Keuringsartsen voor de dienstplicht van Napoleons Grande Armée

Napoleon Bonaparte had soldaten nodig. Veel soldaten. En omdat hij niet langer wilde leunen op een onzeker aantal vrijwilligers die kwam toestromen om de Revolutie gaande te houden, schakelde hij over op van te voren min of meer vaststaande kwantitatieve zekerheden. Ook waren in zijn optiek verplicht opgeroepen soldaten beter op te leiden. Voorts wilde hij verzekerd zijn van gelijkvormig materiaal. En daarvoor had hij  ‘bekwame’ artsen nodig die hun steentje konden bijdragen door een keurend oog te laten gaan over de kwaliteit van de mannen die de pelotons, bataillons en divisies zouden gaan vormen waaruit een door hem te kneden Grande Armée voortaan had te bestaan.

De gedachte dat de conscriptie oftewel de dienstplicht veel tegenzin in de samenleving veroorzaakte is zeker onjuist te noemen tot en met de achteraf fataal gebleken Tocht naar Rusland. Daarvoor leefde onder de (a.s.) soldaten van alle rang en stand een zekere hoopvolle verwachting op…  op het slagveld te behalen eer, glorie en victorie die van iedere individuele deelnemer – eenmaal teruggekeerd – een fortuinlijk man konden maken. Ook verscheidene artsen, waarvan sommigen nog in opleiding,  die graag de keuring wilden verrichten meldden zich vol enthousiasme aan bij de Prefect van het departement waar ze woonden. Ik heb tijdens mijn archiefonderzoek in het Gelders archief te Arnhem een aantal brieven die hierover handelden in handen gehad.

Elke nieuwe aankondiging van weer een lichting ging in de overal gelijktijdig verschijnende Departementale Couranten gepaard met een aantal vooraf-eisen. Napoleon wilde niet Jan en alleman in zijn legers. Nee, een bepaalde lengte, lichaamsbouw en mentale gesteldheid waren van het allergrootst belang. In elke mairie (stad en/of dorp) werden direct hierna aankondigingen voor de keuringsdag opgehangen. Wie niet kon lezen en schrijven kreeg het wel voorgelezen door omstanders.

Ik heb hierover al in eerdere blogs geschreven,o.a  op 18 mei 2011 [via Zoeken: en dan  ‘conscriptie’ intikken ]. Daarom ditmaal  een nadere toelichting van 1.) een deel van het kostenaspect dat zo’n keuringsdag begeleidde en 2.) keuringsaantallen en wel  aan de hand van Gelderse gegevens uit het in het Provinciaal Rijksarchief aanwezig materiaal, dat te vinden is in het Bataafs-Frans archief, inventarisnummer 0016-4479*.

Allereerst waren er de (on)kosten gemaakt door de Gelderse prefect Van Andringa de Kempenaer en drie van aan hem ondergeschikte collegae, te weten de heren A.W.C.W. van Pallandt van Keppel (op dat moment nog sous-préfect van Zutphen), A.P.R.C. van der Borch van Verwolde en J. van Pallandt van Walfort (beide laatsten op dat moment lid van de Raad van de Prefecture).

img017

De heren reisden per gehuurde koets door het departement van de Boven-IJssel om de verschillende keuringen persoonlijk (!) bij te wonen. De kosten hiervoor waren respectievelijk f.224,- , f.117 en 12 stuivers, f.96,- en f.128,-. De Prefect deed de Neder-Betuwe en de Veluwe aan, Van Pallandt van Walfort de Over-Betuwe, de twee overige bestuurders reisden onafhankelijk van elkaar, naar een paar keuringen die ergens in de Achterhoek werden gehouden. Behalve de reiskosten declareerden ze ook nog eens verteringskosten, waarvan van der Borch van Verwolde het leeuwendeel voor zijn rekening nam: f.43,-. Voor ‘druklonen’ (de verschillende aankondigingen via pamfletten, enz,) kwamen de kosten op f.1696 en 17 stuivers; aan schrijfbehoeften werden 216 guldens en 4 stuivers uitgetrokken en de expeditiekosten (kosten, gemaakt om alles op de juiste plek te krijgen; wat dit ook moge inhouden) kwamen uit op f.173 en 15 stuivers. Alles bij elkaar hadden deze departementale notabelen de keuringsdag van dit departement nog eens extra belast met een totaal van f.2776 en 18 stuivers. Bedenk dat de jaarbegroting van een mairie als Apeldoorn in die tijd werd begroot op f.6000,- .

De keuringsartsen zelf brachten – in ieder geval in het arrondissement Zutphen – voor ieder persoon die ze keurden f.3,- in rekening. Een enkele arts diende ook zijn verteringskostennota in, maar dit werd  n i e t  vergoed.

Hoeveel werden er op één dag gekeurd? Het geeft maar weer eens aan dat het niet altijd lopende band werk was. Zo keurde medicus P.C. Canter de Munck , aldus een mededeling hierover van maire J.B. Mettenbrinck uit Barneveld volgens zijn missive van 5 november 1811: 18 personen. Het bericht zegt niets over goed- en afgekeurden die dag. Dit geldt ook voor de navolgende gegevens.

Het aantal op één dag gekeurden was elders – ogenschijnlijk – soms hoger, maar dat heeft denk ik alles te maken met de grootte van het gebied waarin en waarvoor een gezamenlijke keuring plaatsvond. Zo deelde de maire van Twello, P.P. Evers  aan prefect Van Andringa de Kempenaer schriftelijk mee, dat er op 7 oktober 1811 door de Medicus Doctor Chirurgijn en Vroedmeester H.T. Hoogeveen in de mairiën/gemeenten Brummen, Twello, Apeldoorn en Nijbroek 53 personen en een dag later in de mairiën Hattem, Heerde, Epe en Vaassen 34 personen zijn gekeurd.

De  ‘mooie’ gegevens die Evers opstuurde over deze keuring van de lichting 1808/1809  zijn best interessant, omdat Napoleon op dat moment op het punt stond aan zijn rondreis door Nederland te beginnen. Het was nog niemand duidelijk welk departement en dus ook niet welke plaats hij zou aandoen. Dus was het handig om mooie cijfers te versturen en zo in een gunstig daglicht te komen staan. Maar wij weten allang – weliswaar achteraf- dat dit soort gegoochel met cijfers  weinig indruk zal hebben gemaakt op de Franse keizer. Ook de reislust van genoemde bestuurders zal ingegeven zijn om toch vooral een gunstige indruk op de Keizer te maken door te laten zien dat ze er zich persoonlijk mee bemoeiden om de keuringen succesvol te laten verlopen. Latere keuringen zijn voor zover mij bekend namelijk niet meer door leden van het departementaal bestuur persoonlijk bezocht!

Ter afsluiting nog een paar getallen uit het gebruikte Bataafs-Frans archiefmateriaal. In Zutphen werden tijdens dezelfde keuringsronde 25, in Warnsveld 15, in Vorden 22 en in Terborg nog eens 27 conscrits gekeurd. De Tielse maire C.C. van Lidt de Jeude liet in een schrijven dd. 9 november 1811 weten dat door Jacob Pieter van Dorp, ‘stadsmedicina doctor’ er 18 en door Cornelis van Heythuysen, eerste stads Heel- en Vroedmeester er eveneens twee maal 18 mannen zijn gekeurd. Daarnaast keurden beide geneeskundigen voor de Maritieme conscriptie (het is nl. niet enkel de landmacht, maar ook de zeemacht waarvoor zo’n keuringsgolf gold) 2 maal 21 mannen.

*voortaan zult u, wanneer er onderzoeksmateriaal uit het Gelders archief wordt besproken het inventarisnummer vermeld zien.

dr. Elze Luikens (copyright): napoleon-info@hotmail.nl

 

Advertenties

Loteling no. 8 voor de Grande Armée: Hendrik Evert Peppel

0016-3434. Enkele blogs terug besprak ik de vrijblijvendheid om al of niet te dienen in de legers van keizer Napoleon. Na 10 juli 1810 (Nederland is aan het Franse keizerrijk toegevoegd) was er van deze vrijblijvendheid geen sprake meer. En ook al leek het alsof de zonen van de meer welgestelden het een eer vonden om in Napoleons Garde d’Honneur te mogen dienen, in werkelijkheid was dat ‘eervolle’ slechts mislukte en tegelijk ook misplaatste propaganda van de Franse overheid. De Nederlandse samenleving begon zo langzamerhand genoeg te krijgen van al die in vrolijke contexten geplaatste dienstplichterij en wat er zoal mee samenhing.

Lichting na lichting werd intussen voor Bonapartes Grande Armée opgeroepen. In 1811 waren de jongemannen, geboren in 1788, aan de beurt om zich te komen laten keuren; niet alleen in Frankrijk, maar ook in de inmiddels aan Frankrijk toegevoegde landen. Iedereen die voor zo’n snelle en doeltreffende keuring in aanmerking kwam kon de uitnodiging hiervoor lezen op de verschillende publicatieborden. Doen alsof je het niet wist, omdat je niet lezen en schrijven kon was er niet (meer) bij. Immers ook vanaf de kansel werden de betrokkenen op de hoogte gebracht na afloop van de eredienst. En verder kenden de verschillende overheden nog wel de nodige truukjes.

8.de troepen te Boulogne worden geïnspecteerd

Waren er nog jongemannen die wel konden ontsnappen aan de diensplicht? Ja, maar veel waren het er niet. De Feuille politique du Département de l’ Issel Supérieur, ofwel het Departementale Dagblad van het Departement van de Boven-IJssel (en dit gold natuurlijk ook voor al die andere departementale couranten) publiceerde de lijst met uitzonderingen. Vrij van diensplicht waren zij die grote prijzen in bijvoorbeeld de Schilder-, Beeldhouw-, Bouw- en Muziekkunst hadden behaald; zij die student Theologie waren; zij die dienden als matroos; zij die in een wapenfabriek werkten; zij die leermeester of professor aan een van de Keizerlijke Universiteiten waren; zij die pages van Napoleon waren en nog enkele andere kleine uitzonderingen.

Maar voor de rest viel er hoegenaamd niet te ontkomen om ergens in de gelederen van de Grande Armée te worden ingedeeld. Lichamelijk gebrek of een te klein postuur wilde wel eens helpen, maar de regels hiervoor werden steeds ‘soepeler’ uitgelegd. Er was nog één andere mogelijkheid niet als dienstplichtige loteling te hoeven komen opdraven en dat was wanneer je de zorgplicht had voor gebrekkige ouders. Maar ook dan was het nog maar de vraag of …. ?

Het geval van Hendrik Evert Peppel toont dat meer weer eens aan. Hij was in de mairie Wageningen opgeroepen voor de keuring van 21 maart 1811. En jawel, fysiek was er werkelijk niets maar dan ook niets op hem aan te merken. Hij kreeg daarom lotnummer 8; dit lotnummer werd in een pot gestopt samen met de andere nummers. En na enig gegrabbel kwam zijn nummer eruit en was hij officieel conscrits geworden.

Maar wat wil nu het geval: Hendrik Evert kwam kort na de officiële keuring terug naar de Wageningse keuringslocaliteit met wat papperassen bij zich. Of zoals hij desgevraagd tegenover de keuringsarts en een aanwezig lid van de Municipale Raad van Wageningen verklaarde: ik ben in het bezit van een verzoekschrift plus een extract uit het Doopboek van de plaatselijke Hervormde Gemeente. Hieruit bleek dat zijn ouders op de 21ste van de Lentemaand 1741 waren gedoopt en inmiddels de leeftijd van 70 hadden bereikt.

Op de vraag wat ze hiermee moesten overlegde Peppel nog een ander epistel; een ‘brandbrief’, zoals hij het noemde, geschreven door zijn directe buren Derk Cadron Gerritsen ‘ruim vijf en vijvtig’ en Derk Randewijk, ‘ruim één en vijvtig jaaren oud’. Daarin verklaarden beiden al vele, vele jaren de buren te zijn van de ouders van Hendrik Evert Peppel.

Hun verzoek om loteling no.8 niet in de keizerlijke legers in te lijven omkleedden ze in een eveneens eigenhandig geschreven epistel als volgt: zij woonden naast Evert Lubberts Peppel en Janna Peters en verklaarden ,,Dat gemelde Echtelieden …. in het algemeen bekend staan en aan ons bekend zijn voor brave en opregte lieden, welke voorheen altoos zeer werkzaam en naarstig geweest zijn in hun beroep als halve Tabakkers; dat zij niet meer dan twee zoonen hebben, waarvan de oudste gehuwd is, hebbende eene Vrou en vijv kinderen; en de jongste Hendrik Evertsen Peppel genaamd, vallende in de conscriptie van 1788, hebbende bij loting getrokken No. 8, bij hun in huis woond, en voor hem en sijne ouders voornoemd, door sijnen dagelijkschen arbeid, als halven Tabakker [vrije uitleg naar ‘vereniging Oud-Wageningen’: mensen die naast hun werkzaamheid in de Tabak ook nog ergens anders, bijv. landbouw/veeteelt werkzaam waren], de kost moet winnen en het levensonderhoud van dese sijne ouders, welke geene andere middelen van bestaan hebben, geheel en al van hem afhangt en die door het gemis van desen hunnen zoon in de uiterste armoede gedompeld zouden worden; als zijnde beide zoo uit hoofde hunner hooge jaren, als zigtbare Lighaams gebreken, ten eene maal onvermogend, om thans weer voor zich zelven de kost te winnen, dewijl hij Evert Lubberts Peppel, behalven met eenen liesbreuk, veelal met zeer hevige zenuwtrekkingen en doof en magteloosheid der vingers gekweld is en de Vrouw Janna Peters zeer zwak van lighaam en meestal van haar gezigt berooft is; door welk een en ander zij volstrekt niet meer in staat zijn die werkzaamheden te verrigten, welke Hun voorheen het levensonderhoud verschaften.”

Namens de Wageningse raad verklaarde T. van Ommeren een dag later in een aangehecht bijschrift dat hem het verhaal zeer geloofwaardig voorkwam. Een en ander werd per koerier naar Arnhem gebracht, afgeleverd in het Hôtel de Prefecture. alwaar Prefect Van Andringa de Kempenaer zetelde om zich over dit en al die andere verzoeken te buigen. Allemaal smeekbedes om maar niet te hoeven worden opgenomen in Napoleons krijgsmacht.

Uiteraard zal de Gelderse prefect evenals zijn andere collga’s hier en daar wel eens een verzoekschrift hebben gehonoreerd, maar in het geval van Hendrik Evert Peppel heeft hij op de papieren niet zijn fiat gezet. Dit wil nog niet meteen zeggen, dat loteling no. 8 alsnog moest komen opdraven om in een legerdepot te worden klaargestoomd voor wellicht een infanteriefunctie. Mijn gedachte hierover is dat er ook toen al sprake was van een uit nood geboren deelname aan de toenmalige participatiesamenleving. Noaberhulp, hand- en spandienst leveren, heette zoiets, begin 19de eeuw.

17. Maarschalk Ney dekt de smadelijke terugtocht uit Rusland 1812

Ik wens u allen een Bon Noël, een Gezegende zalige Kerst.

En u weet het: alle geschreven blogs (inmiddels meer dan 150) zijn en blijven gratis na te lezen door of te scrollen, of rechts van de blogpagina een rubriek of maand aan te klikken of in Zoeken uw zoekterm in te tikken. Alles als doel om organische geschiedschrijving te bevorderen, zoals dat op deze blog gebeurt.

dr. Elze Luikens (copyright 2008-2014)

emailadres schermpostadres napoleon-info@hotmail.nl schermpostadres emailadres

Napoleon Bonaparte verzamelt zoveel mogelijk conscrits om zich heen

De vredesbesprekingen – zomer 1813 – waren op een mislukking uitgelopen. Napoleon haalde zijn eigenzinnige en volgens hem nog amper te vertrouwen diplomaat Talleyrand hierop uit de vele, ook langdurige en soms langdradige vergaderingen, die bedoeld waren om de geallieerden (Rusland, Pruisen, Zweden en in inmiddels ook Oostenrijk en Engeland) en het Franse keizerrijk (en bondgenoten) van verdere oorlogshandelingen af te houden. Het mocht niet baten.

Bonaparte ging niet eens in op de simpele eis van zijn tegenstanders: trek je troepen terug en accepteer de Franse grenzen van 1792. M.a.w. Nederland, Zwitserland, Spanje en de Italiaanse staten opgeven. Hij peinsde er niet over en vertrouwde in het verdere verloop van wat hem te wachten zou staan op zijn soldaten, zijn eigen vernuft én op vrouwe Fortuna.

En was inmiddels in de door Napoleon gevormde vazalstaten onzekerheid aan het ontstaan. Zo meldde zijn jongste broer Jérôme (1784-1860), koning van Westfalen, dat er onrust onder de studenten van de universiteit van Halle heerste. Een onrust die overigens op dat moment in heel Duitsland merkbaar en voelbaar was geworden. Het wij-Duitsers gevoel wakkerde het verzet tegen de Franse keizer aan, die zich op dat zelfde moment met het merendeel van zijn troepen in datzelfde Duitsland tussen Leipzig en Dresden bevond. De geest was  uit de fles en er werd steeds openlijker tegen Napoleon geageerd. De universiteit werd daarop gesloten en verschillende tijdschriften verboden; de redacteurs ervan belandden in het gevang.

Om de gemoederen te bedaren werd er wekenlang in de officiële couranten een ellenlange schriftelijke converstatie gepubliceerd tussen Napoleon en zijn vrouw, keizerin Maria Louise. Zij uitte in dit opzetje regelmatig haar bezorgdheid over de vrede en veiligheid van Napoleons onderdanen. Waarop deze haar geruststelde door haar vertrouwelijk te ‘berichten’ over overigens zwaar overdreven successen. Dat enkele maarschalken en generaals van Napoleon inmiddels zware verliezen leden, manschappen, paarden en kanonnen waren kwijtgeraakt kwam officieel dus niemand te weten, maar werd in de loop van september wel aan steeds meer ingewijden bekend.

Keizer Napoleon in gelukkiger tijden dan najaar 1813.

Keizer Napoleon in gelukkiger tijden dan najaar 1813.

De conscrits van 1813 (alle jongemannen geboren na 1-1-1793) en tot de zomer van 1813 in reserve gehouden werden ijlings opgeroepen; ook in het gelderse departement De Boven-IJssel. Prefect Van Andringa de Kempenaer, die zelf op dat moment aan  het kwakkelen was met zijn gezondheid, riep via de officiële organen (de departementale courant en mededelingbulletins) en snel bezorgde brieven de maires op om onmiddellijk de lijsten klaar te hebben van deze reservedienstplichtigen.

Ze moesten zo snel als mogelijk was zich komen aanmelden en door de hiervoor aangewezen overheden richting Duitsland worden gestuurd, waar opleidingsluitenanten en -kapiteins ze ‘liefdevol’ opvingen. In de Departementale Courant van de Boven-IJssel (Feuille Politique)  werden ‘weerspannigen’ ferm gewaarschuwd deze oproep niet te negeren; anders zouden strenge straffen volgen.

Een enkele (zwaar)gewonde die in Duitsland niet onmiddelijk meer op te lappen was, mocht thuis herstellen én vertelde de ‘verhalen’. Niet dat deze mannen, niemand uitgezonderd,  over een zuiver overzicht van het geheel beschikten en in staat waren de feitelijke toestand te duiden, maar toch. En deze feitelijke geruchten verspreidden zich in rap tempo onder de (lokale) bevolking.

De verjaardag van Napoleon (15 augustus) was her en der in het departement met hier en daar voor de lokale overheden vervelend gedoe afgesloten. Men was namelijk verplicht op die speciale dag het landwerk te laten liggen, maar verscheidene boeren (en ook kooplui) hadden dat voorschrift aan hun laars gelapt. Het heette dat de oogst anders te laat zou worden binnengehaald. De gendarmerie werd de weken daarop ingeschakeld om de verschillende overtredingen nader te onderzoeken. 

Napoleon die zo rond zijn verjaardag de troepen even had gelaten voor wat ze waren, keerde kort daarop naar Dresden terug. En dat was nodig ook, want het was net of alles vast zat en met het najaar voor de deur hadden enkelen het gevoel of zich de gebeurtenissen in Rusland van een jaar eerder weer aan het herhalen waren.  Napoleon Bonaparte kon een (klein) succes best gebruiken om die vervolgens breed uit te meten in de verschillende legerbulletins en zo.

Begin september 1813 wist hij Pruisische troepen in een hinderlaag te lokken en bemachtigde op die manier 15.000 krijgsgevangenen, 14 vaandels en een groot aantal kanonnen. Allemaal mooi en wel, maar met al die nieuwe krijgsgevangenen zat hij wel lelijk in zijn maag. Ze moesten allereerst achter de linies worden gehouden. En worden gevoed. Wellicht konden ze bij komende vredesonderhandelingen gebruikt worden als ruilmateriaal.

Ook de geallieerden begrepen dat er een clash nodig was.  Al die schermutselingen over en weer zetten geen zoden aan de dijk. Eén eclatante overwinning was nodig voor wie dan ook; eentje die de verdere loop der geschiedenis zou gaan bepalen.

Inmiddels hadden de opgeroepen reserve-conscrits Napoleons Grande Armée bereikt. Ze hadden verwacht dat er van alles genoeg voor hen aanwezig zou zijn om zo goed voorbereid en uitgerust aan de grande finale te kunnen deelnemen. Maar eenmaal aangekomen ontdekten ook deze jongens uit de Achterhoek, Betuwe, Veluwe dat schijn (en mooie woorden) behoorlijk kon(den) bedriegen. Wat er zoal in de departementale courant had gestaan had – zo bleek –  niets met de huidige werkelijkheid te maken.

Een enkele pas aangekomen dienstplichtige die een glimp van de Keizer opving, de keizer waarvoor ze hun leven wilden opofferen (!?!), zag een vermoeide kleine man voor zijn tent zitten, soms met enkele hoge officieren de tent ingaan, hoorde soms fel geschreeuw en zag vervolgens een al maar vermoeiender ogende Keizer.

dr. Elze Luikens (copyright 2008-2013).

Reageren of graag iets kwijt willen: zie mijn emaladres rechterkolom of in OVER bovenaan de blog.

De Garde d’Honneur van Gelderland; 1813

Het kan niet worden ontkend: keizer Napoleon Bonaparte predikte in alle opzichten gelijkheid voor de wet, iedereen dezelfde rechten én plichten; onderscheid vanwege iemands geboorte (adel) telde in zijn Keizerrijk niet meer.

De dienstplicht was zijn vinding. Alle geschikt bevonden (jonge)mannen hadden gelijkelijk mee te helpen en mee te werken aan de bescherming van zijn l’Empire. Hijzelf gaf, zo heette het in de listig gevoerde propaganda*, het grote voorbeeld en was op het slachtveld altijd wel vooraan te vinden.

Nu bestond voor met name de rijkere ingezetenen de mogelijkheid er voor te zorgen dat hun zoon geen dienst hoefde te verrichten in de Grande Armée. Het bekende rempaçantenstelsel. Dit ging zo te werk: na de keuring werden er loten(nummers) getrokken en van bijvoorbeeld de loten 1-100 moesten de eerste 60 dienen. Wanneer nu  bijvoorbeeld zoonlief van welgestelde ouders lot 22 had en een boerenknecht lot 72, waren de ouders van loteling 22 vaak bereid een niet onaanzienlijk bedrag aan loteling 72 uit te betalen; loteling 72 ging  vervolgens naar de recruteringscommissie, vaak bestaande uit de maire en enkele andere (dorps)notabelen, en gaf aan dat hij remplaçant werd voor de welgestelde zoon met lotnummer 22.

Napoleon stond dit toe, maar boog dit ‘welgestelden’-voordeel om. In de loop van 1811 richtte hij namenlijk in ieder departement een speciaal corps op samengesteld uit jongemannen van welgestelde, aanzienlijke families. En daar was een  remplaçantenstelsel niet toegestaan. Het heette dat deze ‘uitverkoren’ jongemannen het als een eer moesten beschouwen te mogen dienen in de nabijheid van de Keizer. Hen werden prachtige officiersfuncties in het vooruitzicht gesteld, roem en eer op het slachtveld zouden volgen.

Uiteraard kreeg prefect Van Andringa de Kempenaer hierover brieven onder ogen van verontruste moeders die hem geëmotionneerd schreven dat hun zoon totaal incapabel was voor zo’n eredienst. Of hij niet alle kracht en macht wilde aanwenden om hieraan iets te doen. Ze zouden zo’n nobele houding nimmer vergeten. Op een gegeven moment deed de Prefect hiervoor geen enkele moeite meer, omdat ‘Parijs’  toch elk verzoek om ontheffing van zoon van A van B tot C botweg, namens Napoleon, weigerde.

Er was nog iets. Daar waar de gewone soldaten van kleding, schoeisel, munitie, enz, werden voorzien, moesten de jongemannen van de Garde d’Honneur zichzelf equiperen, inclusief geschikt paard.

18. Een Garde d'Honneur 1813

 Had Napoleon een hekel aan welgestelden? Welnee, hij ging pragmatisch als hij kon zijn er gewoon van uit dat deze Garde d’Honneurjongemannen beschikten over draagkrachtige ouders. De werkelijkheid was evenwel anders, want niet alle aangewezen families beschikten over voldoende middelen en kwamen daardoor in acute problemen.

De Prefectuurraad van het departement van de Boven-IJssel onderkende dit en vroeg namens Van Andringa de Kempenaer aan de Gelderse ingezetenen een steentje bij te willen dragen in een hiervoor speciaal opgericht Fonds om zodoende over voldoende middelen te kunnen beschikken om de Gelderse Garde d’Honneurmanschappen voldoende tot goed te kunnen uitrusten.

Mei 1813 kwamen uit alle steden en dorpen van het departement de giften hiervoor binnen. Verscheidene notabelen, onder meer uit Vaassen (2400 francs), Angerloo (400 fr.) en Doesburg (1200 fr.) trokken hun portefeuille. Vaderlandsliefde voor het Keizerrijk? Zakelijkheid? Betrokkenheid met de jongens die als ze niet voldoende geëquipeerd waren hierdoor in de problemen zouden kunnen komen?  Wie zal het zeggen.

De voldoende ‘uitgeruste’  jongemannen moesten zich bij de Prefect te Arnhem verzamelen, werden getracteerd op een smakelijk diner, kregen ronkende toespraken te horen en vertrokken de volgende dag richting Metz waar hun opleiding zou gaan aanvangen.

Gelukkig voor de meesten van de 1813-lichting: op het moment dat ze voldoende waren opgeleid om te worden ingezet bij de eerstvolgende oorlogshandelingen had de Volkerenslag bij Leipzig (16-19 oktober) al plaatsgevonden en bevond Napoleon zich in het defensief. Ze keerden, de een na de ander, terug naar het intussen weer in ere herstelde Gelderland (de Nederlandse departementen werden provincies; de aloude grenzen grotendeels hersteld).

Voor enkelen van hen was het verhaal niet helemaal voorbij. Souverein vorst Willem I kon in het  ‘nieuwe Nederland’  best wel een aantal van hen in zijn nabije omgeving gebruiken. De jongens die het aanging hebben dit overigens niet ervaren als een gevalletje: regen en drup.

*Over deze propaganda een van de komende blogs.

dr. Elze Luikens (copyright 2008-2013).

Voor reacties en zo: zie bovenaan OVER voor een emailadres.

Napoleons invalide achterblijvers

Wie goed op de hoogte wil worden gesteld van de verschrikkingen die Napoleons soldaten meemaakten en wat dat voor de rest van hun leven betekende, leest – zie boekbesprekingen –  het werk van Johan op de Beeck’s Napoleons nachtmerrie er maar op na. Of eigenlijk elk boek waarvan de auteur op een eerlijke manier heeft geprobeerd te beschrijven hoe het er in die tijd tijdens en na de gevechten aan toeging.

Eigenlijk valt zo iets verschrikkelijks niet onder woorden te brengen, want ontbreken zullen de oorlogskruitdampen, de geur van rook en verwoesting, het gekerm en geschreeuw van de gewonde soldaten, de gedode paarden waaronder een eveneens getroffen soldaat klem zat, die zijn benen niet meer kon bewegen. Wie weet voor altijd.

Over enkele van deze invalide soldaten die uit de oorlog waren teruggekeerd wil ik het in deze blog hebben. Meer nog over wat het thuisfront met hen aan moest. Daarbij kwam nog: ze hadden gediend bij de in die jaren weinig succesvolle marine.

16. Napoleon temidden van de ruïnes van Smolensk

Alweer een aantal jaren keerden lichamelijk maar ook psychisch gewonde soldaten na de zoveelste veldslag in de zoveelste  ‘ongewilde’ oorlog uit Napoleons Grande Armée terug naar hun geboorteplaats. Met hartverscheurende verhalen, of, juist andersom, in een gespannen aandoend stilzwijgen voor hun omgeving; helemaal in zichzelf gekeerd. Soms ineens lastig voor hun plaatsgenoten, dwars in hun gedragingen, problematisch. Wij noemen dat oorlogstrauma’s.

Inmiddels was ook het aandeel Nederlandse militairen, dat met lichamelijke/psychische gebreken uit de oorlog terugkeerde, stijgende. Daarnaast kende Nederland eveneens een grote groep militairen die bij de marine had gediend en de dienst bepaald niet ongeschonden  had moeten verlaten. Na aanvankelijk de eigen lokale gemeenschap op de hoogte te hebben gebracht van het vele dat ze hadden meegemaakt waarop compassie met de invalide man was gevolgd, wilde de rest weer overgaan tot de orde van de dag. Oorlogen waren er immers altijd al geweest, de laatste tijd natuurlijk meer dan in de tijden daarvoor, maar ja… het leven was in die jaren hard voor iedereen.

17. Maarschalk Ney dekt de smadelijke terugtocht uit Rusland 1812

En bovendien, was het niet zo dat keizer Napoleon Bonaparte goed voor zijn invalide manschappen zorgde door ze een militair pensioen toe te kennen. Net genoeg om van te leven. Maar als de invalide soldaat thuis ook nog een bedoeninkje had waar gedeeltelijk op kon worden teruggevallen… nou dan zat het wat de lokale gemeenschappers betrof wel goed met de invalide uit de strijd teruggekeerde gewezen soldaat of marineman. En al die trauma’s? Wel, iedereen maakte wel eens wat mee: epidemische ziekten, misoogsten, tegenvallende prijsopbrengsten, nauwelijks op te brengen tussentijds verhoogde belastingen, de voortijdige dood van een geliefde, een (te) hoge kindersterfte, … het waren de vaststaande bewegingen van het moeizame leven die iedereen had te leiden. Het hoorde bij de natuur der dingen, die een mens vroeg of laat op zijn levenspad kon tegenkomen. De Allerhoogste troostte, zo geloofde bijna iedereen toentertijd, en heelt alle wonden. Er was weinig aandacht voor hen die de oorlog in hun hoofd hadden zitten en er maar niet uitkregen.

In Groenlo was het zomer 1813 weer tijd om gezamenlijk het lokale wegennet waar eenieder gebruik van maakte eens grondig op te knappen. Iedereen die op of naast een hiervoor aangewezen weg woonde, werd geacht zijn krachten te geven om daadwerkelijk mee te helpen te renoveren. Dat waren nu eenmaal de plichten die voortvloeiden uit de zogeheten hand- en spandiensten die al sinds oude tijden (middeleeuwen) bestonden. Hier en daar had men deze verplichtingen, maar eveneens de rechten van het gebruik der wegen, in buurboeken opgeschreven. Hoe het ook zij: niemand kon en mocht zich daaraan onttrekken. Tot het problemen gaf met enkele Groenlose militaire invaliden.

De plaatselijke maire (frans voor: burgemeester) had in juli 1813 in een publicatie op verschillende plekken in zijn stad – en daarbuiten – laten afkondigen dat het weer eens tijd was voor hand- en spandiensten betreffende het lokale wegennet.  Het liefst nog voordat de herfst inviel. Ook C.F. Breukemeyer, Joseph Ridder en Johan Philip Numan, gepensioneerde militairen, gediend hebbende bij de marine, en nu al weer enkele jaren woonachtig in de Achterhoek kregen een oproep. Ze weigerden. Ze waren gewezen militairen en nog wel invalide; ook daaruit volgden volgens hen rechten en plichten hen door de Franse keizer verleend. Zij lieten daarop de maire en namens deze diens gemeentesecretaris weten geen trek te hebben in lichamelijke arbeid of wat dan ook. De een miste een been, de ander een hand. Voor hen reden genoeg om ‘nee’ tegen de hand- en spandienstinvitatie te zeggen.

Voor het Groenloos gemeentebestuur werd het zomer 1813 een principekwestie. Want werden deze drie mannen vrijgesteld, dan zou dat ook consequenties hebben voor al die Groenlose conscrits (dienstplichtingen) die eerdaags uit de verschrikkingen van Rusland zouden kunnen thuiskomen of uit een van de nog aanstaande veldslagen die Napoleon ongetwijfeld van plan was een dezer weken, maanden in Duitsland te gaan leveren.

De stadssecretaris stelde voor dat ze dan maar iemand zouden moeten vragen die tegen betaling hun plaats wilde innemen. Of anders moesten ze maar een soort belasting betalen waaruit de gemeente iemand kon bekostigen. Echter…  dat lieten het drietal niet over zijn kant gaan. Ze schreven aan sous-préfet Van der Borch van Verwolde over de kwestie, legden en passant uit dat zij het niet waren geweest die de secretaris ‘geesel der Gemeente’  hadden genoemd en dat zij, gewezen oud-militairen met een handicap, toch geen belasting hoefden te betalen? Daarvan en van die hand-en spandiensten waren ze toch namens Napoleon vrijgesteld?

De Sous-préfet van arrondissement Zutphen vroeg de Groenlose maire om een toelichting over de affaire, die, dat begreep iedereen intussen, wat er ook mocht worden besloten, vergaande consequenties zou hebben voor alle  toekomstige gevallen. Welnu, de drie gewezen militairen werden door de maire nauwkeurig in kaart gebracht.

Zo schreef de maire over Coenraad Frederik Breukemeijer dat deze is ,,een invalide met een houten been, wiens gedrag alhier zeer bekend is en niet tot zijn faveur is, want in Zijn eigen huysje, Zijn vrouw is Naayster, wint dagelijks haar brood, bearbeid zelven grotendeels Eenig land voor Zijn dagelijkse Menage en huyshouding, daarbij gevoegd Zijn Pensioen, Wat zoude dan hinderlijk zijn van mede tot het maaken der wegen te worden gebruykt? Men vordert hem niet in perzoon maar wel iemand van Zijnen ’t wegen dus Zie daar in na mijn inzien geene onderdrukking hoegenaamd doende niets meer dan de andere Burgers en ingezetenen mijner Mairie.”

En zo werd ook geschreven over de twee andere invalide oud-militairen eens in dienst van de Grande Armée en/of Marine. Geen uitzonderingen, geen gevoelens, geen voortdurende compassie. Nu niet, straks niet.

Op 3 augustus 1813 volgde het besluit: de drie invalide Groenloënaren moesten als ze zelf niet konden of wilden, maar op hun kosten iemand aanwijzen die kon meehelpen de verschillende ook door hen gebruikte wegen te herstellen. Het besluit was vergaand. Want een paar maanden later, de Achterhoek was door binnentrekkende kozakkenbendes van Fransen ‘bevrijd’ , kwamen de Gelderse en ook de overige Nederlandse dienstplichtigen met of zonder gebreken, mentaal beschadigd en/of verwrongen terug naar hun gehuchten, dorpen en steden. Na een korte tijd van begrip en compassie hadden ze weer gewoon mee te doen met het leven van alledag; wat dat ook met zich meebracht. Verscheidenen wisten zich niet goed te handhaven en (opnieuw) aan te passen. Ze verlieten noodgedwongen de hun ooit zo eigen gemeenschap en begonnen door het land te zwerven. Intriest en zielig.

Het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden had in zijn beginjaren veel (over)last van deze gewezen conscrits. Ze pasten op de een of andere manier niet meer zo goed in de samenleving. Ik zal hier op terug moeten komen, want het werd op den duur een heus probleem in het na-Franse tijdperk (1814-1825) onder koning Willem I.

dr. Elze Luikens (copyright 2008-2013)

Reageren? Of zo maar iets laten weten over deze en de andere blogs? napoleon-info@hotmail.nl

Napoleon maakt zich op voor de veldslag aller veldslagen

De keuringsartsen, in dienst van keizer Napoleon, maakten januari-februari 1813 ook in Gelderland (in dit geval het Departement van de Boven-IJssel) overuren. Ingewijden wisten onderhand wel dat opperbevelhebber Bonaparte in Rusland zijn hand had overspeeld. Zijn cavalerie, zijn infanterie, zijn verbindingsdiensten – noem maar op – hij was ze allemaal voor zo’n 60 tot 80 procent kwijtgeraakt. En om 1813 nog enige hernieuwde keizerlijke glans en militair aanzien te kunnen geven moesten er dat vroege voorjaar in opdracht van Napoleon nieuwe, maar vooral toch jongere lichtingen soldaten worden bijeengebracht.

In de verschillende dorpen en steden werden ook de in Gelderland opgeroepen jongemannen in de plaatselijke kerk, herberg of stad/gemeentehuis (hôtel de ville) gemeten, gewogen en op lichamelijke afwijkingen gecontroleerd. Anders dan voorheen werd er nu minder strak rekening gehouden met allerlei gezondheidsproblemen en zo. Het werd voor de keuringsartsen ineens: als het min of meer in orde is met de voor mij staande jongeman, dan kan hij wat mij betreft afreizen naar één van de depots om er een verkorte opleiding te ontvangen én om vervolgens richting Duitsland af te marcheren; om zich uiteindelijk onder de banier van Napoleon of van één van diens maarschalken te verzamelen. 

Ook het vervangingssysteem (de remplaçant) werkte ineens minder goed dan voorheen. De dienstplichtige zoon van meer welgestelde ouders ontsprong steeds minder vaak de dans. En argumenten als  ‘ik heb mijn zoon nodig op het land’ , of  ‘mijn man kan het boerenwerk niet meer alleen af ‘  werkten minder dan voorheen. Er zijn in de eerste maanden van 1813 nogal wat brieven gestuurd naar de verschillende maires (burgemeesters) – op verzoek – geschreven door plaatselijke inwoners die enig aanzien genoten. Helaas voor de wanhopige ouders: het werkte niet meer zo goed. En netwerken bleken ook ineens minder op te leveren dan er van mocht worden verwacht.

img059

En nóg was de magie die Napoleon over zijn (nieuwe) manschappen wist uit te oefenen niet uitgewerkt. Legeronderdelen streden om voorrang om onder zijn vaandel(s) te mogen dienen. De door het hele Rijk verspreide toespraak van de Keizer tot de Franse Senaat sprak boekdelen. Het maakte zijn legers, deels de achterblijvers, opnieuw enthousiast; iedereen wist ineens weer waarom het ging: ,,Tous mes desseins, toutes mes entreprises, n’ont q’ un but: la prospérité de l’ Empire, que je veux soustraire à jamais aux lois de l ‘ Angleterre.” / ,,Alle mijne voornemens, alle mijne ondernemingen, hebben slechts één oogmerk, de voorspoed namelijk van het Rijk, dat ik voor altijd aan de Wet van Engeland wil onttrekken.”

Dus niet Rusland dat hij in 1812 was binnengevallen, maar Engeland was dé bedreiging voor Napoleon, zijn Keizerrijk en zijn onderdanen? Het lijkt wat al te gemakkelijk. Feit is wel dat de Engelse regering door middel van forse subsidies Napoleons directe bestrijders genoeg geld bezorgde om hun manschappen te betalen voor hun krijgsinspanningen. Als dit de realiteit allemaal is dan kunnen we de gebeurtenissen van de voorbije 20-30  jaar alleen maar in het licht zien van de strijd om de wereldhegemonie tussen Frankrijk en Engeland die al was begonnen in de jaren 70 van de achttiende eeuw. En dan is Napoleon, volgens zijn eigen woorden, samen met zijn volk en zijn legers slechts de voortzetting van deze (eeuwige) strijd, die volgens hem dus verbonden is met het lot dat de voorspoed van grotendeels heel Europa bepaalt. Of… is dit weer een bekend staaltje retoriek voortkomend uit zijn nog steeds op volle toeren draaiende  propagandamachine?

8.de troepen te Boulogne worden geïnspecteerd

En dan, 3 april 1813, komen de Gelderse lezers en hen die het artikel is voorgelezen, te weten dat Conscriptie 1812 in de ‘ beste orde ‘ is afgerond. De goedgekeurde jongemannen zijn … ,,heden morgen van hier [Arnhem] naar Nijmegen… ” vertrokken,  ,,om zich van daar verder naar hunne destinatien te begeven.” Bij de Rijnoversteek in de Gelderse hoofdplaats hadden zich allerlei notabelen verzameld: onder andere prefect Van Andringa de Kempenaer, de Luitenant-commandant van de Keizerlijke Gendarmerie en de Commandant van de Nationale Garde (de Garde die overigens door Napoleon was aangemerkt als reserveleger). Muzikanten en tamboers van de genoemde Nationale Garde begeleidden het geheel door enkele militaire en andere toentertijd populaire deuntjes te spelen. En de dienstplichtige jongemannen? Zij riepen bij voortduring: ,,Leve de Keizer!”  De verslaggever van de Feuille politique du Département de l’ Issel Supérieur eindigt zijn berichtgeving met de volgende ‘troostrijke’ woorden: de jongens gaven blijk ,,van hun verlangen, ten einde naar het veld van eer te snellen, en onder het geleide der Fransche adelaren, door de overwinning, eenen eervollen en duurzamen vrede te erlangen.” Ja, ja, zij wel, maar hij niet.

Dit soort praat is slechts bedoeld geweest om het sinds eind 1812 geknakte moreel opnieuw op te poetsen. De lezers en toehoorders van bovengenoemde  berichten begonnen door de binnensijpelende russische ‘verhalen’  de schellen van de ogen te vallen. Hoe  deze nieuwe hoopvolle (artikel)klanken nu te rijmen met wat ze nog maar net wisten over het noodlot dat de Grande Armée in Rusland ten deel was gevallen? Immers een enkele overlevende was – in lompen gehuld – inmiddels teruggekeerd uit de verschrikkingen van de russische tragedie. Daarover las je niets in de Departementale Courant, maar hoorde je wel op straat, van passanten, in de herberg en zo.  Hun (dagelijks) bestuur kon en deed voor de buitenwacht natuurlijk niet anders dan de moed erin houden. Ze hielden zich daarbij vast aan eerdere onmogelijk geleken overwinningen van hun ‘geniale’ Keizer. 

                                                   *                         *                             *

Mijn volgende blog gaat o.a. over mogelijke spionnen in het Gelderse terwijl Napoleon zijn troepen nabij Dresden strak georganiseerd om zich heen verzamelt.

dr. Elze Luikens (copyright 2008-2013)

Zie bovenaan OVER voor het contactemailadres.

Napoleon Bonaparte formeert in allerijl een nieuw leger

Ik schreef het al eerder: tussen volk en Keizer stond in het openbare leven de Courant. Ook al verscheen het Departementaal Dagblad (Feuille Politique du Département de l’Issel Supérieur) slechts op de dinsdag, donderdag en zaterdag… de krant werd niet alleen door de departementale overheid en al haar geledingen gelezen, maar evenzeer door (een deel van) de inwoners van het departement Van de Boven-IJssel. En wat hier gold, gold ook voor de andere (Nederlandse) departementen. Alleen via de erin toegestane artikelen konden belangstellenden het wel en wee van het Keizerrijk enigszins begrijpen en kregen ze een beetje inzicht van hetgeen er op het grote Europese toneel gaande was. Zij het natuurlijk dat het de Franse versie was, die men las, maar toch op de een of andere wijze wisten de verschillende redacties wel iets van het andere nieuws te laten doorschemeren.

In Gelderland was het Steven van Bronkhorst die als eindredacteur de dagelijkse leiding van de er verschijnende courant op zich had genomen. Naast deze best wel spannende functie was Van Bronkhorst ook nog een vooraanstaand ambtenaar in het Gelderse departementaal bestuur. Al met al een persoon die dicht bij het vuur zat. Hij kreeg naast een enkele andere ingewijde vast en zeker ook wel eens binnengesmokkelde Engelse kranten in handen, anders had hij zijn lezerspubliek niet weten te vertellen wat er zoal in de Engelse bladen stond over Napoleons mislukte tocht naar en weer vanuit Rusland. De Engelsen schreven dat zij voortaan met Rusland Napoleon konden dicteren over  welke vredesvoorwaarden er kon worden onderhandeld. Een eyeopener van jewelste natuurlijk voor braaf meelezend Gelderland, want wie nu nog niet begreep dat er iets in Rusland geweldig fout moest zijn gegaan, snapte niets van zijn tijd en de bijbehorende omstandigheden.

Alsof van Bronkhorst besefte dat hij iets te veel had laten onthullen over wat Napoleons tegenstanders vonden en dachten nam hij de volgende dagen ‘ingezonden brieven’ en dergelijke in zijn Feuille Politique op, waarin geageerd werd tegen al die snode Engelse vredesvoorwaarden: ,,De Courier, de Times, de Anti-Gallicanen en andere dagbladen, willen, dat men Napoleon niet moet laten behouden het geen hij bij het begin van deze veldtogt [Rusland] bezat.” Nou, denk maar niet, aldus de in het Gelderse verschenen dagblad, dat het zo gaat, want: ,,Wij zouden Napoleon grooter maken dan ooit; wij zouden dezelfde loopbaan, die wij sedert 1793 doorgelopen hebben, op nieuw weder moeten doorlopen.” [citaat uit de Moniteur; Napoleons officiële Franse spreekbuis.

Zoals Napoleon zich graag liet afbeelden: te paard

Zoals Napoleon zich graag liet afbeelden: te paard

En hier, beste blogvolgers, hebben wij een van de centrale kernpunten uit de Napoleontische jaren. Het mag dan al zo zijn dat die Napoleontische jaren jaren van oorlog en geweld zijn geweest, maar die oorlogen werden wel gevoerd op basis van hetgeen 1793 voor de wereld zou gaan betekenen (de Franse Revolutie op haar hoogtepunt; sommigen zeggen dieptepunt). Voor  een ‘modern en een nieuw Europa’  betekende het o.a.: vrijheid en gelijkheid voor de wet; geen (adellijke) geboortevoordelen; kansen voor eenieder die ze wilde zien; aloude overleefde rechten wegdoen en vervangen door nieuwe voor iedereen geldende wetten, gebaseerd op een Algemene Grondwet en de Rechten van de Burger. Klinkt behoorlijk modern, nietwaar! Het was Napoleon die ze bevorderde en mochten de Engelsen menen, dat met het uitschakelen van Napoleon aan deze verlangens een einde zou komen, dan hadden ze het mis. Steeds weer zou er vanuit het 1793-ideaal een nieuwe vloedgolf over Europa komen totdat bereikt was wat bereikt moest worden. De verdere  19de eeuwse Europese geschiedenis heeft uiteindelijk deze woorden bevestigd.

Het waren nogal woorden dus, met een ernstige waarschuwing aan het adres van al diegenen die dit ideaal wilden tegenwerken. Van Bronkhorst en ook de andere redacteuren van de verschillende departementale couranten zagen daarbij wel in dat het jaar 1813 een jaar zou worden waarin het erop of eronder zou gaan. Even een uitglijertje door berichtgeving over het Engels-Russische dictaat aan het adres van Napoleon begin januari 1813 werd vrijwel onmiddellijk opgevolgd door ‘positiever’ nieuws. Immers Napoleon werkte al weer aan een nieuwe Armée. Meelezend Gelderland kreeg daarnaast de ene na de andere berichtgeving over die troepenopbouw onder ogen. Maar: het gold ook voor de Gelderse (jonge)mannen. Ik heb hieronder een kleine opsomming gezet:

1. Gelderse oud militairen moesten zich op de 21ste januari in Arnhem komen melden om gekeurd te worden waarna ze opnieuw voor de actieve dienst in aanmerking kunnen gaan komen. Bonaparte had een tekort aan ervaren manschappen; vandaar.

2. Op het totaal van de 15.000 bijeen te brengen paarden voor de cavalerie – ik kom hier in mijn volgende blog op terug – was het departement Van de Boven-IJssel aangeslagen voor 85 dragonders met bijbehorende lichte cavaleriepaarden en nog eens extra 95 paarden eveneens bestemd voor de lichte cavalerie.

3. De lotelingenkassen van 1809-1812 moeten nog eens 100.000 mannen gaan opleveren, waaronder 250 Gelderse jongemannen.

Intussentijd bleef de Feuille Politique naast bovengenoemde soorten berichten ook verhalen publiceren over restanten manschappen die helemaal uit Rusland waren komen lopen en een inmiddels vijandiger Berlijn passeerden. Of ze het echt gezegd hebben, weet ik niet, het zou kunnen, maar uit de monden van deze overlevenden werd o.m. het volgende opgetekend: ,,Deze oorlog, Sire, die door den vinger des Almagtigen aangewezen werd, is de nationale oorlog, die al uw volk en bondgenooten ten koste van hun bloed en hun geluk zullen ondersteunen, dewijl de zelve den laatsten bondgenoot van het engelsch gouvernement, onzen onverzettelijken vijand, moet vernietigen, en U.M. tot het toekomend herstel van de vrijheid der zeeën en des koophandels moet geleiden. Van alle kanten bevlijtigd zich de bloem der jeugd, om zich bij uwe overwinnende adelaars te voegen… .”

Dat laatste gebeurde in de loop van 1813 in Duitsland, niet ver van het departement Van de Boven-IJssel verwijderd. Overigens: die bloem der jeugd was ditmaal wel erg jong!

dr. Elze Luikens (copyright 2008-2013)

Contact opnemen? Zie OVER bovenaan de blog voor emailadressen.