwe conscriptie diende te zijn afgerond tot ieders tevredenheid. Wellicht had Van Andringa de Kempenaer de voor Frankrijk op dat moment gunstige militaire krachtsverhoudingen zodanig geïnterpreteerd dat zijn afwezigheid kon worden toegestaan.

Zes. Amsterdam, 7 september 1813, no. 2972: een herhaald verzoek van de Prefect werd wederom van de hand gewezen: [let hierbij op de motivatie ervan]

,,que les circumstances ne lui permettent pas de mettre pour le moment cette demande sous les yeux de l’Empereur.” [ik kan de keizer onder de huidige omstandigheden niet onder de ogen komen met een dergelijk verzoek]

,,Je regrette, Monsieur, que la décision de Son Excellence, ne soit pas conformé à vos veux. Mais le bien du service de Sa Majesté en est ce motif de ce motif dera pour vous aussi consolant qu’il doit l’être. J’ai l’honneur d’être un considération distiquée Monsieur le Préfet.”[een wollig: nee]

Kortom: een prefect diende in het Franse Keizerrijk op zijn post te blijven, net zoals de Keizer dat deed. Toch?

**********************************************************

De volgende blog gaan we verder met”Het leven van Napoleon. Deel 3″; daarna gaan we dieper in op de jaren 1812-1813, de laatste jaren van het Franse keizerrijk en ook dan is Gelderland het voorbeelddepartement voor de andere departementen.

Dr. Elze Luikens (gedeeltelijke copyright)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

napoleon-info@hotmail.nl

 

Het leven van Napoleon. Deel 2: Napoleon wordt officier en bewijst zijn kwaliteiten in Italië.

Wat vooraf ging: Het leven van Napoleon. Deel 1: inleiding en Corsica

Opleiding tot officier in het Franse leger

,,Napoleon werd door zijn vader Carlo Bonaparte naar de cadettenschool te Brienne gezonden. Echte Corsicaan die hij was, paste hij niet in het minst bij de andere jongens, veelal zonen van adellijke families, die op hem neerzagen vanwege zijn lage, twijfelachtige Corsicaanse adel en hem door hun spotternij, veroorzaakt door zijn ietwat onbehouwen optreden, veel verdriet berokkenden. Zijn leraren daarentegen merkten al gauw zijn buitengewone gaven en enkelen onder hen vermoedden vrijwel onmiddellijk dat uit de jonge Corsicaan een groot man zou groeien. Ze zagen ook zijn eigenliefde en zijn ontoombare eerzucht en meenden, dat hij tegelijkertijd de kiemen van veel goeds, maar ook van veel kwaads in zich droeg. De weg, die Napoleon moest gaan, lag lang niet effen en welgebaand vóór hem. Enige jaren sleet hij in verschillende garnizoensplaatsen als arm luitenant, doch reeds in die tijd begonnen zijn eerzuchtige dromen een grote, glanzende toekomst te ontvouwen, groter en schitterender dan hij zich aanvankelijk had durven voorstellen, want al veel vroeger had hij zich zelf gezien als de bevrijder van zijn vaderland, Corsica.  Maar door de schokkende gebeurtenissen veroorzaakt door de Franse revolutie (1789), zouden veel ingrijpender plannen zich beginnen te rijpen in het eerzuchtige, onvervaarde brein van de jeugdige officier, die hij inmiddels was geworden.

In het begin was Napoleon slechts een geïnteresseerd toeschouwer in het grote, voor de wereldpolitiek van toen zo veel betekenende drama, dat zich voor zijn blikken afspeelde: de Franse revolutie, die eigenlijk al in 1788 was begonnen. Maar weldra kwam hij tot het besef, dat hier grote kansen wachtten op hem, de moedige geluksjager, die hij eigenlijk al was gewordenen die streefde naar eer en glans. In de strijd tussen de Girondijnen en de Jacobijnen [eerstgenoemden waren meer gematigd van opvatting, laatstgenoemden wensten de principes en daarvan de gevolgen van de Revolutie zo ver als maar mogelijk was in de samenleving door te voeren] zag hij terstond, dat de daadkracht van de laatsten de zege moest behalen. Hij sloot zich bij de Jacobijnen aan en met hun volkomen triomf te midden van al die verwarrende politieke ontwikkelingen maakte Napoleon een snelle carrière. In de eerste oorlog, die de jonge Republiek [het koninkrijk Frankrijk was voor vervallen verklaard] tegen de verenigde vreemde mogendheden had te voeren, onderscheidde hij zich zodanig, dat de Conventie [de nieuw gevormde ‘revolutionaire’regering] terstond zijn gaven als veldheer opmerkte en toen in het najaar een royalistische oproer in Parijs uitbrak, vertrouwden zij hem het opperbevel over de  in de Franse hoofdstad aanwezige troepen toe. [Hij liet zonder aarzeling op de opstandigen schieten]. De overwinning, die hij hierdoor voor de Conventie behaalde, versterkte nog het vertrouwen, dat men in leidende kringen in hem stelde.

Josephine de Beauharnais

Alle begin is moeilijk voor de strijder, die zich omhoog wil werken en zo was het ook voor Napoleon. Niettemin waren reeds aller blikken op hem gevestigd. Napoleon wenste echter niet te rusten op de behaalde lauweren. Zijn eerzucht, die geen grenzen kende, richtte zijn aandacht al weer op iets hogers. Hij trad in het huwelijk met de weduwe van de vicomte De Beauharnais (1796) die als generaal van het leger van de revolutionaire regering, wegens militaire tegenspoed het schavot [de guillotine] had moeten beklimmen. Josephine de Beauharnais viel de eer te beurt hand in hand met hem te gaan die weldra een der machtigsten van het land zou zijn en met hem de weg naar een duizelingwekkende hoogte te bestijgen. Ook zij was eerzuchtig en haar streven, door haar invloedrijke relaties het aanzien van haar echtgenoot te vergroten, droeg er zeker toe bij Napoleon de weg te effenen.

De Italiaanse veldtochten

Twee dagen vóór zijn huwelijk werd hij op voorstel van Carnot aangewezen als bevelhebber in de veldtocht naar Italië tegen Oostenrijk en de bondgenoten aldaar. De kleine, tengere jongeling overtrof spoedig alle anderen als aanvoerder der soldaten, die hij door zijn vlammende welsprekendheid tot geestdrift opzweepte en die voor hem door het vuur gingen. [Eén van de eerste zaken die hij regelde was het beter kleden van zijn manschappen, die tot dan soms in vodden gehuld slag leverden; voor een nog betere bewapening ontbrak voorlopig nog het geld].

Bonaparte voerde zijn 40.000 slecht uitgeruste soldaten over de lage bergpassen tussen de Alpen en de Apennijnen en had in minder dan twintig dagen het in getal veel sterkere Oostenrijkse leger over de Po teruggedrongen en de Sardiniërs tot wapenstilstand gedwongen. De tiende mei 1796 bestormde hij bij het stadje Lodi de lange houten brug over de rivier de Adda. Bonaparte en zijn leger hielden hun intocht in Milaan, waar hij door de Lombardische republikeinen als een bevrijder werd ontvangen, doch waar hij meer als veroveraar dan als verlosser optrad. [Dit alles smaakte naar meer]. Nu werd de aanval gericht tegen Mantua, de sterke Italiaanse vesting van de Oostenrijkers. Pogingen om de vesting te ontzetten werden verijdeld door de overwinningen bij Arcole en Rivoli en toen de vesting in februari 1797 viel, stond Oostenrijk voor de overwinnaar open. De zegepraal ontvlamde de harten der Franse soldaten, doch zij beseften, dat het meer hun aanvoerder was dan zij zelf, aan wie de overwinning te danken was. [Het zou steeds weer zo zijn dat zijn tactiek en strategie op kantelpunten in de geschiedenis onnavolgbaar (b)leken].

Sardinië moest zich volkomen overgeven. Het moest de overwinnaar om genade smeken en verkreeg een wapenstilstand door zowel Savoye als de kust van Nizza af te staan. De Italiaanse vorsten waren gedwongen, Sardinië’s voorbeeld te volgen; ja, zelfs de Paus werd vernederd: hij moest Frankrijk Venaissin en Avignon afstaan. Hiermee nog niet tevreden, eiste Frankrijk bovendien het pauselijk gebied Romagna met de steden Ravenna, Bologna en Ferrara. Ook voor de andere Italiaanse vorsten waren de vredesvoorwaarden uiterst streng. [Ook dat was Napoleon!]. Frans II van Oostenrijk werd, nadat Bonaparte over de oostelijke Alpen was getrokken en Wenen naderde, tot vrede gedwongen. De aan de Paus ontnomen streken zouden tezamen met het hertogdom Modena, Venetië ten westen van de Adige en Lombardije een van Frankrijk afhankelijke staat vormen, de Cisalpijnse republiek genaamd. Ook Genua werd een Franse staat onder de naam Ligurië. In ruil daarvoor kreeg Oostenrijk het grote oostelijk deel van de Venetiaanse republiek. De Oostenrijkse heerschappij was aldus vervangen door de Franse. [Bedenk wel dat tot aan de inval van de Fransen in Italië dit land eigenlijk geen land was; het bestond uit allerlei gebiedjes en vorstendommetjes met veelal ook nog invloeden hierop van buitenaf. Een soortgelijke situatie trof Napoleon enkele jaren later in het Duitse rijk aan. Ook daar maakte hij een eind aan de vele rijkjes die het gebied rijk was: 1806].

De schitterende positie naar buiten, die Frankrijk thans innam, ging echter geenszins gepaard met inwendige eenheid en kracht. Nog steeds heerste alom onrust; de zoveelste revolutionaire nieuwgevormde regering, het Directoire bleek niet in staat de orde te herstellen. Bonaparte daarentegen slaagde in alles. Generaal Hoche, die zich had onderscheidden in de Duitse veldtocht en met generaal Moreau de enige was, die zich met Bonaparte kon meten, stierf nog vóór de ondertekening van de vrede van Campo Formio. De eerzuchtige Bonaparte begreep zeer wel, dat dit overlijden voor hem zelf bijzonder van pas kwam.

Inmiddels ging Frankrijk voort, zijn macht naar buiten uit te breiden. De Kerkelijke Staat, het pauselijke vorstendom, werd in 1798 volkomen afhankelijk van Frankrijk; de leden van het Directoire schaamden zich niet de grijze paus Pius VI als gevangene naar Frankrijk te voeren. [Dit zegt genoeg over hoe in het revolutionaire Frankrijk tegen religie werd aangekeken]. Ook Zwitserland kwam geheel onder Franse heerschappij te staan. De oude Zwitserse bonddstaat werd opgeheven en het land veranderd in de Helvetische republiek.”

Uit: prof. dr. H. Brugman en dr. H. Fischer, Geschiedenis der wereld, deel V, Amsterdam, Malmö, Kopenhagen, Berlijn, 1928, p. 54 – 59. Bewerkingen en aanvullingen zijn van mijn hand.

*******************************

Hoe in Nederland de situatie er in deze jaren voor stond kunt u onder andere teruglezen in:

Komt het land nog in beweging? De jaren 1795-januari 1798. Deel XX. Geschiedenis van Nederland

*******************************

dr. Elze Luikens

Enkele personen waarvan we de namen al eens zijn tegengekomen en iemand die uit de boot viel

In Parijs, de hoofdstad van het Franse keizerrijk, werd besloten dat door de departementen van alle voor Napoleon werkzame personen een korte persoonsbeschrijving zou worden opgestuurd (1812) waaruit hun loyaliteit aan de Franse keizer moest blijken. De Gelderse prefect R.L. van Andringa de Kempenaer stuurde dan ook datzelfde jaar een uitvoerig document op, dat als afschrift in het Rijks Archief Gelderland terug te vinden is en wel in het Bataafs-Frans archief 0016 onder inventarisnummer 4596Staten van persoonlijke gegevens van de Prefect en van de Leden van de Raad, met bijbehorende briefwisseling, 1812, 1813. 1 omslag.

Eigenlijk wilde de minister van Binnenlandse Zaken van het Rijk, Montalivet, (Comte de l’empire  Français),  gewoon weten wie wie was in de verschillende hogere bestuurslagen. Ons komt de beschrijving ervan goed van pas, omdat de resultaten van dat onderzoek ons daardoor een beeld schetsen met wie we van doen hebben (en tot nu toe hadden). Mij gaat het daarbij vooral om de personen die in de (Gelderse) Prefectuurraad hadden plaatsgenomen:

Eén. Godefroid François mr. Van Hugenpoth kwam uit een oude adellijke familie. Begonnen in het leger had hij daarna carrière als bestuurder gemaakt. In het leger diende hij (1805/06) te Würtemberg, gedurende oorlogshandelingen aldaar. Verder zat hij in een commissie van landbouw en economie; was hij niet in politieke verwikkelingen verzeild geraakt en was hij onder meer ook nog Bailluw van de OverBetuwe. Op het moment van schrijven had hij de leeftijd van 72 bereikt. Bij velen stond hij bekend als een ”galant heer”.

Twee. Jean Mr. van Pallandt was afkomstig uit een zeer oud adellijk geslacht. Hij heette goed ontwikkeld; hij had een universitaire opleiding gevolgd. Hij stond bekend om zijn ‘heldere opvattingen’ , wellicht ten gevolge van zijn politieke opstelling hem meegegeven door zijn ouders die bekend stonden als ‘aanhangers van de democratische partij’ , waardoor hij mocht worden beschouwd als ‘doortrokken van dezelfde opvattingen’. Desondanks had hij zich daarbij niet ingelaten met allerlei politieke verwikkelingen uit de voorbije jaren. Hij was onder meer commissaris van de Domeinen geweest en assessor van de Landdrost van Gelderland. Voorts werd vermeld dat hij voor de tweede maal weduwnaar was geworden, hij zijn kinderen zelf had opgevoed en woonachtig was te Arnhem. Als inmiddels 36 jarige heette hij behoorlijk gefortuneerd en werd door velen beschouwd als een man die zijn plichten wenste na te komen.

Drie. Jan Arnold Godaerd mr. Van Dedem, stamde uit een adellijk Overijssels geslacht en had een opvoeding genoten overeenkomstig zijn afkomst. Hij heette over een goede geest te beschikken en loyaal van opstelling te zijn. Zijn rechtenstudie had hij ‘met groot gevolg’ afgelegd waarna hij zich als Juridisch consultant (adviseur) in Gelderland had gevestigd en te Arnhem in de municipaliteitsraad was benoemd. Evenals zijn ouders was hij weliswaar gehecht aan het Ancien Regime, maar sinds zijn ,,le nouvel ordre de chois” was hij daar wel goed mee omgegaan. Naast gesteld te zijn op (h)eerlijk amusement, hield hij van jagen, werd gemiddeld rijk geschat en was hij op het moment van schrijven een 32-jarige vrijgezel.

Vier. Roeland Jan mr. Bouricius was afkomstig uit een ‘gesdistingeerde familie’ en begon zijn loopbaan in de handel en onderhield onder meer diligencelijndiensten. Door een goed huwelijk was hij gefortuneerd geraakt. Hij heette bij zijn vrienden en collega’s ‘eerlijk en regelmatig’. Zijn couleur politique/politieke kleur was anti-stadhouderlijk, zonder bij de recente politieke ontwikkelingen een grote rol te hebben gespeeld of te hebben willen spelen. Hij was enige tijd burgemeester van Arnhem geweest en was op het moment van schrijven directeur van een bestelgoederendienst in rijksverband. Als 62-jarige beschikte hij over een ‘robuuste gezondheid’.

Deze vier mannen speelden dus een belangrijke rol in het departement en zouden het nadien  blijven doen; ook nog toen Napoleon zijn laatste levensjaren op het Zuid-atlantische eiland St.-Helena sleet.

Maar niet iedereen verging het zo goed als bovengenoemde heren, nadat Nederland aan Frankrijk was toegevoegd (10 juli 1810; Rambouillet). En vooral niet na Napoleons bezoek aan Nederland, oktober 1811. Ten minste dat valt op te maken uit R.A.G., 0016-4545. Stukken over de behandeling van verschillende verzoeken 1812, 1813. 1 omslag Hieruit heb ik de kwestie H.C. Suermondt gevist. Lees maar mee:

Hermanus Casijn Suermondt, 71 jaar oud, woonachtig te Amersfoort, voorheen schout van Hoevelaken en rentmeester van Munnikhuyzen en Renkum was uit zijn functie ontheven ,,dog thans door de suppressien van Boven genoemde Schout en Rentambt buyten bestaan geraakt” en dreigde daardoor met zijn gezin in armoede te vervallen. Om zijn misfortuin om te buigen had hij besloten een verzoek om een pensioen en/of een nieuwe staatsbetrekking in te dienen bij onder meer de Nederlandse Intendant-Generaal der Financiën én bij prefect Van Andringa de Kempenaer.

Laatstgenoemde besloot de kwestie nader te bestuderen, vooral nadat hem de volgende tekst onder de ogen was gekomen: ,,… dat hij zedert den Jaare 1776 altoos in ’s Lands of stedelijken dienst geweest zijnde, hij zich nooit op andere middelen van bestaan heeft toegelegen, en thans door de Suppressie van voorn. ambten met zijn vrouw en kinderen in de ongelukkigste omstandigheden verplaatst is. Vermenende hij Requestant dat het Keyzerlijk Decreet van den 31 Jannuary 1813 geplaatst in het Staatkundig Dagblad, van het departement van de Zuyderzee op hem eenige betrekking heeft… .” Met andere woorden: veelvuldig de krant lezen, maakte toen ook al opmerkzaam.

Het antwoord van Van Andringa de Kempenaer op zijn verzoek luidde, dat hij wel wilde kijken of er een pensioen inzat voor Suermondt, maar dan moest deze wel eerst al wat hij beweerde tot in detail kunnen overleggen, zoals zijn geboorteacte, zijn benoemingsacten  enz. die tot op de dag nauwkeurig dienden te zijn en dat ,, 3e. alle zoodanige acten van aanstelling en ontslag, als welke door u mogten ontvangen zijn, wegens de onderscheiden posten en bedieningen door U bekleed, voor zoo verre uit ’s Rijks Kasse zijn bezoldigd geworden.” Puur departementale benoemingen zouden wel door het Prefectuur, te Arnhem, aan het dossier worden toegevoegd.

En toen kwam het: Suermondt kon, als 71-jarige, enkel aantonen dat hij ‘scholtis’ was geweest van 13 november 1802 tot 1 augustus 1812 en van 1 januari 1812 tot 1 augustus 1812 als maire, ad-interim was opgetreden. Verder kon hij niets meer aantonen, op papier tenminste, ook al, omdat in andere kwesties, die hij op dat moment eveneens voerde, andere instanties de originele papieren bezaten en niet van zins waren die papieren ineens onmiddellijk aan hem terug te geven.

Hierop werd zijn verzoek ‘ambtshalve’ afgewezen. Als hoofdreden werd aangevoerd dat hij in zijn  maire/burgemeestersfunctie niet de volle tien jaar aaneen had gediend, de bewuste tien jaren die Napoleons decreet immers voorschreven en waarvan niet mocht worden afgeweken.

Waar hebben we dat toch eerder gehoord, dat met die papieren en overheidsinstanties en zo.

**********************************************************

De volgende blog ga ik verder met: ‘Het leven van Napoleon.’ deel 2

blogtekst: dr. Elze Luikens (copyright…. voor zo ver, enz. )

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

contactadres: napoleon-info@hotmail.nl

 

 

Het leven van Napoleon. Deel 1: inleiding en Corsica

,,Napoleon en zijn tijd. Inleiding.”

,,De Franse revolutie, een der hevigste stormen uit de wereldgeschiedenis, was in de loop van 1795 bezig uit te razen. Maar wat had die storm niet allemaal omgerukt! Zij, die eens hadden behoord tot de grootsten van het land en over anderen hadden geheerst, waren vernietigd; de nieuwe macht berustte bij anderen, die, bezield door revolutionaire idealen, een nieuwe samenleving opbouwden, die, in elk opzicht verschilde van de vroegere, achttiende eeuwse. Het Franse volk was opgestaan en had zijn gehate regeerders verjaagd, maar hierdoor waren nog geen vastheid en orde verworven, integendeel, de verwarring was bij tijden ontzettend, doordat partijen/facties, die meer of minder ingrijpende omwentelingen eisten, elkaar de macht betwistten.

Bloedige burgeroorlogen waren sinds 1789-94 aan de orde van de dag. Intussen lagen de legers van de vijanden [Oostenrijk, Engeland, Rusland, Pruissen] vóór de grenzen van het Franse rijk en stond de onafhankelijkheid van Frankrijk op het spel. Wat Frankrijk in deze tijd (meende nodig te hebben), was een man, die ’s lands krachten kon verenigen tegen dreigende gevaren van buiten. En aan het feit, dat deze man inderdaad opstond, heeft Frankrijk zijn redding te danken gehad.

Reeds in vorige hoofdstukken hebben wij [Brugmans en Fischer, de auteurs] als een der leidende figuren uit de laatste periode van de revolutie Napoleon Bonaparte genoemd. Wij behandelden hem echter als een van de velen, die op de voorgrond traden in het politieke en militaire leven van Frankrijk. Allengs zou blijken, wie deze Bonaparte was. Met het aantreden van Napoleon als de machtigste in Frankrijk vangt een nieuwe periode aan, niet alleen voor Frankrijk, maar voor geheel Europa, dat een totaal nieuwe gedaante kreeg, dankzij het genie van deze man, die in de gehele negentiende eeuw zijns gelijke niet heeft gehad.

Om een beter begrip te krijgen van Napoleon’s latere ontwikkeling en levensloop, zullen wij enige jaren terugkeren naar zijn jeugd en naar de omstandigheden, waaronder hij opgroeide.

Napoleon’s kindertijd en jeugd.

Een jaar nadat het eiland Corsica [Napoleons geboorte-eiland] van de Italiaanse republiek Genua was overgegaan in handen van Frankrijk, werd in Ajaccio de man geboren, die eens het politieke leven van Europa zou beheersen. Op 15 augustus 1769 aanschouwde Napoleon Bonaparte het eerste levenslicht. Op een rotsachtig eiland stond zijn wieg; Corsica lag afzijdig en zijn bewoners leefden hun eigen bestaan. Lange jaren hadden de Corsicanen op voet van oorlog gestaan met de overheersende Genuezen, echter ook onderlinge strijd kwam veelvuldig voor. Sommige Corsicaanse families sloten zich aaneen tegen andere en door de zo gevoelde plicht tot bloedwraak werden de vetes steeds heftiger en bloediger. Het spreekt vanzelf, dat een volk zich onder dergelijke omstandigheden niet aan vreedzame arbeid kan wijden. De landbouw kwijnde mede hierdoor; men leefde van jacht en visserij en van de roof op zijn vijanden. Wel was het Corsicaanse volk doorgaans sterk en gehard, waakzaam en listig. [Bedenk dat er zo tegen de Corsicanen werd aangekeken in de twintiger jaren van de twintigste eeuw].

Corsica. 

In een land als dit was rijkdom een grote zeldzaamheid, rijkdom waarin eenzelfde gezin zich niet lang mocht verheugen. Armoede en ontbering heersten in de meeste Corsicaanse huizen. Armoede en ontbering moest ook de familie Buonaparte doorstaan. De advocaat Carlo Bonaparte had, gelijk de meeste Corsicanen, deelgenomen aan de heftige strijd tegen Genua, want het Corsicaanse volk verdroeg het juk van vreemde heersers niet. Doch de strijd tegen de nieuwe heerser Frankrijk was zwaar en menige vaderlands- en vrijheidslievende Corsicaan zag het uiteindelijk dan ook in, dat het vruchteloos/tevergeefs was die strijd langer voort te zetten. De Fransen van hun kant verlangden eveneens naar het einde, zodat het van beide zijden tot toenadering kwam. Zo schonk de Franse regering adelbrieven aan verschillende van de nieuwe onderdanen; Carlo Bonaparte, telg uit een oud Italiaans geslacht, nam dan ook met vreugde de Franse adeldom aan: het was hem daardoor vergund zijn vele kinderen naar de scholen met vrij onderwijs te zenden, die opgericht waren voor de zonen en dochters van de Franse adel. Dit alles nog vóór de uitbarsting van de Franse revolutie.”  [wordt vervolgd]

Uit: prof dr. H. Brugmans en dr. F.H.Fischer, Geschiedenis der Wereld, Deel V, Amsterdam, Malmö, Kopenhagen, Berlijn, p. 49-54. De tekst is gemoderniseerd (tusschen wordt tussen), hier en daar aangevuld (schuingedrukt) en van kanttekeningen voorzien [……..]

******************************************************

dr. Elze Luikens

De volgende blog is weer gebaseerd op archiefbronnen, de daaropvolgende het vervolg van ,,Het leven van Napoleon”, enzovoorts.

Het Napoleon-jaar 2021 is aanstaande, maar eerst nog 2020

Zo op het eind van 2019 en aan het begin van 2020 maak ik gebruik van de gelegenheid om  wat verder in de tijd vooruit te kijken. Het jaar en de dag (13 mei 1821) dat keizer Napoleon Bonaparte op het Zuid-Atlantische eiland st.-Helena overleed is over ruim 14 maanden dan 200 jaar geleden.

Hier op deze blog heb ik u de afgelopen 10 jaar stap voor stap meegenomen naar een periode die zich nog steeds mag verheugen in een grote belangstelling voor het onderwerp. Ik noem de wijze waarop ik dat heb gedaan een vorm van organische geschiedschrijving. Blad voor blad, stengel voor stengel, tak voor tak is hiermee de basis gelegd voor het verhaal zoals zich dat in één van Napoleons departementen ontvouwde: Gelderland. En wat hier al vaker is gezegd: wat voor Gelderland gold, geldt ook voor de overige departementen… alleen met andere namen voor personen en landstreken.

Het komend jaar ga ik verder waar ik gebleven ben door via eco-documenten, brieven, correspondentie, reacties, voorzichtige protesten en ga zo maar door te schrijven, te verhalen en te verbeelden…  en dit alles grotendeels gedistilleerd uit het Rijksarchief Gelderland dat hiervoor zoals al eens eerder gezegd tot schier onuitputtelijke bron heeft gediend… en voor anderen kàn dienen.

Maar in het jaar 2020, voorafgaand aan 13 mei 2021 ga ik nog iets extra’s doen. Zelf heb ik inmiddels via allerlei rubrieken en verscheidene onderwerpen getracht enig licht te werpen op de persoon Napoleon Bonaparte. En al leidde dit alles tot nu toe tot een aardig beeld over onze hoofdpersoon en diens tijd, het bleef en blijft in het geheel genomen toch enigszins incompleet.

Ook is u via verschillende boekbesprekingen (zie de verschillende rubrieken rechts van deze blogpagina) gewezen op het werk van hen die eveneens uitvoerig onderzoek hebben verricht. Maar daar is het tot nu toe bij gebleven.

Nu ben ik onlangs in het bezit gekomen van twee van de zes delen van Geschiedenis der wereld in woord en beeld, onder redactie van Prof. Dr. H. Brugmans en Dr. F.H. Fischer, uit 1928. Hierin staat m.i. een meer dan geschikte verkorte biografie over Napoleon Bonaparte; van het allereerste begin af tot iets voorbij mei 1821. En dàt ga ik u, weliswaar in een voorzichtige bewerking van de tekst, in een aantal afleveringen doorgeven. De afbeeldingen die het boek bevat ga ik daarbij vervangen door die waarover ik zelf beschik.

Alle bezoekers en (vaste) abonnees, bedankt dat u mijn blogs hebt gelezen. Natuurlijk ook WordPress, bedankt dit alles digitaal (u weet wel: de nulletjes en de eentjes) gratis mogelijk te hebben gemaakt. Verder bedankt al de verschillende studenten en onderzoekers die hier, zij het soms vluchtig, hebben (bij)getankt.

Allemaal een interessant en leerzaam 2020 gewenst en weldra tot ziens in het nieuwe jaar.

dr. Elze Luikens en H. Luikens-de Kruif

Conscriptie en militaire zaken: de financiën

Wij hebben in eerdere blogs het al eens gehad over de dienstplicht/conscriptie die door keizer Napoleon Bonaparte ook was ingevoerd in zijn Nederlandse departementen (zie bijvoorbeeld: Keizer Napoleon voert de dienstplicht in ). Over het onderwerp valt veel uit te leggen. Nu een inleiding, maar een uitvoeriger behandeling volgt ergens in het aankomende jaar.

De keuring van de opgeroepen jongemannen was een aangelegenheid van verschillende belanghebbende partijen in de departementen. Het departementaal bestuur hoopte op een goed verloop van de keuring en een paar van hen vonden het dan ook raadzaam persoonlijk bij zo’n keuringsdag aanwezig te zijn. De artsen die de keuring hadden te verrichten kenden weer geheel andere belangen. In deze blog gaan we het hoofdzakelijk hebben over de (te declareren) kosten die zo’n operatie met zich meebracht. Op de andere aspecten gaan we zoals al gezegd het aankomend jaar uitvoeriger in.

Het RijksArchief Gelderland bevat een Bataafs-Frans archiefdossier, inv.nr. 0016-4477, Agenda van de zittingen van de Prefect, 1 stuk. N.B. Fragment, lopend van 11 september-12 oktober, waarin onderstaand voorbeeld als het ware zweeft tussen al de andere archiefstukken over het onderwerp:

,,donderdag 12 september     Stuk 5 van 9 augustus, reg.nr. 12   Inzender: de Commissaris Generaal van Politie van’t Dep.t. van den BovenEems.        Korten inhoud: daarbij tengevolge der order van den Heere Prefect van den BovenEems naar herwaards doende overbrengen de Persoon van W.m Pannekoek, geb. te Vaassen den 27 July 1786/:breder in het verbaal van den 26 July jl. no. 1 en 14 Aug.s. daaraan volgende no. 1 voorkomende/.

Korten Inhoud, datum en nummer van het Besluit: gem. W.m Pannekoek, uithoofde hij niet in de termen van Conscriptie vallende is, mits dezen op vrije voeten te stellen en denzelven tegelasten zich onverwijld naar Vaassen te begeven en zich van alle vagabonderend leven te onthouden, voorts den maire van Vaassen van’t geval voors: kennis te geven.” Met andere woorden: ook al gaat het hierna over de (gemaakte) kosten de jongemannen in kwestie hoopten soms door de keuring te ontvluchten de dans te kunnen ontspringen, maar het systeem door Napoleon opgetuigd werkte op dat moment in al zijn departementen en zodoende liep zo iemand als Willem Pannekoek hoe dan ook elders wel tegen de lamp.

De kosten nu:

In R.A.G., Bataafs-Frans archief vinden we archiefstuk 0016-4479. Stukken betreffende de kosten, gemaakt ten behoeve van de lichtingen van 1808 en 1809, in het bijzonder door bestuursambtenaren en keuringsartsen, 1811. 1 pak * Hiervan heb ik het waard gevonden het navolgende aan de duisternis van de geschiedenis te onttrekken, zoals….

de kosten gemaakt door prefect Van Andringa de Kempenaer en de de zijnen, vervat in

,,Tableau der kosten wegens Rijtuigen-huur, Vertering, Druklonen, Schrijfbehoeften, copielonen en Expeditie van het Departement van den Boven-IJssel, gevallen op de conscriptie van den Jare 1788.

Naam en voornaam: Andringa van Kempenaer, in zijn hoedanigheid als Prefect van het Departement van den Boven-IJssel heeft hij gereisd door de Nederbetuwe en de Veluwen; de huur van de rijtuigen bedroeg  f. 224. Hij heeft tijdens de reis voor f.14 gulden verteerd.

Naam en voornaam: A.W.C.W. van Pallandt van Keppel, in zijn hoedanigheid als Sous-prefect van het Arrondissement Zutphen [N.b. kort nadien trad Van der Borch van Verwolde op als Onderprefect van Zutphen; kennelijk op het moment van de weergave van dit document nog niet, óf, de opsteller van dit stuk heeft fouten gemaakt, zoals ook met de naam van Van Andringa de Kempenaer]; hij heeft gereisd door het Arrondissement Zutphen; de huur van de rijtuigen bedroeg f.117 en 12 stuivers. Ook heeft hij  tijdens de reis voor f.22 en 10 stuivers verteerd, en f. 45 aan expeditiekosten gemaakt.

Naam en voornaam: A.P.R.C. van der Borch van Verwolde, in zijn hoedanigheid als Raad van de Prefecture van het Departement van den Boven-IJssel heeft gereisd door het Arrondissement  Zutphen; de huur van de rijtuigen bedroeg f. 96 en hij verteerde voor f. 43 in diverse etablissementen.

Tenslotte reisde J. van Pallandt van Walfort, in zijn hoedanigheid als Raad van de Prefecture van het Departement van den Boven-IJssel door de Over-Veluwe, hij maakte f.128 aan kosten voor het huren van rijtuigen; hij had voorts f.1696 en 17 stuivers aan drukloonkosten, f. 216 en 4 stuivers aan schrijfbehoeften en f. 173 en 15 stuivers aan expeditiekosten.

Het totaal aan kosten dat de heren hadden gemaakt tijdens hun controlewerkzaamheden tijdens de keuringsdagen van nieuwe soldaten voor Napoleons Grande Armée bedroeg f. 2776 en 18 stuivers.

De keuringsartsen en verschillende maires stuurden op hun beurt rapporten naar Arnhem met daarin de gegevens van de aantallen jongemannen die werden gekeurd. Een opsomming geeft ons derhalve enig inzicht:

a. J.B. Mettenbrinck, maire van Barneveld, liet op 5 november 1811 samen met ‘Medicus P.C. Canter de Munck’ weten dat ze de conscrits van klasse 1788 hebben gekeurd: op één dag hebben ze 18 personen in Barneveld onderzocht.

b. Maire De Vries van Harderwijk liet op 8 november 1811 weten dat ze niet hebben opgetekend hoeveel er waren gekeurd; vandaar dat ze geen gegevens kunnen opsturen naar de Prefecture te Arnhem.

c. De maire van Twello, P.P. Everts, liet op 10 november 1811 weten dat er door de Med. Doct.r. Chirurgijn en Vroedmeester H.T. Hoogeveen op 7 oktober uit de mairieën Brummen, Twello, Apeldoorn en Nijbroek 53 personen en op 8 oktober uit de mairieën Hattem, Epe, Heerde en Vaassen 34 personen zijn gekeurd.

d. In Zutphen werden 25 conscrits uit de stad zelf, 15 uit Warnsveld en 22 uit Vorden, te zamen 62 conscrits onderzocht en geschikt bevonden voor de militaire dienst.

e. Terborg meldde namens maire ‘J.H. Pliester’ op 7 november 1811 de keuring van 27 conscrits.

f. Maire C.C. van Lidth de Jeude uit Tiel, liet op 9 november 1811 weten dat 18 mannen door Jacob Pieter van Dorp, stads Medicus doctor en 18 mannen door Cornelis van Heythuysen, eerste stads Heel-en Vroedmeester waren onderzocht. Voor de maritieme conscriptie van 1811 waren door beide heren nog eens respectievelijk 21 en 20 mannen goedgekeurd.

Per onderzocht persoon rekende men in het arrondissement Zutphen 3 gulden per keuring. Dit blijkt min of meer het standaard bedrag hiervoor te zijn geweest. Enkele van bovengenoemde, maar ook de niet genoemde keuringsartsen kenden de regels niet zo goed. Zij dienden evenals de departementale bestuurders gemaakte verteringskosten in die echter niet werden vergoed.

*de dossiers zijn door mij deels letterlijk aangehaald, soms samengevoegd en om de leesbaarheid te bevorderen in hedendaagse taal uitgewerkt. De getallen en de namen zijn niet veranderd en leveren denk ik genealogische gegevens op of kunnen lokaal onderzoek over de periode 1811-1813 voorthelpen.

**********************************************************

dr. Elze Luikens (copyright)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

emailcontact: zie emailadressen elders op deze website (bovenaan en bovenin rechts)

 

Belastingen in het Nederland van (Lodewijk) Napoleon: enkele aspecten

Ditmaal gaat het over (algemene) belastingzaken die de landerijen betreffen en hoe bijvoorbeeld  tabaksprijzen vooraf werden berekend. En ook nu weer komt ons (studie)materiaal uit het Rijksarchief Gelderland, gezeteld in de ‘hoofdplaats’Arnhem. En wat gold voor Gelderland, gold eveneens voor de andere departementen waaruit Napoleons keizerrijk was opgebouwd.

Twintigste eeuwse inventarisaties van het hieronder te behandelen archief spreken van ‘Toezicht op de inning en financiële verantwoording der middelen/beschreven middelen/verponding.’ Dit zijn oude begrippen voor diverse vormen van belastingen, zoals grondbelasting en wat wij de BTW zouden noemen. Allereerst: het Bataafs-Frans archief: dossier 0016-3795. Extract van besluiten van de Koning van Holland uit 1809 houdende bepalingen omtrent de taxatie, hertaxatie en zetting der verponding op de landerijen, (1809). 1 stuk Dit is een met de hand geschreven document dat is ‘gegroeid’, dat wil zeggen de artikelen in Lodewijks Koninklijk Besluit staan door elkaar, omdat er eigenlijk sprake was van… ad hoc regeren.

Een onderdeel nu uit het ‘Extract van besluiten’ van Napoleons broer  waarmee ook de Gelderlanders te maken hadden, c.q. kregen was:

,,Koninglijk Besluit van 22 van Grasmaand 1809 No. 12. 

Artikel 6. De Taxatie zal geschieden door drie beëdigde Taxateurs, door of van wegens den Koning te benoemen. Zij zullen alle percelen, waarvan de Huurwaarde moet worden getaxeerd en actelijk opnemen en vergelijken met die Percelen waarvan de Huurwaarde dertien van de laatste vijftien Jaaren is bewezen, als mede nog aan de Huurcontracten en andere bewijzen welke aan hun zullen geexhibeerd worden. Zij zullen zich ook naauwkeurig doen informeeren van de Polder en andere lasten, welke overeenkomstig art. 3 der Wet van den 20 van Louwmaand 1807 van de onzuivere Huur mogen worden afgetrokken. De Taxateurs zullen naaraanleiding van deze verkregene kennis opmaken en bepalen de massale som, welke door alle de getaxeerde Percelen, in in dezelve gemeente, Plaats, District of Polder gelegen als den aanslag derzelve in de Verponding, zal moeten opgebragt worden.” Die laatste zin, daar draait het om, want linksom of rechtsom de belasting geheven op de hoeveelheid landerijen die iemand bezit zal minstens net zoveel dienen op te brengen aan belastingen als dat in eerdere jaren het geval was.

Nu een andere belastingvorm, nl. die der accijnzen en aanverwante belastingvormen, zoals de imposten. Over die laatste allereerst het volgende: imposten zijn belastingen geheven op productie, transport en consumptie van gebruiksgoederen; zie ook https://www.archieven.nl en gebruik hiervoor de zoekwoorden ‘accijnzen’ en ‘imposten’, die laten zien hoe de zaken er in  Venlo voor stonden).

In het Bataafs-Frans archief: dossier 0016-3807 Missiven van de Onderprefecten der arronissementen Tiel en Zutphen en van mairies in het arrondissement Arnhem, houdende inlichtingen omtrent de prijzen en de teelt van tabak, ingezonden ingevolge aanschrijving van 7 november 1811, M.7, met bijlagen en tafel, 1811. 1 omslag wordt door mij de impost op tabak besproken en hoe deze tot stand kwam.

De Sous-prefecten (onderprefekten) van Tiel en Zutphen, en de maires van Arnhem, Wageningen, Ede, Nijkerk, Barneveld, Renkum, Rheden, Dieren, Brummen, Velp en Oosterbeek reageerden op een aanschrijven van prefect Van Andringa de Kempenaer en wel op de vraag hoe het (ter plaatse) ervoor stond met de tabaksteelt, die op last van Napoleon tot in de finesses diende te worden  gereguleerd en uiteraard belast werd. Echter liet de Keizer heimelijk meespelen dat door eigen tabaksteelt Engelse invloeden op het Europese continent zoveel als mogelijk was moesten worden geweerd, ofwel het Continentaal Stelsel. Hierover valt onder meer het volgende te lezen in: Napoleon: het Continentaal stelsel en de Gelderse havens  .

Een tweetal reacties op de brief van de Prefect waren:

1. Van der Borch van Verwolde, de Zutphense/Achterhoekse onderprefect (11 november 1811): wij verbouwen hier een soort tabaksplant die bij uiteindelijk gebruik een minder onaangename geur verspreidt, maar wel moeilijk te telen valt en waarvan de prijs zich dan ook moeilijk laat bepalen.

2.  Maire E.G. Ardesch van Nijkerk, liet op 17 november 1811 weten eerst bij planters en deskundigen informatie te hebben ingewonnen hoe de tabaksprijs voor 1812 kon worden bepaald: ,,Dat men tot 1000 planten nodig heeft 20 Roeden of 1/30  gedeelte van een morgen land. Dat dit land bereekend wordt in pacht (met bedroging) waardig te zijn jaarlijks 4 guldens. Dat daartoe benodigd is 1300 ponden zwarte schaapsmest welke met de vragt kosten moet f.15 en 15 st.  Dat de Kisten mest en het bewerken van land en tabak moet geschat worden op f.6 en 10 st.   Dat 1000 planten gewoonlijk opleveren van het 1e soort 60 ponden, van het 2de soort 25 en van het 3de soort 20 ponden

Dat de prijzen van den tabak noodzakelijk dienen bepaald te worden van het 1e soort op f.30 de 100 pond, van het 2de soort op f.24 de 100 pond, van het 3de soort op f.18 de 100 pond.

Dat alsdan het voordeel hetwelk men daarvan zoude kunnen genieten, op verre naa niet evenredig is met de gevaaren welke men heeft uittestaan van een droog of al te nat saisoen, van den Hagel en van misgewasch.” Aldus de koopman-maire Ardesch.

*******************************************

Tot zover enkele algemene opmerkingen over (Gelderse) belastingzaken. In een latere fase zullen we er wat dieper op ingaan.

Ook zullen kwesties uit de regeerperiode van Lodewijk Napoleon, koning van Holland (1806-1810) voortaan nauwelijks nog aandacht krijgen en gaat het in de blogs enkel nog over keizer Napoleon, zijn (Gelderse) onderdanen en de periode daarna. Met andere woorden het dossier Lodewijk Napoleon is hiermee (voorlopig) afgesloten.

dr. Elze Luikens (copyright)

tekstredactie: H. Luikens-de Kruif

emailadres: zie OVER of GRAVATAR