Stukken over de door de maire van Epe ingediende klacht betreffende veelvuldig door de gendarmes te Heerde gerequireerde voertuigen voor het transport van gevangenen, 1812

Ditmaal betreft het inventarisnummer 0016-6046, berustend in het Rijks Archief Gelderland en behelst het 1 omslag.

EEN.

Epe, 16 april 1812. De maire van Epe correspondeerde (in het Frans) met de Gelderse prefect over het steeds weer in beslag nemen van voertuigen voor het vervoeren van gevangenen door de gendarmerie. Te vaak werden volgens hem wagens opgeëist om troepen of gevangenen op transport te zetten tussen Heerde en Apeldoorn, die, en dat was de afgegeven verklaring hiervoor, niet in staat zouden zijn zelf af te marcheren. Uit eerdere correspondentie van 17 januari 1812, no. 229, bleek de maire hierover al eerder aan de bel te hebben getrokken., maar had dit niet tot resultaten geleid.

TWEE.

Arnhem, 23 april 1812. Van Dedem, plaatsvervangend Sous-préfet van Arnhem (en ook de Veluwe) had hierover eveneens correspondentie gevoerd. Het bleek namelijk dat wanneer de maire van Epe weer eens bezwaar maakte tegen dat gerequireer de gendarmes hem dreigden de gevangenen in Epe te zullen achterlaten, en dàt voor zijn rekening en verantwoording.

DRIE.

De Prefect besloot daarop (kladbrief van 6 mei 1812) het volgende: na de zaak te hebben onderzocht, meende hij, de Prefect, hiertegen niets of weinig te kunnen ondernemen. Hij verzocht de betrokkenen hem maar een lijvig rapport over de kwestie toe te sturen.

VIER.

De auditeur van de Staatsraad van de (tijdelijke) onderprefect van Arnhem stuurde op 5 juni een vervolgbrief over wat inmiddels de Epese gendarmeriekwestie was gaan heten: ,,… heb ik UL te rapporteren, dat de gendarme te Heerde gestationeerd dagelijks gevangenen en gearresteerde personen van allerlei aard overbrengen tot Apeldoorn, dat het zeer dikwijls gebeurd, dat dezelve tot deze gemeente gekomen zijnde wagens en karren hebben gevraagd, om de gevangenen te transporteren alzo zij voorgeven niet verder te kunnen gaan, dat alzo die gendarmes van Heerde, het geen maar een uur van deze gemeente af is, met de gevangenen komen, zij aldaar ook wel kunnen weten of de gevangenen kunnen gaan of niet dog dat zij te voet tot hier met dezelve komen.”

Hierop liet de maire van Epe weten van de brief van 17 juni 1812 van het kantoor van de Prefect te hebben begrepen, het verzoek om vervoer van Epe tot Heerde te mogen weigeren. Waarop de gevangenen inderdaad in Epe werden achtergelaten en ze op eigen gelegenheid naar Heerde gingen. Uiteindelijk stuurden hogere instanties Epe hiervoor meerdere malen een rekening. Kort hierna besloot de mairie Heerde de gevangenen op hun kosten maar te gaan ophalen waarna de gendarmerie ze verder vervoerde richting Apeldoorn en verder. En was ook deze kwestie ‘opgelost’. Niets nieuws onder de zon, wel?

+++++++++++++++++++++++++++++

dr. Elze Luikens

H. Luikens-de Kruif

Elke een à twee maanden een nieuwe blog, dit om te voorkomen dat deze website voortijdig van het internet verdwijnt.

Stukken over de aanbesteding van de levering van fourage voor de paarden van de gendarmes in het departement; de g e n d a r m e r i e (2)

Voortaan is de titel van de blog de naam van het dossier uit het Rijksarchief Gelderland dat ik vervolgens hieronder ga behandelen. Nog even het inventarisnummer: R.A.G., inv.nr. 0016-6038……., 1813. 1 omslag

EPSON scanner image

Een.

Hoe verder het jaar 1813 vorderde (vooral vanaf oktober), hoe moeilijker het leek de zaken voor het aanleveren van de fourage voor elkaar te krijgen. Steeds vaker dan ook bemoeide Le Conseil d’Administration de la Gendarmerie du Departement de l’Issel Supérieur, 32e Légion, Compagnie de l’Issel Supérieur zich er mee. Het laatste door mij hierover in het Bataafs-Frans archief aangetroffen stuk dateert van 26 oktober 1813. Het probleem, voor zover daar volgens de officiële instanties sprake van was, deed zich al medio juni 1813 voor. De reactie van Prefect Van Andringa de Kempenaer is interessant genoeg om hieronder weer te geven.

,,Wij R.L. van Andringa de Kempenaer, Ridder van het Legioen van Eer etc brengen ter kennis van het publiek. Dat op Maandag den 26 July zal worden overgegaan tot de provisioneele acht dagen daarna zijnde den 2 Augustus 1813 tot de finale aanbesteding van de levering geduurende de tijd van een jaar van de noodige Haver Hooy en Stroo voor de Paarden van de Brigades Gendarmerie gestationeerd in dit Departement. Het aantal rations word berekend à 365 voor ieder Paard in het jaar et het aantal Paarden.”

Dan volgt een opsomming van naar ik aanneem het aantal paarden, o.a. Arnhem 12, Zevenaar 4, Dieren 4, Apeldoorn 4, Thiel 3, Geldermalsen 3, Elst 4, Ede 4, Zutphen 6, Lochem 4, Doetinchem 4.

,,De betaling zullen geschieden maandelijks door de Raad van Admin,: te Arnhem. Voor ieder Brigade en voor ieder soort van fourage zal afzonderlijk inschrijving moeten worden ingezonden. Diegeene, die tot deze aanneming genegen zijn kunnen de conditien ter generale Secretarie van de Prefecture, als mede aan de Bureaux van de Sous prefecture van Zutphen en Tiel nazien.”

En dan volgt de noodzakelijk geachte regelgeving, die het voor de toekomstige leveranciers duidelijk maakte, waaraan men zich had te houden. Op een enkele inschrijving na zijn er geen bewijzen aangetroffen waaruit enig enthousiasme voor de uitnodiging tot het leveren van… is gebleken. Wellicht heeft dat er weer mee te maken gehad dat de Franse en door de Fransen in het leven geroepen officiële instanties te veel regelwerk invoerden. Alles moest toen tot in de puntjes worden geregeld, iets dat de meeste mensen nog niet in hun systeem hadden zitten.

Een paar reacties op het verzoek om fourage te mogen leveren werden als volgt verwoord.

TWEE.

,,Ik ondergetekende neeme aan te leveren voor den tijd van één jaar de fourages der keiserlijke Gendarmerie in het Departement den Boven IJssel voor de Brigade gestationeerd te Arnhem. Het Ration Haver van 8 2/3 liter ad 7 en een halve stuiver; Hooy van 5 kilogrammes ad 3 stuivers en Stro van 5 kilo ad 2 stuivers. Arnhem den 9 Augustus 1813 A.v.d. Heuvel.”

,,De ondergetekende Bied zig aan voor die Leverantie van voerasie Haver Hooi en Stroi Leverantie voor Zutphen

Haver negen stuiver Hooi twee stuiver en Twaalf Penningen Strooi Een stuiver veertien Peningen, Lochem als Zutphen, Apeldoorn dito als Zutphen, Dieren dito als boven, Doesburg als vooren, Zevenaar dito als bovensten, Zutphen den 7 Augustus 1800 dertien R.N. Schoonman.”

Ook bevatten de oktober correspondenties verzoeken om fourage te regelen voor de troepen tijdens hun doormars door het Departement; wellicht heeft dit te maken gehad met de Volkerenslag bij Leipzig, 16-18 oktober 1813.

Genoeg materiaal voor een verslag of een werkstuk, dunkt me.

++++++++++++++++++++++++++

dr. Elze Luikens en H. Luikens-de Kruif

Om de zoveel tijd een nieuwe blog om ervoor te zorgen dat deze website niet voortijdig wordt opgeruimd.

De gendarmerie in Napoleontisch Nederland: 1

RijksArchief Gelderland, Inv.nr. 0016-6030. Stukken over de organisatie, 1812. 1 omslag [organisatie van de Nederlands-Franse gendarmerie.

Er is in dit dossier een hoop te vinden over wat de departementale en lokaal gestationeerde gendarmerie ten tijde van het Franse Keizerrijk zoal mocht, moest en kon. Daarom hieronder een eerste begin van een selectie uit de verschillende missives en circulaires die alle Gelderlanders vanaf 1812 aanging. Alles in het Frans en uiteraard aan te merken als officiële documenten verzonden vanuit in ons geval de Gelderse Prefectuur aan de verschillende Gelderse maires.

EEN. Arnhem, 19 juni 1812. Van de Prefect aan de maires: de Intendant van Binnenlandse Zaken, d’Alphonse, had om onduidelijkheden weg te nemen een rapport laten opmaken over de vraag hóe om te gaan met de bevoegdheden van de over het land uit te rollen système Gendarmerie (Amsterdam, 17 februari 1812, no. 813. Een circulaire). De hieronder aangehaalde brief geeft de inhoud met betrekking van een en ander tot de materie, bedoeld voor de lokale maires, denk ik, goed weer.

Het ging erom dat dit voor Nederland onbekend systeem perfect diende te worden ingepast, precies zoals het voor de Franse departementen al gold én werkte. In de allereerste plaats mocht de hier geïntroduceerde gendarmerie geen speelbal zijn tussen de ”decentrale” (departementale) en wettige krachten (de decreten en wetten van het Franse keizerrijk). De gendarmerie, zo maakte de Intendant duidelijk, kende haar eigen werkterrein. Welke dat was wordt niet duidelijk gemaakt. Maar……

,,La gendarmerie peut être considerée comme une magistrature armée. ”

Met andere woorden de Gendarmerie is als organisatie te vergelijken met Napoleons Grande Armée. De gendarmes en hun officieren vormden een soort rechterlijke politiemacht, die de veiligheid en het privébezit van personen had te waarborgen. Elk geloofwaardig/betrouwbaar personage zal door haar worden beschermd; zonder uitzondering. Tussen de verschillende autoriteiten en de Gendarmerie moesten regelmatig en met regelmaat rapporten over hetgeen in zekere kwesties was voorgevallen worden vermeld en over en weer schriftelijk worden uitgewisseld. Het magistratenvoorbeeld was het voorbeeld voor allen. Onpartijdigheid diende het hoogste doel te zijn.

De toon in deze briefwisseling van hogerhand was: U mijnheer de Maire ziet hoe belangrijk het is in harmonie met de Gendarmerie te leven. Alles wat nieuw is zal uiteraard invoeringsproblemen kennen. En dat geldt natuurlijk ook de invoering van de Gendarmerie, maar dit elders al lang en goed functionerend systeem zal ook ten goede komen aan de ingezetenen van uw woonplaats.

En zo ging de aanmoediging verder. Duidelijk werd voor de ontvangers van de verschillende brieven en circulaires met dit hoofdthema dat ze er goed aan deden van harte samen te en mee te werken aan de invoering ervan. Vooral ook wanneer er sprake was van een ‘kazernering’. Aan de ter plaatse gestationeerde gendarmes en hun officieren moest alle medewerking worden verleend. Tot zover deze inleiding.

In de volgende tweemaandelijkse blogs zullen we te weten komen hoe theorie en praktijk zich tot elkaar verhielden. Maar eerdere artikelen gingen natuurlijk ook al over de gendarmerie. Tik dit trefwoord maar eens in; zie Opzoeken…. gendarmerie…. en een groot aantal blogs over het onderwerp komen tevoorschijn. Bon succes!

+++++++++++++++++++++

dr. Elze Luikens

H. Luikens-de Kruif

OPZOEKEN

HIERNAAST ZIET U DE MOGELIJKHEID OM OUDERE BLOGS OP TE ZOEKEN.

TIK BIJV. RUSLAND IN…. EN U HEBT EEN GROOT OVERZICHT VAN HETGEEN ZICH HEEFT AFGESPEELD TUSSEN NAPOLEON EN RUSLAND, TUSSEN DE RUSSISCHE TSAAR EN NAPOLEON EN TUSSEN DEPARTEMENTALE INWONERS uit het Franse Keizerrijk TIJDENS NAPOLEONS TOCHT NAAR RUSLAND IN 1812.

Bedenk wel dat al die oorlogshandelingen, dat tomeloze geweld is neergekomen op het leven van vele vele onschuldige burgers, hun dorpen, steden, hun landen. Oorlogsgeweld, toen en nu weer. Aan persoons- of geweldsverheerlijking wordt op deze blogsite niet gedaan!

dr. Elze Luikens

Beperkingen van de bewegingsvrijheid

Rijksarchief Gelderland: Inv.nr. 0016-6018. Besluiten en regelingen met betrekking tot de afgifte [van paspoorten]

EEN. Een circulaire van de minister van Justitie Hugenpoth. Aan de Gelderse Landdrost, 19de Hooimaand 1810. Alle op naam van (de gewezen) Koning van Holland, Lodewijk Napoleon uitgegeven paspoorten moeten worden ingeleverd en vervangen. Met de circulaire zijn enkele nieuw te gebruiken buitenlandse (Franse) paspoorten meegezonden, die gebruikt kunnen worden om er mee naar Frankrijk te kunnen reizen. Aanvankelijk bestond de indruk dat de nieuwe meegeleverde paspoorten enkel gebruikt mochten worden door de ambtenaren en dienaren van het Departementaal Bestuur.

En zo bevat inv. nr. 0016-6018 diverse overzichten en nieuwe instructies die het reizen met de juiste papieren moeten regelen. Hoofdzakelijk golden de in dit dossier bewaarde gegevens docu’s voornamelijk het jaar 1812. Sommige reisdocumenten kwamen af van het ministerie van Binnenlandse Zaken, andere van de Commissaris-Generaal van Policie te Amsterdam gevestigd. Wel is duidelijk dat de regels voor het reizen steeds strikter worden en die regels strenger dienden te worden gehandhaafd.

TWEE. Sulivan de Gras, onderprefect van Arnhem (en Veluwe) wilde bijvoorbeeld de tiende van de tiende van het jaar1813 van de Prefect graag vernemen of hij nu wel of niet aan diligences paspoorten mocht of moest verstrekken en hoe het zat met de reizigers? Doorlaten? Het leverde nu al problemen met de reizigers op wanneer hun spullen en hun reispapieren werden doorzocht en gecontroleerd. Bij de ene diligence gebeurde dit intensief, bij de andere nauwelijks. Graag eensluidende afspraken!

R.A.G., Inv.nr. 0016-6019. Problemen bij de afgifte, 1812. 1 omslag

Opmerking vooraf: alleen een kenmerkende kwestie hieronder… toekomstige onderzoekers/studenten/ scriptie/werkstukschrijvers…. leef jullie uit! De dossiers 6018 en 6019 bevatten veel interessant materiaal. Hier slechts een beperkte weergave van een en ander.

EEN. De Commissaris-Generaal van de Politie (Rotterdam) heeft de Gelderse prefect verzocht aan de Heer Pierre vanden Berg, Twello, kleermaker, een paspoort toe te zenden naar de Ontvanger der Directe Belastingen.

Het kladantwoord luidde:

,,Gezien de missive van den hr. Commissaris Generaal van Policie te Rotterdam dd 15 dezer No. 1463, daarbij den Prefect overzendende een door den Percepteur te Twello afgegeven paspoort, met verzoek hem het afgeven van paspoorten te interdiceren, dewijls zulks de functien van de Maires betreft, …………………………………Besluit: Aan den Heere Sous-prefect van het arrondissement Arnhem te depêcheren de navolgende missive………………………………….Mijn Heer de Sous prefect! De Commissaris Generaal van Politie te Rotterdam heeft mij bij missive van den 15 dezer, ingezonden een paspoort op den 8. te voren afgegeven door den Percepteur van de Gemeente van Twello, aan zekere Pieter van den Bergh, kledermaker, wonende in gem: gemeente. Het zal niet nodig zijn, Mijn Heer de Sous-prefect, UWE:Gstr: te doen opmerken het irreguliere van de in dezen door de percepteur gehouden handelswijs, daar het volgens de des aangaande gemaakte bepalingen, waarvan hij niet onkundig kan wezen, het afgeven van paspoorten niet aan hem, maar aan den Maire competeerd. ”

Met andere woorden: wie wat mocht en wie wat niet was of niet duidelijk, of weinig betrokkenen hielden zich aan de regels. Een soort van burgerlijke ongehoorzaamheid? Boven beschreven kwestie kwam er op neer dat Van den Berg kosteloos een tweede paspoort werd verstrekt en de Ontvanger der Directe Belastingen gestationeerd tw Twello een fikse uitbrander kreeg.

+++++++++++++++++++++++

dr. Elze Luikens en H. Luikens-de Kruif

De blogs worden voorlopig tweemaandelijks voortgezet om de website bij WordPress in de lucht te kunnen houden.

Gerechtelijk vooronderzoek wegens beledigende uitlatingen

RijksArchief Gelderland: inventarisnummer 0016-6014. Stukken over het gerechtelijk vooronderzoek tegen L. Roosenboom, koster van de katholieke kerk in Gerlicum, in verband met de beledigende uitlatingen over de Prefect en andere bestuursambtenaren in zijn verzoekschriften, 1812, 1813. 1 omslag

Opmerking vooraf. L. Roosenboom heeft in een eerst aan landdrost De Vos van Steenwijk (6 oktober 1810), vervolgens aan interim-Prefect Verstolk van Soelen (31 januari 1811) en tenslotte aan prefect Van Andringa de Kempenaer (21 juli 1812) gericht schrijven volgens de ontvangers van zijn epistels wel heel onbeschoft taalgebruik gebezigd. Dit is de verschillende betrokken bestuurders in het verkeerde keelgat geschoten. Besloten werd daarom de zaak nader te (laten) onderzoeken en zo nodig Roosenboom juridisch tot de orde te roepen.

Een. 12 september 1812. Gellicum (onder Geldermalsen). De kwestie is terug te brengen tot de vraag: gelden voor het benoemen van doodgravers en lijkbezorgers de aloude regels van de Parochie/gemeente waaraan de benoemde is verbonden (het oude recht) of gelden voortaan de regels van het nieuwe dorpsbestuur/de maire die hierover mag beslissen? In zijn verweerschrift, inmiddels al drie keer afgewezen, meende Lambertus Roosenboom dat niet hij en zijn dorps, c.q. kerkbestuur maar de verschillende prefecten hun boekje te buiten zijn gegaan. ,,Dat dus de gezegde aanstellingen in goede orde, en door de daartoe bevoegde magten geschied zijnde, onder Eerbied, niet door den Heere Landdrost van Gelderland konden worden vernietigd, zonder dat deze de palen van zijn gezag overschreed:..”

TWEE. Hoe steekt de zaak nu in elkaar? Uit het door de Prefect in de zaak opgestelde kopie van zaterdag, de 6de wijnmaand 1810 blijkt het volgende: de openbaar onderwijzer, koster en voorzanger van de Hervormde Gemeente te Gerlicum, Jacob van Oort, is overleden. Omdat de eigenaar van de Heerlijkheid van dezelfde naam weg is (niemand weet waar hij uithangt; logisch ook, omdat de heerlijkheden als bestuursorgaan sinds Nederlands samenvoeging met Frankrijk door Napoleon zijn opgeheven). De vraag is in deze verwarrende tijden aan wie de collatie(benoemings)rechten van het onderwijzersambt toebehoren. Daar er toch voortgang moet plaatsvinden voor wat genoemde functies betreft is zolang er geen definitieve uitspraak bestaat de heer Roosenboom voorlopig als onderwijzer, enz. benoemd. Maar de vraag werd weldra of hij wel de geschikte persoon voor de verschillende functies was, of hij wel over de vereiste kwalificaties beschikte en bovenal of het Dorpsbestuur hem wel mocht benoemen. Was dit niet veeleer een zaak van hogere instanties. Hangende het onderzoek werd Roosenboom voorlopig vervangend door ene Gerrit de Waal, die, door hogerhand aangesteld, de nieuwe koster enz. van Gerlicum werd. De pas benoemde Roosenboom pikte dit niet en begon zich hier in geschrifte fel tegen te verweren.

DRIE. Roosenboom weigerde, hierin gesteund door het dorpsbestuur, zijn post vrijwillig op te geven. Het kwam tot een zaak bij het Tribunaal in Eerste Instantie, vallend onder het arrondissement Tiel. Herman Jacob Dijkmeester (de Onderprefect) fungeerde in deze zaak als de Rechter van Instructie, op 25 november 1812. Hieronder enkele fragmenten uit het ondervragingsgesprek tussen Dijkmeester en Roosenboom:

Gevraagd naar zijn naam: Lambertus Roseboom genaamt te zijn, oud acht en dertig Jaren, ongetrouwd, kleermaker en Custor van den Kerk, alsmede voorzanger, doodgraver en klokkenstelder, geboren en wonende te Gellicum. ”

Aangesteld door? Door het dorpsbestuur als doodgraver en door het polderbestuur tot klokkenstelder

Zijt gij van dien posten van doodgraver en klokkenstelder niet wederom ontzet? De maire heeft mij daarover een brief geschreeven, maar ik heb vermeent dat ik wettig aangesteld was en ik bedien het nog.

Weet u niet dat de landdrost en prefect uw aanstelling hebben vernietigd? Dat kan ik mij zelfs op dit ogenblik niet herinneren. Dan wordt hem de laatste brief van de Prefect hierover getoond en gevraagd of hij echt van niets wist. Ja, voor zover er in staat heb ik zulks geweten, maar ik heb toch gedacht dat ik een wettige aanstelling had. Waneer hem wordt verweten dat hij ongehoorzaam aan de Prefect (en dus ook aan het Napoleontisch systeem) is geweest, blijft hij zeggen: Omdat ik dacht dat het wettig was, ben ik voort blijven gaan.

VIER. Uiteindelijk werd in bevelschrift no. 32 van dinsdag de 3e augustus 1813 door het Publiek Ministerie besloten, op grond van artikel 128, de zaak zoals ze hierboven beschreven werd gevoerd, NIET voort te zetten. Voorts werd de Prefect werd in het ongelijk gesteld dat Roosenboom zich in onbehoorlijke taal schriftelijk had verweerd en werd verdere strafvervolging ongegrond verklaard.

Lokaal recht won het (ditmaal) van departementaal/landelijk bestuursrecht. De gedachte dat de toenmalige Napoleontische overheden altijd van alles en nog wat konden afdwingen blijkt niet uit deze kwestie.

++++++++++++++++++++++++++++++++

dr. Elze Luikens

H. Luikens-de Kruif

N.b. De blog wordt om haar in de lucht te houden voorlopig tweemaandelijks voortgezet.

L histoire se répète?

,,De geschiedenis herhaalt zich”, is een welbekende uitdrukking. Ik denk dat dit veeleer geldt voor de patronen en ook de sjablonen die samen met het menselijk handelen de geschiedenis van een samenleving uitmaken. Hieronder een drietal momenten waarop het uit de hand was gelopen/begon te lopen uit de jaren tachtig en negentig van de achttiende eeuw. Waar dat allemaal in is uitgemond kunt u (terug)lezen in de vele blogs die in de loop der jaren zijn geschreven en hieronder terug te vinden zijn.

dr. Elze Luikens

Uitingen van ongenoegen onder (een deel) van de Gelderlanders op het laatst van Napoleons heerschappij

EEN.

In een brief brief van 9 november 1812, geschreven te Amsterdam en afkomstig van het bureau van de Directeur-Generaal van de Politie in Holland en bestemd voor onder meer de Prefect van het Departement van den Boven-IJssel, wilde de Gelderse prefect van de heer Dijkmeester van het arrondissement Tiel graag het volgende weten:

,,(11 november 1812, no. 12 [kladopmaak]) Mijn Heer de Sous Prefet!

,,Ik ben van wegend den Heere Directeur Generaal der policie in Holland, onderricht, dat binnen de stad Thiel, onlangs gedrukt en verspreid is een in den Hollandsche Taal opgesteld volksliedje den titel voerende: vaarwel van een Conscrit aan zijne ouders en vrienden.…. Hoezeer ook dat pamphlet volgens de welgemelde Heer Directeur Generaal ontfangene infromatien wel niet direectelijk geschreven is met gevaarlijke oogmerken, zoo is het echter van dien aard dat de daar in voorkomende klachten en uitroepingen welke in den mond der Conscrits worden gelegd eenen nadeligen indruk moeten maken niet alleen op de Conscrits en hunne nabestaanden, in het bijzonder, maar ook op den volksgeest, der lagere classe, in het algemeen, en ik insistere derhalven UWEd.Gestr.:, bij dezen, om alle de exemplaren van het voors: Pamphlet, te doen ophalen, en aan mij in te zenden, en de verdere verspreiding daarvan, zoo binnen de stad Thiel, als in de overige gemeenten van het aan UWEdGstr: aanbevolen arrondissement te verhinderen.

Verder moest, ,,den drukker van opgem: volksliedje voor U te ontbieden, en hem af te vragen te gevolge van welke authorisatie het zelve door hem is gedrukt en uitgegegeven… .”

Waarop vervolgens werd gevraagd te letten op het verspreiden van soortgelijke pamfletten. De maires dienden hier een actieve rol in te spelen.

Op 17 november reageerde Dijkmeester op de ophef. Hij had zoals gevraagd de drukker van het liedje, ene M.S. Schaffer, ontboden. De man verklaarde te goeder trouw te hebben gehandeld. Hij had al in 1811 een zestal exemplaren naar de gebr. Van Kleef in Den Haag gestuurd, om goedkeuring voor verspreiding te verkrijgen. Omdat hij er niets meer van had gehoord, was hij ervan uitgegaan dat publicatie niet verboden was. Het alsnog verspreiden was volgens hem en anderen ook geen denderend succes geweest, want de lokale boekhandelaar had op zijn beurt verklaard dat het pamflet hoofdzakelijk als pakpapier werd gebruikt! [een vorm van verspreiden?!?]

TWEE.

In Lochem was in niet mis te verstane taal met krijt op een planketsel een nogal opruiende boodschap geschreven.

In een briefwisseling van 11 maart 1811 ging het erover. De adjunct-maire H.W. Raeds had plichtsgetrouw melding van het ‘affront richting Napoleon’ gedaan aan sous-préfet Van der Borch van Verwolde. Hij liet in de erop volgende correspondentie weten dat de de oproerige boodschap was verwijderd en er een beloning van f.50, – was uitgeloofd om de dader aan te geven. ,,Ook is op dien zelfden dag al mede door den Heer Maire eene Publicatie afgekondigd, waarin eenieder ten ernstigsten vermaand is geworden, om zich van alle rustverstorende gesprekken en geschriften te onthouden, ten einde alle onaangename gevolgen, die daar uit zouden kunnen voortkomen, te vermijden:…. .”

++++++++++

Bovenstaande is ontleend aan en terug te vinden in: het Rijks Archief Gelderland, Bataafs-Frans archief, inv.nr. 0016-6011. Stukken over uitingen van ongenoegen over het Frans bestuur, 1812, 1813. 1 omslag

++++++++++

dr. Elze Luikens

++++++++++

Bovenstaande is op zich niet bedoeld om de blogserie voort te zetten, maar een twee/driemaandelijks poging, om bij WordPress waar deze webblog is ondergebracht de indruk te wekken dat er nog steeds sprake is van enige activiteit.

Daarnaast zijn meer dan 335 artikelen denk ik nog voor lang een waardevol naslagwerk voor belangstellenden, studerenden, collegae, etc., etc. . Bedenk wel dat het klakkeloos overnemen van tekst(en) not done is. Laat me het gewoon even weten, waarvoor het moet worden gebruikt.

Het begraven van de gestorvenen

De Intendant van Binnenlandse Zaken, d’Alphonse, wilde, en dat liet hij weten middels een brief dd. 6 juni 1812, geïnformeerd worden over de verschillende gebruiken en gewoonten bij begrafenissen die plaatsvonden in de verschillende rangen en standen van het Gelders departement. De Prefect stuurde dit verzoek door aan de Onderprefecten die op hun beurt de door hen verzamelde gegevens over het onderwerp naar Arnhem stuurden.

De Onderprefect van Zutphen had voor de Prefect een verrassing (13 juli 1812). Hij had namelijk een Plakkaat van het gewest Gelre opgedoken waarin stond dat tegen de gewoonte van bedelaars en zwervers werd opgetreden om bij een begrafenismaal aan te schuiven, zonder de overledene ook maar een beetje te kennen. De Actum van het Plakaat waarover hij het had was van 3 november 1741, maar was voordien ook al eens aangekondigd, zij het, zo bleek, telkens zonder resultaat. De eerste keer dateerde al van 28 april 1712. Dat onderprefect Van der Borch van Verwolde het opnieuw onder de aandacht bracht gaf maar eens aan dat het aanschuiven van de bedelaars een niet uit te roeien gewoonte bleek.

Het Plakkaat luidde:

,,Placaat, Wij Stadholder en Raaden in naame van die Edele Mogende Heeren Staaten des Furstendoms Gelre en Graafschaps Zutphen; DOEN TE WEETEN: Alsoo niet tegenstaande het Verbod bij Placaat van Hooggemelde Heeren Staaten van den 28. April 1712, gedaan/sig bevind/ dat hier en daar ten platten Lande binnen deese Provintie veele onbeschaamde Schoiers en Stoute bedelaars haar niet ontsien in eene groote meenigte van alle oorden als te samen te rotten/ en haar te vervoegen aan de huysen/ waaruit de Dooden ter Begravinge worden gedragen/ en de Erfgenaamen of overgeblevenen als te dwingen tot ’t uitreijken van den overschot der Rouwmaaltijden/ en ook wel van een stuk gelds. “

Dit soort zaken (samengevat) werden door de dorpelingen overwegend als onverdragelijk en lastig ervaren. Het was de bedoeling overlastgevers op te pakken en zo nodig een enkele van hen op te sluiten tot afschrikwekkend voorbeeld voor de overigen.

De Onderprefect stelde eigenlijk, gezien de situatie in zijn arrondissement 4,voor de oude maatregel per direct opnieuw in te voeren.

Wat voor ‘kwalijke zaken’ zich verder zoal voordeden na iemands overlijden, weten we uit een brief, dd. 25 juni 1812, geschreven door één van adjunct-maires van Winterswijk, in eerste instantie bestemd voor de Zutphense onderprefect..

,,Het was hier zints lange Jaaren de gewoonte, zoo dra er iemand is gestorven, dat alles uyt de Buurt word opgeroepen tot getuigen van den doden, dan begint het zoo min volgende bij een Sterf-geval, men beschinkt elkanderen, en zelden dat niet iemand beschonken Huiswaards inkeert.

,,Het appart overluijden van den Afgestorvene besteld een tweede Zamenkomts waarop niet minder word gedronken, en die in een drinkpartij ontaardt. Daarna volgt het nog meest buitensporige gebruik, het geeven van het zogenaamde groevenmaal, waartoe genodigd worden, al na dat de overledene was bemiddeld, een gansche Buurschap niet zeer zeldzaam meerdere te zamen, of ook wel eens, wanneer een rijken sterft, het gansche Kersspel Winterswijk gebeurde stukken , dat zoms twintig, ja meer als dertig tonnen bier, behalven zoveel Sterke dranken als dan gedronken worden, en dan geen wonder, gelijk de ondervinding heeft bewezen, dat reets menige Familie door slegt geplaatsten ijver opgespoord, daar door zig in schulden gestoken, en haar ondergang bespoedigd heeft, men zou het Jaarlijks kunnen toonen, dat de kosten van een groeve maal zom tijds loopen boven vier honderd Guldens. Behalven zulke nuttelooze kosten, zijn het juist die parteijen die in dronkenschap het meest ontaarden en die gewoonlijk duuren tot in den laten nagt. Dit zijn de reden Mijn Heer waar om wij toen de besmettelijke Ziekte in’t voorleeden Jaar alle zamenkomsten moest verbieden bij ons arrèté van 12e October 1811………. W.J. de Haes adjoint.”

+++++++++++++++

Dit artikel is tot stand gekomen via samenvattingen en letterlijke citaten van gegevens ontleend aan: Rijks Archief Gelderland, Bataafs-Frans archief, inv.nr. 0016-5962. Stukken over de aan de Intendant van Binnenlandse Zaken verstrekte opgave van bestaande plaatselijke begrafenisgebruiken, 1812, met als bijlage een plakkaat van het gewest over het verbod aan bedelaars en zwervers zich te vervoegen bij rouwmaaltijden, 1741. Gedrukt. 1 omslag

+++++++++++++++

dr. Elze Luikens

+++++++++++++++

Het is niet de bedoeling om de blogserie voort te zetten. Deze blog zorgt er enkel voor dat WordPress, waar alles bij is ondergebracht, niet de hele boel uitzet. Dat zou toch jammer zijn, gezien de vele informatie over de Bataafs-Franse tijd die hier ‘for free’ te vinden is.

Een blik op de benoemingen van schoolmeesters in de Franse tijd

Een voorbeeld van hoe in de Franse tijd (1810-1813) gehandeld werd, wanneer er een onderwijzersvacature ontstond:

Een.

,,26 februari 1812, no. 266

De Sous Prefet van Zutphen

aan den Heer Prefet van het Departement van den Boven-IJssel.

Hoog Edel Gestrenge Heer!

De Kerkenraad van Vasseveld mij geadieerd hebbende, bij de Missive welke ik de Eer heb bij deze aan UWEdG optezenden; oordeelde ik de consideraties voor deze zaak van de Schoolopziener van het District te moeten in nemen, welke de vrijheid neeme bij deze insgelijk aan UWEdG te doen toekomen. Deze consideratien met den vereischten aandagt overwogen hebbende, kan ik mij hoovdzakelijk met dezelve vereenigen, daar het mij voorkomt dat inhet Stuk van het lagere Schoolweezen alles tot dus ver beschouwd moet worden, nagenoeg op den ouden voet gelaten te zijn.

Waaruit egter mijns inziens mede voortvloeit, dat wegens de vacature behoorlijke annonce moet geschieden, terwijl hoezeer de aanmerking van den Schoolopziener in abstracto waarheid moge bevatten, daarin geene Grond tot eene Dispensatie ligt, die zoo zij nodig ware, alleen door hogere magt zoude kunnen worden verleend, waartoe instantien te doen, mij in dit geval even ongepast als overbodig voorkomt.

Ik verzoek weegens deze anvraag met UWEdG goedvinden te worden vereerd en verblijve met verschuldigde hoogachting

Hoog Edel gestrenge Heer

UwEdg. onderdanige en Gehoorzame Dienaar

APRC v.d. Borch”

TWEE.

,,Schouwenburg, 8 december 1812

Van de Maire van Oldebroek aan de Prefect.

Daar met de nieuwe organisatie van de Primairen Commune Schoolen, de Schoolonderwijzer van mijnen Gemeente, welke geen excamen heeft kunnen doen, waarschijnlijk niet gecontinueerd zal worden, zo neeme ik de vrijheid bij deze den persoon van Hendrik Jacobs de Hen welke reeds als schoolonderwijzer te Oosterwolde fungeerd, en voor eenige maanden een zeer goed examen heeft ondergaan, aan UHoogEdGestr. goedgunstige Protectien te recommenderen tot het bekomen van den post van Schoolmeester te Oldenbroek; het zoude mij zeer aangenaam zijn, gemelden persoon alhier geplaatst te zien, daat zijn zedelijk gedrag mij bekend is, en zijnen capaciteiten van groot nut voor den jeugd alhier zoude zijn.

J.H. van Spaen.”

DRIE.

Zoelen, 28 juli 1813. De maire aan de Prefect.

Kort samengevat: in het Staatkundig dagblad van het [Gelders] Departement (dinsdag 13 juli, 1813, no. 84) stond een advertentie waarin te Wadenoyen een schoolmeester/koster werd gevraagd en men zich moest melden bij de plaatselijke predikant J.H. van Hulstein om op 11 augustus a.s. een examen te komen afleggen. Deze advertentie, hoewel niet ondertekend, zou afkomstig zijn van A.G. van Borselle, die in het bezit gekomen was van de goederen van de ,,Gewezene dagelijksche Heerlijkheid Wadenoyen… en ‘gedacht heeft’ dat dit aloud benoemingsrecht” ook aan hem was toegevallen. De maire was vierkant tegen deze gang van zaken, ,,Dat, daar het in het algemeen, als UHoogEd. Gestr. kennelijk, een waarheid is, dat de Heerlijke regten zoo wel bij het voormalig Hollandsch Gouvernement, als bij de Fransche Regeering zijn afgeschaft, en vernietigd geworden.” Bovendien stond de Schoolonderwijzer op het budget van de gemeente, en wel voor 40 gulden… en zijn woning en schoolvertrek zijn eigendom van de gemeente, want , ,,na de Watervloed in 1809 uit de Kas der Gemeente gebouwd.”

Als mocht blijken dat Van Borssele alle benoemingen (onderwijzer, koster, predikant) zijn toegevallen na de aankoop van de voormalige heerlijkheid, wil de maire hiervan wel graag op de hoogte worden gebracht. En dat gold ook voor alle kwesties die de gebouwen aangaan. En de boomgaard en het betalen van de onderwijzerstractementen.

Uit onderzoek bleek echter dat de heer Van Borssele inderdaad ook de collatierechten had ‘op’gekocht, ma.w. de geplaatste advertentie was terecht geplaatst.

+++++++++++++++++

Bovenstaande gegevens, citaten, c.q. samenvattingen zijn ontleend aan: Rijks Archief Gelderland, Bataafs-Frans archief, inv.nr. 0016-5903. Stukken over de benoeming van schoolmeesters te Laren, Oldebroek, Varsseveld en Wadenoijen en over het ontslag van J.D. Brakenburg als schoolmeester te Putten, 1812, 1812. 1 omslag

+++++++++++++++++

dr. Elze Luikens

H. Luikens-de Kruif

Bovenstaand artikel is niet bedoeld als voortzetting van de blogserie, maar wel om de blogpagina’s bij WordPress ondergebracht ‘in de lucht’ te houden, zodat veel onderzoekmateriaal over Nederland en België in de Franse tijd beschikbaar blijft.